Bismillāh — De Verleden Tijd الْفِعْلُ الْمَاضِي
Dierbare student, bismillāh. In deze les doorgronden we de structuur van de Fiʿl Māḍī — de verleden tijd. Dit is het werkwoord dat een handeling beschrijft die reeds voltooid is: hij deed, zij schreef, wij gingen.
We behandelen de Thulāthī Mujarrad (werkwoorden met drie originele wortelletters), van de bāb waarbij de ʿayn al-kalimah (de tweede wortelletter) een Fatḥah draagt — de zogeheten Maftūḥ al-ʿAyn. Het modelpatroon is فَعَلَ (faʿala), de wortel F-ʿ-L.
De Drie Families van 14 Sieghah's الصِّيَغُ الْأَرْبَعَ عَشْرَةَ
De volledige vervoeging telt 14 sieghah's (vormen). Ze vallen uiteen in drie families, naar gelang de «doener». In deze les bewandelen we ze in volgorde:
| Familie | Arabisch | Wie? | Sieghah's |
|---|---|---|---|
| Ghāʾib (Afwezig) | الْغَائِب | Hij / zij / zij-twee / zij-groep (3e persoon) | 1 t/m 6 |
| Ḥāḍir (Aanwezig) | الْحَاضِر | Jij / jullie-twee / jullie-groep (2e persoon) | 7 t/m 12 |
| Mutakallim (Spreker) | الْمُتَكَلِّم | Ik / wij (1e persoon) | 13 & 14 |
🔑 Hoe je de tabellen leest
Elke vorm bestaat uit een vaste stam plus een suffix (uitgang). In de transliteratie zie je de stam links en de toegevoegde uitgang gemarkeerd rechts.
Les 1 · De Ghāʾib (3e persoon) الْغَائِب
We beginnen met de eerste zes vormen: de Ghāʾib, de "afwezige" derde persoon (hij, zij, zij-twee, zij-groep). De basisstam is فَعَلَ (faʿala).
| Nr. | Sieghah (terminologie) | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Wāḥid Mudhakkar Ghāʾib | Mannelijk Enkelvoud | فَعَلَ | faʿala | Hij deed |
| 2 | Tathniyah Mudhakkar Ghāʾib | Mannelijk Tweevoud | فَعَلَا | faʿalā | Zij (2 m) deden |
| 3 | Jamʿ Mudhakkar Ghāʾib | Mannelijk Meervoud | فَعَلُوا | faʿalū | Zij (m, allen) deden |
| 4 | Wāḥid Muʾannath Ghāʾib | Vrouwelijk Enkelvoud | فَعَلَتْ | faʿalat | Zij (v) deed |
| 5 | Tathniyah Muʾannath Ghāʾib | Vrouwelijk Tweevoud | فَعَلَتَا | faʿalatā | Zij (2 v) deden |
| 6 | Jamʿ Muʾannath Ghāʾib | Vrouwelijk Meervoud | فَعَلْنَ | faʿalna | Zij (v) deden (kantelpunt!) |
Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد
Hoe vormen we deze sieghah's vanuit de wortel F-ʿ-L?
- Sieghah 1 (basis): De lām al-kalimah (laatste wortelletter) krijgt een Fatḥah. Dit is de woordenboekvorm.
- Sieghah 2 (+ Alif): We voegen een Alif toe (de Alif van Tathniyah, tweevoud). De Fatḥah op de lām blijft.
- Sieghah 3 (+ Wāw): Een Wāw sākin wordt toegevoegd; om dit uitspreekbaar te maken krijgt de lām een Ḍammah. De Alif erachter (Alif al-Wiqāyah) wordt geschreven maar niet uitgesproken.
- Sieghah 4 (+ Tāʾ): Een Tāʾ sākinah (تْ) markeert vrouwelijkheid.
- Sieghah 5 (+ Tāʾ + Alif): De vrouwelijke Tāʾ, gevolgd door de Alif van het tweevoud. De Tāʾ krijgt nu een Fatḥah omwille van de Alif.
- Sieghah 6 (+ Nūn): De Nūn maftūḥah (نَ), ook wel Nūn an-Niswah [vrouwelijk] genoemd.
⚠️ Het kantelpunt (Sieghah 6)
Vanaf deze vorm wordt de lām al-kalimah (de laatste wortelletter) sākin (stil). Dus niet faʿalana, maar faʿalna. Onthoud dit goed — deze stilte blijft vanaf hier in álle resterende vormen behouden.
Les 2 · De Ḥāḍir (2e persoon) الْحَاضِر
Nu richten we ons tot de persoon die recht voor ons staat, oftewel die we aanspreken: de Ḥāḍir (jij, jullie-twee, jullie-groep). Dit zijn Sieghah 7 t/m 12.
🪙 De gouden regel
Vanaf Sieghah 6 tot het einde van de tabel blijft de lām al-kalimah (de laatste wortelletter) sākin. De stam klinkt dus constant als faʿal- (فَعَلْ). Daaraan plakken we de ḍamāʾir (voornaamwoordelijke suffixen) vast.
| Nr. | Sieghah (terminologie) | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| 7 | Wāḥid Mudhakkar Ḥāḍir | Mannelijk Enkelvoud | فَعَلْتَ | faʿalta | Jij (m) deed |
| 8 | Tathniyah Mudhakkar Ḥāḍir | Mannelijk Tweevoud | فَعَلْتُمَا | faʿaltumā | Jullie (2 m) deden |
| 9 | Jamʿ Mudhakkar Ḥāḍir | Mannelijk Meervoud | فَعَلْتُمْ | faʿaltum | Jullie (m) deden |
| 10 | Wāḥid Muʾannath Ḥāḍir | Vrouwelijk Enkelvoud | فَعَلْتِ | faʿalti | Jij (v) deed |
| 11 | Tathniyah Muʾannath Ḥāḍir | Vrouwelijk Tweevoud | فَعَلْتُمَا | faʿaltumā | Jullie (2 v) deden |
| 12 | Jamʿ Muʾannath Ḥāḍir | Vrouwelijk Meervoud | فَعَلْتُنَّ | faʿaltunna | Jullie (v) deden |
Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد
- Sieghah 7 (-ta): De Tāʾ maftūḥah (تَ) staat voor «jij» (mannelijk).
- Sieghah 8 (-tumā): Tumā (تُمَا) is het kenmerk voor «jullie twee».
- Sieghah 9 (-tum): Tum (تُمْ) staat voor «jullie groep mannen»; de Mīm is het teken van mannelijk meervoud.
- Sieghah 10 (-ti): De Tāʾ maksūrah (تِ) staat voor «jij» (vrouwelijk).
- Sieghah 11 (-tumā): Identiek aan Sieghah 8 — de context maakt duidelijk of het mannen of vrouwen betreft.
- Sieghah 12 (-tunna): Tunna (تُنَّ) met een Shaddah op de Nūn, specifiek voor een groep vrouwen.
⚠️ Let op bij «jij vrouw» (Sieghah 10)
Schrijf bij فَعَلْتِ (faʿalti) nooit een Yāʾ achter de Tāʾ — enkel een Kasrah eronder.
Les 3 · De Mutakallim (1e persoon) الْمُتَكَلِّم
De finale: de Mutakallim, de spreker (ik en wij). Dit zijn Sieghah 13 en 14.
💡 Bijzonderheid
In de eerste persoon is er geen onderscheid in geslacht (mannelijk/vrouwelijk). Ook is er geen aparte tweevoudsvorm: «wij twee» valt onder dezelfde vorm als «wij groep». De stam blijft sākin: فَعَلْ.
| Nr. | Sieghah (terminologie) | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| 13 | Wāḥid Mutakallim | M/V Enkelvoud | فَعَلْتُ | faʿaltu | Ik deed |
| 14 | Jamʿ Mutakallim | M/V Meervoud (& tweevoud) | فَعَلْنَا | faʿalnā | Wij deden |
De Twee Cruciale Contrasten
1. De Tāʾ van persoon — let nauwkeurig op de klinker boven de Tāʾ:
| Arabisch | Transliteratie | Wie? |
|---|---|---|
| فَعَلْتَ | faʿalta | Jij (man) — Fatḥah |
| فَعَلْتِ | faʿalti | Jij (vrouw) — Kasrah |
| فَعَلْتُ | faʿaltu | Ik — Ḍammah |
⚠️ 2. Verwar Sieghah 14 niet met Sieghah 6
• فَعَلْنَ (faʿalna — kort, zonder Alif) = Zij (vrouwen) deden.
• فَعَلْنَا (faʿalnā — lang, mét Alif) = Wij deden.
De Volledige Tabel — 14 Sieghah's جَدْوَلُ التَّصْرِيف
Hier staan alle veertien vormen samen, als naslagwerk. De drie families zijn met een goudtint gemarkeerd.
| Nr. | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Suffix | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| الْغَائِب — De Ghāʾib (3e persoon) | |||||
| 1 | Mannelijk Enkelvoud | فَعَلَ | faʿala | -a | Hij deed |
| 2 | Mannelijk Tweevoud | فَعَلَا | faʿalā | -ā | Zij (2 m) deden |
| 3 | Mannelijk Meervoud | فَعَلُوا | faʿalū | -ū | Zij (m) deden |
| 4 | Vrouwelijk Enkelvoud | فَعَلَتْ | faʿalat | -at | Zij (v) deed |
| 5 | Vrouwelijk Tweevoud | فَعَلَتَا | faʿalatā | -atā | Zij (2 v) deden |
| 6 | Vrouwelijk Meervoud | فَعَلْنَ | faʿalna | -na | Zij (v) deden |
| الْحَاضِر — De Ḥāḍir (2e persoon) | |||||
| 7 | Mannelijk Enkelvoud | فَعَلْتَ | faʿalta | -ta | Jij (m) deed |
| 8 | Mannelijk Tweevoud | فَعَلْتُمَا | faʿaltumā | -tumā | Jullie (2 m) deden |
| 9 | Mannelijk Meervoud | فَعَلْتُمْ | faʿaltum | -tum | Jullie (m) deden |
| 10 | Vrouwelijk Enkelvoud | فَعَلْتِ | faʿalti | -ti | Jij (v) deed |
| 11 | Vrouwelijk Tweevoud | فَعَلْتُمَا | faʿaltumā | -tumā | Jullie (2 v) deden |
| 12 | Vrouwelijk Meervoud | فَعَلْتُنَّ | faʿaltunna | -tunna | Jullie (v) deden |
| الْمُتَكَلِّم — De Mutakallim (1e persoon) | |||||
| 13 | M/V Enkelvoud | فَعَلْتُ | faʿaltu | -tu | Ik deed |
| 14 | M/V Meervoud | فَعَلْنَا | faʿalnā | -nā | Wij deden |
De Dojo — Test je kennis
Neem de tijd om elke vraag voor jezelf te beantwoorden vóór je het antwoord onthult. Bismillāh.
دَخَلْنَا · دَخَلْنَ · كَتَبْتِ · كَتَبْتُ
• دَخَلْنَ dakhalna = Zij (vrouwen) gingen binnen (korte a).
• كَتَبْتِ katabti = Jij (vrouw) schreef (Kasrah).
• كَتَبْتُ katabtu = Ik schreef (Ḍammah).
Samenvatting van de 14 Sieghah's
| Familie | Kernregel |
|---|---|
| 3e persoon (Ghāʾib) | Begint met een Fatḥah; vanaf de vrouwen-groep (Sieghah 6) wordt de laatste wortelletter sākin. |
| 2e persoon (Ḥāḍir) | De stam is altijd sākin. Suffixen beginnen met een Tāʾ: -ta, -tumā, -tum, -ti, -tunna. |
| 1e persoon (Mutakallim) | De stam is altijd sākin. Suffixen: -tu (ik), -nā (wij). |
De Gevaarzone — let op de klinkers!
A. «Zij (vrouwen)» vs. «Wij»
• فَعَلْنَ (faʿalna — korte a) = Zij (vrouwen) deden.
• فَعَلْنَا (faʿalnā — lange ā) = Wij deden.
B. «Jij (vrouw)» vs. «Ik»
• فَعَلْتِ (faʿalti — Kasrah) = Jij (vrouw) deed.
• فَعَلْتُ (faʿaltu — Ḍammah) = Ik deed.
Tafakkur & De Weg Vooruit
De verleden tijd is de tijd van Allah's voltooide daden in de Qurʾān: خَلَقَ (Hij schiep), قَالَ (Hij zei), أَنْزَلَ (Hij zond neer), هَدَى (Hij leidde). Nu je deze vormen herkent, lees je die verzen niet langer als losse woorden, maar voel je wie de doener is en wat er gebeurde.
Volgende stap
Je beheerst nu de Fiʿl Māḍī. De natuurlijke volgende stap is de Fiʿl Muḍāriʿ (de tegenwoordige/toekomende tijd) — de handeling die nú of straks plaatsvindt. In shāʾ Allāh bouwen we daarop voort.
Rabbi zidnī ʿilman — «Mijn Heer, vermeerder mij in kennis.» (Sūrah Ṭā-Hā 20:114)
De Twintig Volgende Meest Frequente Qurʾān-woorden
Dit tabblad bouwt voort op de 124 woorden die u al kent uit Module 1 t/m 4. Het bevat de drie nieuwe woorden die in déze les als voorbeeld zijn gebruikt (خَرَجَ, ذَهَبَ, شَكَرَ), aangevuld met de eerstvolgende meest frequente woorden uit de Qurʾān (bron: Quranic Arabic Corpus, corpus.quran.com) tot een totaal van twintig.
🔑 Over de categorieën
De aanwijzende voornaamwoorden (ذَٰلِكَ, هَٰذَا) en betrekkelijke voornaamwoorden (الَّذِي, مَا, مَنْ) zijn hier — grammaticaal correct — als Ism gemarkeerd, ook al voelen ze aan als verbindingswoordjes. Ḥarf is voorbehouden aan echte partikels (إِنْ, أَنْ, إِلَّا) — woorden die noch een Ism Ishārah, noch een Ism Mawṣūl zijn. Bij elk werkwoord staat de Baab vermeld, ook bij een werkwoord met een zwakke wortelletter (Muʿtal): de onderliggende (aṣl-)klinkers van Māḍī en Muḍāriʿ bepalen de Baab, niet de vraag of het werkwoord Ṣaḥīḥ is. Alleen een Mazīd Fīhi-vorm (een werkwoord met extra toegevoegde letters, zoals آمَنَ) valt echt buiten het systeem van de Thulāthī Mujarrad, omdat dat systeem daar uitsluitend voor geldt.
Simpele Lijst — Snel Leren بِدُونِ تَفْصِيل
Alleen het Arabisch, de transliteratie en de vertaling — zonder verdere uitleg, om de woorden in één keer te kunnen doorlopen.
| Nr. | Arabisch | Transliteratie | Vertaling |
|---|---|---|---|
| 1 | خَرَجَ | Kharaja | Hij ging naar buiten, hij vertrok |
| 2 | ذَهَبَ | Dhahaba | Hij ging |
| 3 | شَكَرَ | Shakara | Hij bedankte, hij was dankbaar |
| 4 | ٱلَّذِي | Alladhī | Degene die, welke |
| 5 | كَانَ | Kāna | Hij was |
| 6 | مَا | Mā | Wat; datgene wat |
| 7 | مَنْ | Man | Wie |
| 8 | إِنْ | In | Indien, als |
| 9 | أَنْ | An | Dat |
| 10 | إِلَّا | Illā | Behalve |
| 11 | ذَٰلِكَ | Dhālika | Dat, die (mannelijk, op afstand) |
| 12 | آمَنَ | Āmana | Hij geloofde |
| 13 | آيَةٌ | Āyah | Teken, vers (van de Qurʾān) |
| 14 | كُلٌّ | Kullun | Elk, geheel, alle |
| 15 | عَذَابٌ | ʿAdhābun | Bestraffing, kwelling |
| 16 | هَٰذَا | Hādhā | Deze, dit (mannelijk, dichtbij) |
| 17 | شَيْءٌ | Shayʾun | Ding, iets |
| 18 | كَفَرَ | Kafara | Hij verwierp het geloof, hij was ondankbaar |
| 19 | عَمِلَ | ʿAmila | Hij deed, hij verrichtte |
| 20 | عَبَدَ | ʿAbada | Hij aanbad, hij diende |
Volledige Uitleg per Woord مَعَ أَمْثِلَةٍ مِنَ الْقُرْآنِ
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Kh-R-J — komt in deze les voor in de Dojo-oefeningen.
Muḍāriʿ: يَخْرُجُ (yakhruju), fatḥah–ḍammah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Dh-H-B — komt in deze les voor in de Dojo-oefeningen.
Muḍāriʿ: يَذْهَبُ (yadhhabu), fatḥah–fatḥah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Sh-K-R — komt in deze les voor in de Dojo-oefeningen.
Muḍāriʿ: يَشْكُرُ (yashkuru), fatḥah–ḍammah.
Ism Mawṣūl (betrekkelijk voornaamwoord), mannelijk enkelvoud. Verbindt een zin met een voorafgaand zelfstandig naamwoord.
Fiʿl Nāqiṣ («kāna wa akhawātuhā») — fungeert als koppelwerkwoord, niet als gewoon handelingswerkwoord.
Muʿtal (Ajwaf, wortel K-W-N) — aṣl: كَوَنَ / يَكْوُنُ (fatḥah–ḍammah), vandaar Baab Naṣara, ook al is het werkwoord niet Ṣaḥīḥ.
Ism Mawṣūl (betrekkelijk voornaamwoord). Let op: hetzelfde woord fungeert elders ook als Ḥarf Nafy (ontkenning, «niet») — de functie bepaalt de categorie.
Ism Mawṣūl / Ism Shart — betrekkelijk of voorwaardelijk voornaamwoord, gebruikt voor redelijke wezens.
Ḥarf Sharṭ — voorwaardelijk partikel, gevolgd door de Fiʿl Māḍī of Muḍāriʿ (majzūm).
Ḥarf Maṣdariyyah — onderschikkend partikel vóór een Fiʿl Muḍāriʿ (manṣūb), vormt samen met het werkwoord een Maṣdar-betekenis.
Ḥarf Istithnāʾ — uitzonderingspartikel.
Ism Ishārah — aanwijzend voornaamwoord voor iets op afstand. Vrouwelijke tegenhanger: تِلْكَ (al bekend).
Mazīd Fīhi, van de wortel A-M-N.
Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad — vandaar geen Baab.
Ism Ishārah — aanwijzend voornaamwoord voor iets dichtbij. Vrouwelijke tegenhanger: هَـٰذِهِ (al bekend).
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel K-F-R.
Muḍāriʿ: يَكْفُرُ (yakfuru), fatḥah–ḍammah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel ʿ-M-L.
Muḍāriʿ: يَعْمَلُ (yaʿmalu), kasrah–fatḥah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel ʿ-B-D.
Muḍāriʿ: يَعْبُدُ (yaʿbudu), fatḥah–ḍammah.