Tien werkplaatsen, één gereedschapskist. Kies in elk tabblad je woorden, klik stap voor stap verder — en zeg bij elke stap eerst zelf wat er gaat gebeuren, vóórdat de bouwer het je laat zien. Zo train je je hart én je tong. (Tip: de pijltjestoetsen ← → werken ook.)
Elk werkwoord van ons systeem is als een zaadje met drie korrels: de drie wortelletters. Leg je ze in het patroon فَعَلَ («hij deed»), dan ontkiemt de hij-vorm — en aan die ene stam groeien alle veertien takken, van «ik» tot «zij (vrouwen)». De stam blijft, alleen het uiteinde verandert.
Drie letters, nog zonder klinkers — de wortel van «helpen».
«hij hielp» — de middelste klinker hangt af van de Bāb.
«ik hielp» — een uitgang met een medeklinker (ت، ن) maakt de laatste letter stil.
| Voornaamwoord | Māḍī Maʿrūf | Betekenis |
|---|---|---|
| Kies hierboven een werkwoord 👆 | ||
Drie letters, één patroon, veertien uitgangen. En één regel om nooit te vergeten: de taal houdt niet van vier klinkers op een rij — daarom rust de laatste letter zodra er een ت of ن aan vastgeplakt wordt.
Majhūl betekent «onbekend». Soms weten we niet wie iets deed, soms doet het er niet toe, en soms verzwijgt de spreker het uit eerbied of wijsheid. Dan verdwijnt de doener uit de zin, en schuift het lijdend voorwerp naar voren om zijn plaats in te nemen: de Nāʾib al-Fāʿil (de plaatsvervanger van de doener). «Hij hielp» wordt «hij werd geholpen».
De eerste letter krijgt een ḍammah.
De letter vóór de laatste krijgt een kasrah.
«hij werd …» — voor álle zes Abwāb precies hetzelfde!
Een werkwoord als جَلَسَ («hij ging zitten») heeft geen lijdend voorwerp: het is Lāzim (onovergankelijk). Wie of wat zou er «gezeten worden»? Niemand! Op zichzelf kan zo'n werkwoord daarom niet passief worden. Met een voorzetsel erbij kan het wel: جُلِسَ عَلَى الْكُرْسِيِّ («er werd op de stoel gezeten»). Hoe dat werkt, leer je in Blok 3. Zulke werkwoorden staan hieronder in grijze, gestippelde chips — klik er gerust op om te zien waarom. En bij werkwoorden waarvan het lijdend voorwerp bijna altijd een zaak is (een boek wordt geschreven, een deur wordt geopend) zijn alleen de vormen van هُوَ («hij») en هِيَ («zij») actief — «ik werd geopend» zou immers vreemd klinken.
| Voornaamwoord | Maʿrūf | Majhūl | Betekenis (passief) |
|---|---|---|---|
| Kies hierboven een werkwoord 👆 | |||
Ḍammah vooraan, kasrah vóór het einde: فُعِلَ. Zes Abwāb, zes verschillende actieve vormen — maar in de passief lopen ze allemaal langs hetzelfde pad.
De Muḍāriʿ is het werkwoord dat nog leeft: wat nu gebeurt of nog komen gaat. Hij bestaat uit drie delen, als een huis met een voordeur, kamers en een achterdeur: een voorvoegsel, de stam, en een uitgang. De voordeur is altijd een van de vier letters van het ezelsbruggetje أَتَيْنَ (atayn).
Ik · jij/zij (♀) · hij · wij.
Uit يَنْصُرُ («hij helpt»). Eerste letter stil, middelste letter volgt de Bāb.
Een ḍammah, of een uitgang met een ن.
| Voornaamwoord | Māḍī | Muḍāriʿ Maʿrūf | Betekenis |
|---|---|---|---|
| Kies hierboven een werkwoord 👆 | |||
Een voordeur uit أَتَيْنَ, een stam met het geheim van de Bāb, en een achterdeur die vertelt wie er handelt. Wie deze drie kent, herkent de Muḍāriʿ op elke bladzijde van de Qurʾān.
Dezelfde gedachte als bij de Māḍī Majhūl, maar nu in het heden: «hij wordt geholpen». En opnieuw zijn er maar twee kleine ingrepen nodig — de rest van het woord blijft onaangeroerd.
Het voorvoegsel krijgt een ḍammah.
De letter vóór de laatste krijgt een fatḥah.
«hij wordt …» — voor álle zes Abwāb hetzelfde.
Vergelijk ze: فُعِلَ en يُفْعَلُ. Allebei beginnen ze met een ḍammah. Het verschil zit vlak vóór het einde: de Māḍī kiest een kasrah, de Muḍāriʿ een fatḥah.
| Voornaamwoord | Maʿrūf | Majhūl | Betekenis (passief) |
|---|---|---|---|
| Kies hierboven een werkwoord 👆 | |||
Ḍammah op de voordeur, fatḥah vóór het einde: يُفْعَلُ. Bij Bāb Fataḥa en Bāb Samiʿa stond die fatḥah er al — daar verandert er dus maar één klinker.
De tuinier uit Les 9 kent zijn werk: kies de tak, snoei, laat rusten, zet een deur. Vier stappen — niet meer, niet minder. Nu kun je ook de persoon kiezen, zodat je alle vijf vingers van de hand oefent.
«jij schrijft» — de jij/jullie-vorm van de Muḍāriʿ.
Haal تَ weg.
Sukūn, of de uitgangs-ن valt weg.
«Schrijf!» Ḍammah in het midden → اُ, anders اِ.
| Voornaamwoord | Muḍāriʿ | Amr | Betekenis |
|---|---|---|---|
| Kies hierboven een werkwoord 👆 | |||
Kies de tak, snoei, laat rusten, zet een deur. Vier stappen, één spiegel — en de nūn van de vrouwen blijft trouw op zijn plek staan.
De Ṣifah is als een trouwe schaduw: waar het Mawṣūf gaat, gaat hij mee. Staat het Mawṣūf in het licht van الـ, dan de Ṣifah ook. Is het vrouwelijk, dan de Ṣifah ook. Vier dingen doet de schaduw altijd na — en we bouwen ze stap voor stap op, van eenvoudig naar moeilijker.
Allebei met الـ, of allebei zonder.
Vrouwelijk Mawṣūf → Ṣifah met ة. Ook bij ♀-woorden zonder ة!
Enkelvoud bij enkelvoud.
Rafʿ, Naṣb of Jarr: allebei dezelfde uitgang.
Namen van Allah (zoals عَلِيمٌ «alwetend» en قَدِيرٌ «almachtig») worden alleen actief bij رَبٌّ («Heer») en إِلَٰهٌ («God») — uit eerbied beschrijven we de Schepper alleen met wat Hem toekomt.
Bepaaldheid, geslacht, getal, naamval — vier keer volgt de schaduw zijn meester. En de woorden die vrouwelijk zijn zónder ة (نَفْسٌ «ziel», شَمْسٌ «zon», أَرْضٌ «aarde», سَمَاءٌ «hemel»…) leer je uit het hoofd, zoals je de namen van dierbaren onthoudt.
In de Iḍāfah leunt het eerste woord op het tweede, zoals een reiziger op zijn staf. Het Muḍāf geeft zijn tanwīn en zijn الـ op — het heeft ze niet meer nodig, want het ontleent zijn bepaaldheid aan het woord waarop het leunt. En het Muḍāf ilayh staat altijd, zonder uitzondering, in Jarr.
«het boek van …» — geen tanwīn, nooit الـ. Naamval volgt zijn plaats in de zin.
«Allah» — altijd in Jarr.
«het boek van Allah» — bepaald, omdat het tweede woord bepaald is.
Het eerste woord laat los, het tweede buigt naar de kasrah. Twee woorden, één betekenis — zoals رَبُّ النَّاسِ, de Heer van de mensen, bij Wie wij onze toevlucht zoeken.
Een Ḥarf al-Jarr is als een magneet: het kan niet alleen staan, en elk Ism dat het aanraakt, trekt het naar de kasrah. Het Ḥarf heet de Jār (de trekker), het Ism de Majrūr (het getrokkene). En let goed op de kleine veranderingen in het schrift en de uitspraak wanneer de magneet op الـ stuit!
Waar de magneet komt, volgt de kasrah. الْحَمْدُ لِلَّهِ («alle lof is voor Allah») — de eerste Jār en Majrūr die je in de Qurʾān leest, en misschien wel de mooiste.
Twee woorden. Precies dezelfde twee woorden. En toch kan het ene keer een onaf zinsdeel ontstaan — «een groot huis…» en dan? — en de andere keer een volledige zin: «Het huis is groot.» Het hele geheim zit in één klein ding: الـ. Dit is de gouden hoofdregel die je nooit meer mag vergeten.
Bepaaldheid gelijk → zinsdeel: «het grote huis».
Bepaaldheid gebroken → zin: «Het huis is groot.»
Je ziet tien keer een paar woorden. Is het een volledige zin (Mubtadaʾ–Khabar) of nog maar een zinsdeel? Pas op voor de valstrikken!
Gelijke bepaaldheid bindt twee woorden tot één zinsdeel; gebroken bepaaldheid maakt er een zin van. En zeg je هَٰذَا الْبَيْتُ, dan heb je nog steeds geen zin — maar «dit huis», dat wacht op zijn Khabar.
Tot nu toe bouwden we losse werkwoorden en losse woordgroepen. Nu zetten we ze samen in een echte zin. Een verbale zin is als een verhaal in één adem: eerst wat er gebeurt (het werkwoord), dan wie het doet (de doener), dan wat of wie het ondergaat (het lijdend voorwerp), en eventueel waar, waarheen of voor wie (voorzetsel + naamwoord). Elk deel heeft zijn eigen vaste naamval — en die ken je al!
Lees van rechts naar links ←
«De student schreef de boodschap in de moskee.»
«De man ging.» De zin begint met een Fiʿl.
«de man» — de doener krijgt een ḍammah.
«De jongen opende de deur.» Alleen bij overgankelijke (Mutaʿaddī) werkwoorden.
«De student zat.» Staat de Fāʿil ná het werkwoord, dan blijft het werkwoord enkelvoud — ook als er later meer doeners zijn.
«Het meisje schreef.» Vrouwelijke Fāʿil → تْ, en vóór الـ wordt dat تِ (de kasrah-brug).
«De deur werd geopend.» Zonder doener schuift het lijdend voorwerp op en wordt Nāʾib al-Fāʿil — in Rafʿ!
Een Mutaʿaddī (overgankelijk) werkwoord «gaat over» op iets: فَتَحَ الْبَابَ («hij opende de deur»). Een Lāzim (onovergankelijk) werkwoord blijft bij de doener: ذَهَبَ («hij ging») heeft geen lijdend voorwerp. Wil je bij een Lāzim-werkwoord meer vertellen, dan gebruik je een Ḥarf al-Jarr: ذَهَبَ إِلَى الْمَسْجِدِ («hij ging naar de moskee»).
Alle werkwoorden hieronder zijn Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ Sālim — precies de soort die je in tabblad 1 t/m 5 hebt leren vervoegen.
«En de maan verduistert.» [Soerah al-Qiyāmah, 75:8]
Fiʿl خَسَفَ («verduisterde») + Fāʿil الْقَمَرُ («de maan») in Rafʿ. Lāzim: met twee woorden is de zin al compleet.
«Toen knielden de engelen neer, allemaal tezamen.» [Soerah al-Ḥijr, 15:30]
Fiʿl سَجَدَ («knielde neer») + Fāʿil الْمَلَائِكَةُ («de engelen») in Rafʿ. Let op: het zijn vele engelen, en tóch staat het werkwoord in het enkelvoud — want de Fāʿil staat erna (regel 4).
«En de stemmen worden stil voor de Meest Barmhartige.» [Soerah Ṭā Hā, 20:108]
Fiʿl خَشَعَتْ + Fāʿil الْأَصْوَاتُ («de stemmen») + Jār en Majrūr لِلرَّحْمَٰنِ. Een meervoud van dingen geldt als vrouwelijk, dus krijgt het werkwoord een تْ — en vóór الـ wordt dat تِ: de kasrah-brug (regel 5).
«Allah heeft een gelijkenis gegeven…» [Soerah Ibrāhīm, 14:24]
Fiʿl ضَرَبَ + Fāʿil اللَّهُ (Rafʿ) + Mafʿūl bihi مَثَلًا («een gelijkenis»): onbepaald, dus tanwīn-fatḥah met alif.
«En Allah geeft de mensen gelijkenissen.» [Soerah Ibrāhīm, 14:25]
Alle vier de bouwstenen in één zin, nu in de Muḍāriʿ: Fiʿl يَضْرِبُ + Fāʿil اللَّهُ (Rafʿ) + Mafʿūl bihi الْأَمْثَالَ («de gelijkenissen», Naṣb) + Jār en Majrūr لِلنَّاسِ («voor de mensen», Jarr).
«Allah vergeeft jullie.» [Soerah Yūsuf, 12:92]
Fiʿl يَغْفِرُ (Muḍāriʿ, «vergeeft») + Fāʿil اللَّهُ (Rafʿ) + Jār en Majrūr لَكُمْ («voor jullie»).
«En de hemel wordt geopend.» [Soerah an-Nabaʾ, 78:19]
Passief: فُتِحَتْ («werd geopend») — patroon فُعِلَ met een تْ, want السَّمَاءُ («de hemel») is vrouwelijk. Vóór الـ wordt het فُتِحَتِ. السَّمَاءُ is de Nāʾib al-Fāʿil, in Rafʿ.
«O mensen, er is een gelijkenis gegeven…» [Soerah al-Ḥajj, 22:73]
Passief: ضُرِبَ («werd gegeven») + Nāʾib al-Fāʿil مَثَلٌ — in 14:24 stond het nog in Naṣb (مَثَلًا), nu in Rafʿ!
Grijze werkwoorden passen (nog) niet in deze bouwer — klik erop om te zien waarom.
Werkwoord voorop, de doener in Rafʿ, het lijdend voorwerp in Naṣb, het voorzetsel trekt naar de Jarr. Vier bouwstenen, drie naamvallen — en ineens spreek je in hele zinnen: يَغْفِرُ اللَّهُ لَكُمْ, «Allah vergeeft jullie».
Nu komen alle werkplaatsen samen onder één dak. De bouwer geeft je een opdracht — soms één woord, soms een hele zin waarin werkwoord, Ṣifah, voorzetsel en Iḍāfah hand in hand gaan. Bouw hem eerst zelf, in je hoofd of op papier. Klik pas daarna op «Toon de bouw», en kijk stap voor stap of jouw bouwwerk klopt. Wees eerlijk tegen jezelf bij het scoren: niemand kijkt mee behalve Allah — en Hij beloont de oprechte inspanning.
Kennis die niet herhaald wordt, is als een pad dat niet belopen wordt: het groeit langzaam dicht. Loop dit pad dus vaak, en het zal voor altijd open blijven, in shā’ Allāh.
رَبِّ زِدْنِي عِلْمًا
«Mijn Heer, vermeerder mij in kennis.» [Soerah Ṭā Hā, 20:114]