Arabisch voor Beginners · Deel 3 · Les 1
اِسْمُ الْفَاعِلِ وَاسْمُ الْمَفْعُولِ

De Doener en het Ondergaande

Uit heel veel werkwoorden die je kent, groeien twee naamwoorden: de ism al-Fa'il oftewel: hij die doet-vorm, en de ism al-Maf'ul, oftewel: hij die gedaan wordt-vorm. Sommige werkwoorden hebben op zichzelf alleen het eerste naamwoord, omdat er bij die werkwoorden niets is wat de handeling rechtstreeks ondergaat. Een voorbeeld is جَلَسَ («hij zat»). Vandaag leer je ze bouwen — en daarna vrouwelijk, in het tweevoud en in het meervoud zetten.

أَهْلًا وَسَهْلًا Welkom in Blok 3

Dierbare student, alḥamdulillāh dat Allah je hierheen heeft gebracht. Twee blokken lang heb je wortels laten groeien: letters, woordsoorten, naamvallen, de Māḍī, de Muḍāriʿ, de zes Abwāb, voornaamwoorden, de Amr en hele zinnen. Wie dat heeft volbracht, staat niet meer aan het begin van de weg — hij of zij staat op een stevig fundament, klaar om verder te bouwen.

In dit derde blok ga je merken dat de taal van de heilige Qurʾān zich steeds verder voor je opent. Woorden die je vroeger alleen als klank herkende, krijgen een vorm, een familie en een betekenis. En het mooiste: bijna alles wat nieuw is, rust op wat je al kent.

🤍 Waarom deze studie zo kostbaar is — voor jóú

In je eigen ṣalāh

Elke dag sta je in het Hof van je Heer en reciteer je Zijn Woorden. Hoe meer je begrijpt, hoe meer je hart meeleeft met wat je tong zegt.

Zonder tussenpersoon

Een vertaling is als een lamp achter een raam. Het Arabisch opent het raam zelf: je ziet het licht zoals het is neergezonden.

Een blijvende investering

Elke wortel die je leert, opent tientallen woorden. Wat je nu zaait, oogst je de rest van je leven in het hier en nu alsook in het Hiernamaals, in shāʾ Allāh.

🧭 De juiste intentie

إِنَّمَا الْأَعْمَالُ بِالنِّيَّاتِ، وَإِنَّمَا لِكُلِّ امْرِئٍ مَا نَوَى، فَمَنْ كَانَتْ هِجْرَتُهُ إِلَى اللَّهِ وَرَسُولِهِ فَهِجْرَتُهُ إِلَى اللَّهِ وَرَسُولِهِ، وَمَنْ كَانَتْ هِجْرَتُهُ لِدُنْيَا يُصِيبُهَا أَوِ امْرَأَةٍ يَنْكِحُهَا فَهِجْرَتُهُ إِلَى مَا هَاجَرَ إِلَيْهِ
«Daden worden slechts beoordeeld naar de intenties, en ieder mens krijgt slechts wat hij beoogde. Wiens hijrah dus voor Allah en Zijn Boodschapper is, diens hijrah is voor Allah en Zijn Boodschapper. En wiens hijrah is om een wereldlijk goed te verkrijgen of een vrouw te huwen, diens hijrah is voor datgene waarvoor hij is uitgeweken.»
[Overgeleverd door al-Bukhārī (nr. 1) en Muslim (nr. 1907), via de metgezel ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (radiyalLaahu 'anhu)]

Imām al-Bukhārī (rahmatulLaahi 'alaih) opende zijn Ṣaḥīḥ compilatie met deze overlevering — om ons bewust te maken van het feit dat: vóór elke kennis de intentie zuiver dient te zijn wil je dat die kennis nuttig is en ervoor beloond worden met Allah's Tevredenheid. En let eens op wat deze overlevering van je vraagt: niet alleen dat je iets dóét, maar dat je iemand wórdt — iemand die oprecht is. Dat verschil leer je vandaag in de taal zelf: van صَدَقَ, «hij sprak de waarheid», naar صَادِقٌ, «een waarachtige».

✍️ Mijn intentie voor Blok 3

Kies wat in jouw hart leeft. Je mag er meer kiezen — elke goede intentie is een extra beloning.

🗺️ Wat je in Blok 3 te wachten staat

1Ism Fāʿil en Ism Mafʿūl
2De 12 Abwāb van de Thulāthī Mazīd Fīh
3De Nawāṣib en Jawāzim van de Muḍāriʿ
4Enkele zwakke werkwoorden
5Woorden met andere uitgangen
6Soerah al-Mulk ontleden

📍 Vandaag: van werkwoord naar naamwoord

We openen deur 1. Je kent het werkwoord: كَتَبَ, «hij schreef». Vandaag haal je daar twee naamwoorden uit: de doener (كَاتِبٌ, «schrijvend / een schrijver») en wat de handeling ondergaat (مَكْتُوبٌ, «geschreven»). Daarna maak je ze vrouwelijk, zet je ze in het tweevoud en in het meervoud, bouw je zelf in de Bouwer, speel je de Vormenjager, en zie je de nieuwe vormen terug in de heilige Qurʾān — op plekken die je al jaren reciteert.

دَرْسُ الْيَوْمِ De kern van de les

Dit tabblad behandelen we samen in de online les. Het bevat de hele kern in zeven korte delen, elk met een oefening. De andere tabbladen zijn voor jou: daarin verdiep je door de week heen wat je hier hebt geleerd. Onderaan deze pagina vind je een rooster dat je daarbij houvast geeft.

1Van werkwoord naar naamwoord
2De Ism al-Fāʿil
3De Ism al-Mafʿūl
4Vrouwelijk
5Tweevoud
6Meervoud
7Herkennen in de heilige Qurʾān

1️⃣ Van werkwoord naar naamwoord

Je kent het werkwoord كَتَبَ, «hij schreef». Bij elke handeling kun je twee vragen stellen. Het Arabisch heeft voor elk antwoord een eigen naamwoord:

Wie doet het?
كَ‍‍اتِ‍‍بٌ

Ism al-Fāʿil — «schrijvend, een schrijver»

Wat ondergaat het?
مَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبٌ

Ism al-Mafʿūl — «geschreven/hetgeen geschreven is»

radicaal/wortellettertoegevoegde letteruitgang

In deze hele les geldt: groen zijn de drie radicalen van het werkwoord, geel zijn de letters die de mal eraan toevoegt, rood is de uitgang voor geslacht en getal.

2️⃣ De Ism al-Fāʿil van de Thulāthī Mujarrad: فَاعِلٌ

Er komt maar één letter bij: een alif na de eerste radicaal [d.w.z. wortelletter/originele letter]. De tweede radicaal krijgt een kasrah. Dat is altijd zo, welke Bāb het werkwoord ook heeft.

فَاعِلٌ=فَاعِلٌDe mal
كَاتِبٌ=كَاتِبٌeen mannelijke persoon die schrijft / schrijver
StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij de Māḍīكَ‍‍تَ‍‍بَ
2Alif na de eerste radicaalكَ‍‍اتَ‍‍بَ
3Kasrah onder de tweede radicaalكَ‍‍اتِ‍‍بَ
4De uitgang van een Ism (tanwīn)كَ‍‍اتِ‍‍بٌ

Het is een Ism [naamwoord en geen werkwoord]: het krijgt óf tanwīn óf الـ, en het verbuigt in de drie naamvallen [ḍammah-positie, fatḥah-positie en kasrah-positie] — كَاتِبٌ, كَاتِبًا, كَاتِبٍ.

✍️ Nu jij. Bouw de Ism al-Fāʿil vanuit de volgende werkwoorden: نَصَرَ (hij hielp) · صَبَرَ (hij was geduldig) · عَلِمَ (hij wist) · حَفِظَ (hij bewaarde)

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Bij نَصَرَ («hij hielp») zet je een alif na de eerste wortelletter ن, en je geeft de tweede wortelletter ص een kasrah. Zo krijg je نَاصِرٌ, en dat betekent «helpend» of «een helper».
  2. Bij صَبَرَ («hij was geduldig») doe je hetzelfde: je zet een alif na de ص en je geeft de ب een kasrah. Zo krijg je صَابِرٌ, en dat betekent «geduldig» of «een geduldige».
  3. Bij عَلِمَ («hij wist») zet je een alif na de ع. De tweede wortelletter ل had in het werkwoord al een kasrah, en die kasrah blijft staan. Zo krijg je عَالِمٌ, en dat betekent «wetend» of «een geleerde».
  4. Bij حَفِظَ («hij bewaarde») zet je een alif na de ح. Ook hier had de tweede wortelletter ف al een kasrah. Zo krijg je حَافِظٌ, en dat betekent «bewarend» of «een bewaarder».

Inzicht: Deze vier werkwoorden komen uit drie verschillende Abwāb: نَصَرَ is van Bāb Naṣara, صَبَرَ is van Bāb Ḍaraba, en عَلِمَ en حَفِظَ zijn van Bāb Samiʿa. Toch krijgen ze alle vier dezelfde vorm فَاعِلٌ. Voor de Ism al-Fāʿil hoef je dus niet te weten van welke Bāb het werkwoord is.

3️⃣ De Ism al-Mafʿūl van de Thulāthī Mujarrad: مَفْعُولٌ

Hier komen er twee letters bij: een mīm vooraan en een wāw na de tweede radicaal. Je kent het passieve werkwoord al, namelijk: كُتِبَ («hij/het werd geschreven»). De Ism al-Mafʿūl is qua betekenis ook passief en ziet er als volgt uit: مَكْتُوبٌ wat betekent: het geschrevene, datgene wat geschreven is.

مَفْعُولٌ=مَفْعُولٌDe mal
مَكْتُوبٌ=مَكْتُوبٌgeschreven / hetgeen geschreven is
StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij de Māḍīكَ‍‍تَ‍‍بَ
2Mīm met fatḥah vooraanمَ‍‍كَ‍‍تَ‍‍بَ
3Sukūn op de eerste radicaalمَ‍‍كْ‍‍تَ‍‍بَ
4Ḍammah op de tweede radicaalمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍بَ
5Wāw na de tweede radicaalمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبَ
6De uitgang van een Ism (tanwīn)مَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبٌ
🚫 Niet elk werkwoord heeft een Ism al-Mafʿūl

Alleen een Mutaʿaddī-werkwoord [transitief/overgankelijk] heeft iets dat de handeling ondergaat [en dat is een lijdend voorwerp]. جَلَسَ («hij zat») is Lāzim [intransitief/geen lijdend voorwerp hebbend]: hij heeft dus wel de Ism al-Fāʿil vorm جَالِسٌ («zittend»), maar geen Ism al-Mafʿūl vorm omdat de betekenis van zitten [zonder extra toevoeging van hulpwoordjes / voorzetsels] geen lijdend voorwerp kan impliceren en er dus ook niets is dat «gezeten wordt». Met een voorzetsel erbij kan het wel, bijvoorbeeld مَجْلُوسٌ عَلَيْهِ («iets waarop gezeten wordt»). De uitleg daarvan staat in tabblad 4.

✍️ Nu jij. Bouw de Ism al-Mafʿūl van: نَصَرَ (hij hielp) · حَفِظَ (hij bewaarde) · فَتَحَ (hij opende) · صَبَرَ (hij was geduldig)

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. نَصَرَ → مَنْصُورٌ, «geholpen / hij die geholpen is».
  2. حَفِظَ → مَحْفُوظٌ, «bewaard / hij die beschermd wordt».
  3. فَتَحَ → مَفْتُوحٌ, «geopend / hij die geopend is».
  4. صَبَرَ → die is er niet: صَبَرَ is Lāzim [intransitief oftewel geen lijdend voorwerp hebbend en daarom kan hij op zichzelf niet passief worden en ook geen Ism al-Mafʿūl krijgen]. Met een voorzetsel erbij kan het bij een Lāzim-werkwoord wel. Een bekend voorbeeld is مَرْغُوبٌ فِيهِ («iets waarnaar verlangd wordt», oftewel «gewild»), van het werkwoord رَغِبَ فِي («hij verlangde naar»).

Inzicht: Vraag je bij elk werkwoord af: kan iets deze handeling ondergaan? oftewel kan dit werkwoord een lijdend voorwerp hebben? Indien ja, dan is het werkwoord transitief en kan het passief worden en Ism al-Mafʿūl krijgen. Indien niet, dan is het werkwoord intransitief. Het kan dan alleen passief worden en een Ism al-Mafʿūl krijgen als er een voorzetsel met zijn naamwoord bij staat [zie tabblad 4].

4️⃣ Vrouwelijk: de Tāʾ Marbūṭah

Om zowel de Ism al-Fāʿil alsook de Ism al-Mafʿūl vrouwelijk te maken hoeft men in beide gevallen slechts één toevoeging te doen: de laatste radicaal / wortelletter krijgt een fatḥah, en daarachter komt de Tāʾ Marbūṭah.

كَاتِبَةٌ=كَاتِبَةٌeen vrouwelijke persoon die schrijft / schrijfster
مَكْتُوبَةٌ=مَكْتُوبَةٌiets wat geschreven is (♀)

Het is belangrijk om te weten hoe je een mannelijk Ism al-Fāʿil of Ism al-Mafʿūl vrouwelijk maakt, want dat heb je nodig als de Ism al-Fāʿil of de Ism al-Mafʿūl een Khabar [gezegde] of een Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] is die bij een vrouwelijk woord hoort. De Khabar en Ṣifah dienen namelijk onder meer qua geslacht overeen te komen met het woord waarbij ze horen. Dus is de Mubtadaʾ vrouwelijk dan dient de Khabar ook vrouwelijk te zijn, is de Mawṣūf vrouwelijk dan dient de Ṣifah ook vrouwelijk te zijn.:

ZinVertalingWaarom?
الطَّالِبُ صَابِرٌDe student is geduldig.الطَّالِبُ is ♂
الطَّالِبَةُ صَابِرَةٌDe studente is geduldig.الطَّالِبَةُ is ♀
السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌDe Soerah is gememoriseerd.السُّورَةُ is ♀

Hieronder vind je bij elk van deze drie voorbeelden een uitklapbare uitleg. In die uitleg ontleden we de zin samen, woord voor woord: eerst de vorm van het woord, dan de functie van het woord in de zin, dan de naamval, en als laatste de overeenkomst in geslacht. Zo zie je hoe de regels die je al kent met elkaar samenhangen.

🔎 Voorbeeld 1. الطَّالِبُ صَابِرٌ «De student is geduldig.»

Bekijk de uitleg stap voor stap
Mubtadaʾ [het onderwerp]
ال‍‍طَّ‍‍الِ‍‍بُ
Vorm: فَاعِل, dus een Ism al-Fāʿil
Naamval: Rafʿ, met een ḍammah
Bepaaldheid: maʿrifah [bepaald], door الـ
Geslacht: mannelijk
«is»wordt verstaan,
niet geschreven
Khabar [het gezegde]
صَ‍‍ابِ‍‍رٌ
Vorm: فَاعِل, dus een Ism al-Fāʿil
Naamval: Rafʿ, met een ḍammah
Bepaaldheid: nakirah [onbepaald], door de tanwīn
Geslacht: mannelijk
«De student is geduldig.»
De Mubtadaʾ is mannelijk, en daarom is de Khabar ook mannelijk.

Lees elke vraag, denk eerst zelf na over het antwoord, en lees daarna pas de uitleg.

  1. Kijk eerst naar het eerste woord: الطَّالِبُ. Welke vorm herken je in dit woord? Haal in gedachten de الـ van het woord af. Dan blijft طَالِب over. De drie wortelletters zijn ط ل ب. Na de eerste wortelletter ط staat een alif, en de tweede wortelletter ل heeft een kasrah. Dat is de vorm فَاعِل. Het woord الطَّالِبُ is dus een Ism al-Fāʿil. Het komt van het werkwoord طَلَبَ («hij zocht»), en het betekent letterlijk «de zoeker», oftewel degene die kennis zoekt: de student.
  2. Welke functie heeft الطَّالِبُ in deze zin? Het is het woord waarover iets gezegd wordt. Dat woord noemen we de Mubtadaʾ [het onderwerp in een nominale zin]. De Mubtadaʾ staat altijd in de Rafʿ [de ḍammah-positie]. Daarom heeft de laatste letter ب een ḍammah: الطَّالِبُ.
  3. Kijk nu naar het tweede woord: صَابِرٌ. Welke vorm herken je in dit woord? De drie wortelletters zijn ص ب ر. Na de eerste wortelletter ص staat een alif, en de tweede wortelletter ب heeft een kasrah. Ook dit is de vorm فَاعِل. Ook het woord صَابِرٌ is dus een Ism al-Fāʿil. Het komt van het werkwoord صَبَرَ («hij was geduldig»), en het betekent «geduldig» of «een geduldige».
  4. Welke functie heeft صَابِرٌ in deze zin? Het is datgene wat over de student gezegd wordt. Dat noemen we de Khabar [het gezegde]. Ook de Khabar staat altijd in de Rafʿ [de ḍammah-positie]. Daarom heeft de laatste letter ر een ḍammah met tanwīn: صَابِرٌ.
  5. Hoe weet je dat dit een hele zin is, en niet slechts een deel van een zin? Het eerste woord is maʿrifah [bepaald], want het heeft الـ. Het tweede woord is nakirah [onbepaald], want het heeft tanwīn en geen الـ. Wanneer een bepaald woord gevolgd wordt door een onbepaald woord dat iets over het eerste woord zegt, dan versta je tussen deze twee woorden het woordje «is». In het Arabisch wordt dat woordje niet geschreven. Zo ontstaat een hele zin, namelijk een Jumlah Ismiyyah [nominale zin]: «De student is geduldig.» Zouden beide woorden bepaald zijn, zoals in الطَّالِبُ الصَّابِرُ, dan is het geen hele zin. Dan is het een Mawṣūf met zijn Ṣifah, en dat betekent: «de geduldige student».
  6. Waarom is de Khabar صَابِرٌ mannelijk? De Khabar dient in geslacht overeen te komen met de Mubtadaʾ. De Mubtadaʾ الطَّالِبُ is mannelijk, en daarom is de Khabar صَابِرٌ ook mannelijk. Er komt dus geen Tāʾ Marbūṭah achter het woord.

Inzicht: In deze korte zin van twee woorden komen vier regels samen: de vorm فَاعِل van de Ism al-Fāʿil, de Rafʿ van de Mubtadaʾ en van de Khabar, het verschil tussen bepaald en onbepaald, en de overeenkomst in geslacht tussen de Mubtadaʾ en de Khabar.

🔎 Voorbeeld 2. الطَّالِبَةُ صَابِرَةٌ «De studente is geduldig.»

Bekijk de uitleg stap voor stap
Mubtadaʾ [het onderwerp]
ال‍‍طَّ‍‍الِ‍‍بَ‍‍ةُ
Vorm: فَاعِلَة, dus een vrouwelijke Ism al-Fāʿil
Naamval: Rafʿ, met een ḍammah
Bepaaldheid: maʿrifah [bepaald], door الـ
Geslacht: vrouwelijk, door de Tāʾ Marbūṭah
«is»wordt verstaan,
niet geschreven
Khabar [het gezegde]
صَ‍‍ابِ‍‍رَةٌ
Vorm: فَاعِلَة, dus een vrouwelijke Ism al-Fāʿil
Naamval: Rafʿ, met een ḍammah
Bepaaldheid: nakirah [onbepaald], door de tanwīn
Geslacht: vrouwelijk, door de Tāʾ Marbūṭah
«De studente is geduldig.»
De Mubtadaʾ is vrouwelijk, en daarom dient de Khabar ook vrouwelijk te zijn.

Lees elke vraag, denk eerst zelf na over het antwoord, en lees daarna pas de uitleg.

  1. Kijk eerst naar het eerste woord: الطَّالِبَةُ. Welke vorm herken je in dit woord? Haal in gedachten de الـ aan het begin en de Tāʾ Marbūṭah aan het einde van het woord af. Dan blijft طَالِب over, en dat is de vorm فَاعِل. Het woord is dus een Ism al-Fāʿil van het werkwoord طَلَبَ («hij zocht»). De Tāʾ Marbūṭah aan het einde maakt het woord vrouwelijk: «de studente». De letter ب die vóór de Tāʾ Marbūṭah staat, heeft een fatḥah, zoals je in deze les hebt geleerd.
  2. Welke functie heeft الطَّالِبَةُ in deze zin? Het is de Mubtadaʾ [het onderwerp in een nominale zin], want over haar wordt iets gezegd. De Mubtadaʾ staat altijd in de Rafʿ [de ḍammah-positie]. De ḍammah staat nu op de Tāʾ Marbūṭah, omdat dat de laatste letter van het woord is: الطَّالِبَةُ.
  3. Kijk nu naar het tweede woord: صَابِرَةٌ. Welke vorm herken je in dit woord? Haal in gedachten de Tāʾ Marbūṭah af. Dan blijft صَابِر over, en dat is de vorm فَاعِل. Het woord is dus een Ism al-Fāʿil van het werkwoord صَبَرَ («hij was geduldig»), en door de Tāʾ Marbūṭah is het vrouwelijk gemaakt.
  4. Welke functie heeft صَابِرَةٌ in deze zin? Het is de Khabar [het gezegde], want het zegt iets over de studente. Ook de Khabar staat altijd in de Rafʿ [de ḍammah-positie]. Daarom heeft de Tāʾ Marbūṭah een ḍammah met tanwīn: صَابِرَةٌ.
  5. Hoe weet je dat dit een hele zin is, en niet slechts een deel van een zin? Het eerste woord is maʿrifah [bepaald], want het heeft الـ. Het tweede woord is nakirah [onbepaald], want het heeft tanwīn en geen الـ. Wanneer een bepaald woord gevolgd wordt door een onbepaald woord dat iets over het eerste woord zegt, dan versta je tussen deze twee woorden het woordje «is». In het Arabisch wordt dat woordje niet geschreven. Zo ontstaat een hele zin, namelijk een Jumlah Ismiyyah [nominale zin]: «De studente is geduldig.»
  6. Waarom moet hier صَابِرَةٌ staan, en niet صَابِرٌ? De Khabar dient in geslacht overeen te komen met de Mubtadaʾ. De Mubtadaʾ الطَّالِبَةُ is vrouwelijk, en daarom dient de Khabar ook vrouwelijk te zijn. De zin الطَّالِبَةُ صَابِرٌ zou dus fout zijn. Hier zie je waarom het belangrijk is om te weten hoe je een mannelijke Ism al-Fāʿil vrouwelijk maakt.

Inzicht: Vergelijk dit voorbeeld met het eerste voorbeeld. Het enige verschil is de Tāʾ Marbūṭah. Zodra de Mubtadaʾ vrouwelijk wordt, dient de Khabar ook vrouwelijk te worden.

🔎 Voorbeeld 3. السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌ «De Soerah is gememoriseerd.»

Bekijk de uitleg stap voor stap
Mubtadaʾ [het onderwerp]
ال‍‍سُّ‍‍ورَةُ
Vorm: een gewoon Ism [naamwoord]
Naamval: Rafʿ, met een ḍammah
Bepaaldheid: maʿrifah [bepaald], door الـ
Geslacht: vrouwelijk, door de Tāʾ Marbūṭah
«is»wordt verstaan,
niet geschreven
Khabar [het gezegde]
مَ‍‍حْ‍‍فُ‍‍وظَ‍‍ةٌ
Vorm: مَفْعُولَة, dus een vrouwelijke Ism al-Mafʿūl
Naamval: Rafʿ, met een ḍammah
Bepaaldheid: nakirah [onbepaald], door de tanwīn
Geslacht: vrouwelijk, door de Tāʾ Marbūṭah
«De Soerah is gememoriseerd.»
De Mubtadaʾ is vrouwelijk, en daarom dient de Khabar ook vrouwelijk te zijn.

Lees elke vraag, denk eerst zelf na over het antwoord, en lees daarna pas de uitleg.

  1. Kijk eerst naar het eerste woord: السُّورَةُ. Is dit een Ism al-Fāʿil of een Ism al-Mafʿūl? Het is geen van beide. Het woord السُّورَةُ («de Soerah») heeft niet de vorm فَاعِل, en ook niet de vorm مَفْعُول. Het is een gewoon Ism [naamwoord]. Het eindigt op een Tāʾ Marbūṭah, en daaraan zie je dat het een vrouwelijk woord is.
  2. Welke functie heeft السُّورَةُ in deze zin? Het is de Mubtadaʾ [het onderwerp in een nominale zin], want over de Soerah wordt iets gezegd. De Mubtadaʾ staat altijd in de Rafʿ [de ḍammah-positie]. Daarom heeft de Tāʾ Marbūṭah een ḍammah: السُّورَةُ.
  3. Kijk nu naar het tweede woord: مَحْفُوظَةٌ. Welke vorm herken je in dit woord? Haal in gedachten de Tāʾ Marbūṭah af. Dan blijft مَحْفُوظ over. De drie wortelletters zijn ح ف ظ. Vóór de wortelletters staat een mīm, en na de tweede wortelletter ف staat een wāw. Dat is de vorm مَفْعُول. Het woord is dus een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord حَفِظَ («hij bewaarde», «hij leerde uit het hoofd»), en het betekent: «bewaard», «uit het hoofd geleerd». De Soerah doet de handeling niet zelf, maar zij ondergaat de handeling. Daarom staat hier een Ism al-Mafʿūl, en geen Ism al-Fāʿil.
  4. Welke functie heeft مَحْفُوظَةٌ in deze zin? Het is de Khabar [het gezegde], want het zegt iets over de Soerah. Ook de Khabar staat altijd in de Rafʿ [de ḍammah-positie]. Daarom heeft de Tāʾ Marbūṭah een ḍammah met tanwīn: مَحْفُوظَةٌ.
  5. Hoe weet je dat dit een hele zin is, en niet slechts een deel van een zin? Het eerste woord is maʿrifah [bepaald], want het heeft الـ. Het tweede woord is nakirah [onbepaald], want het heeft tanwīn en geen الـ. Wanneer een bepaald woord gevolgd wordt door een onbepaald woord dat iets over het eerste woord zegt, dan versta je tussen deze twee woorden het woordje «is». In het Arabisch wordt dat woordje niet geschreven. Zo ontstaat een hele zin, namelijk een Jumlah Ismiyyah [nominale zin]: «De Soerah is gememoriseerd.»
  6. Waarom moet hier مَحْفُوظَةٌ staan, en niet مَحْفُوظٌ? De Khabar dient in geslacht overeen te komen met de Mubtadaʾ. De Mubtadaʾ السُّورَةُ is vrouwelijk, en daarom dient de Khabar ook vrouwelijk te zijn. Hier zie je waarom het belangrijk is om te weten hoe je een mannelijke Ism al-Mafʿūl vrouwelijk maakt.

Inzicht: De regel van de overeenkomst in geslacht geldt voor de Ism al-Mafʿūl op dezelfde manier als voor de Ism al-Fāʿil. Het maakt daarbij niet uit of de Mubtadaʾ een persoon is, zoals الطَّالِبَةُ, of een ding, zoals السُّورَةُ.

✍️ Nu jij. Maak vrouwelijk: شَاكِرٌ (dankbaar) · مَفْتُوحٌ (geopend). En vul in: الْمُعَلِّمَةُ (حَاضِر) «De lerares is aanwezig.»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Bij شَاكِرٌ («dankbaar») geef je de laatste wortelletter ر een fatḥah, en daarachter zet je de Tāʾ Marbūṭah. Zo krijg je شَاكِرَةٌ.
  2. Bij مَفْتُوحٌ («geopend») doe je hetzelfde met de laatste wortelletter ح. Zo krijg je مَفْتُوحَةٌ.
  3. Het woord الْمُعَلِّمَةُ («de lerares») is vrouwelijk. De Khabar moet in geslacht overeenkomen met de Mubtadaʾ. Daarom maak je حَاضِرٌ ook vrouwelijk: حَاضِرَةٌ. De hele zin wordt: الْمُعَلِّمَةُ حَاضِرَةٌ.

Inzicht: De letter die vóór de Tāʾ Marbūṭah staat, heeft altijd een fatḥah. Dat geldt voor elk woord dat op een Tāʾ Marbūṭah eindigt.

5️⃣ Het tweevoud van de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl: ـَانِ en ـَيْنِ

In het enkelvoud zie je de naamval aan het klinkerteken op de laatste letter. In het tweevoud zie je de naamval aan een letter in de uitgang. In de Rafʿ [ḍammah-positie] is die letter een alif, en de uitgang is ـَانِ. In de Naṣb [fatḥah-positie] en in de Jarr [kasrah-positie] is die letter een yāʾ, en de uitgang is ـَيْنِ. Bij een vrouwelijk woord verandert eerst de Tāʾ Marbūṭah (ة) in een gewone tāʾ (ت) met een fatḥah. Daarna komt dezelfde uitgang erachter: ـَتَانِ of ـَتَيْنِ.

 RafʿNaṣb en Jarr
♂كَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍انِكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍يْنِ
♀كَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَانِكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَيْنِ

Onthoud twee dingen die in het tweevoud altijd hetzelfde zijn. Ten eerste heeft de letter die vóór de uitgang staat altijd een fatḥah. Ten tweede heeft de nūn waarmee de uitgang eindigt altijd een kasrah.

✍️ Nu jij. Zeg de volgende twee zinnen in het Arabisch, namelijk: «De twee studenten zijn aanwezig.» en «Ik bedankte de twee studentes.» Gebruik daarvoor de volgende woorden: طَالِبٌ («student»), حَاضِرٌ («aanwezig») en شَكَرْتُ («ik bedankte»).

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De eerste zin is een Jumlah Ismiyyah [nominale zin]. Het woord «de twee studenten» is de Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin], en het woord «aanwezig» is de Khabar [gezegde]. De Mubtadaʾ en de Khabar staan allebei in de Rafʿ [ḍammah-positie]. Het gaat om twee mannelijke personen, en daarom krijgen de woorden طَالِب en حَاضِر allebei de uitgang ـَانِ. De Mubtadaʾ is bepaald en krijgt daarom الـ. De zin ziet er dan als volgt uit: الطَّالِبَانِ حَاضِرَانِ.
  2. In de tweede zin komt na het werkwoord شَكَرْتُ («ik bedankte») het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp]. Het Mafʿūl bihī staat altijd in de Naṣb [fatḥah-positie].
  3. Het gaat in deze zin om twee vrouwelijke personen. Het vrouwelijk tweevoud heeft in de Naṣb de uitgang ـَتَيْنِ. De zin ziet er dan als volgt uit: شَكَرْتُ الطَّالِبَتَيْنِ.

Inzicht: Ook het woord طَالِبٌ («student») is een Ism al-Fāʿil. Het komt van het werkwoord طَلَبَ («hij zocht»). Een student is dus letterlijk iemand die kennis zoekt.

6️⃣ Het meervoud van de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl: ـُونَ / ـِينَ en ـَاتٌ / ـَاتٍ

 RafʿNaṣb en Jarr
♂ meervoudصَ‍‍ابِ‍‍رُونَصَ‍‍ابِ‍‍رِينَ
♀ meervoudصَ‍‍ابِ‍‍رَاتٌصَ‍‍ابِ‍‍رَاتٍ
⚠️ Let op: de Naṣb van het vrouwelijk meervoud

In Blok 1 heb je geleerd dat een woord in de Naṣb een fatḥah krijgt. Het vrouwelijk meervoud is hierop een uitzondering: het krijgt nooit een fatḥah aan het einde. In de Naṣb krijgt het vrouwelijk meervoud een kasrah, net als in de Jarr. Daarom zeg je: شَكَرْتُ الطَّالِبَاتِ, «ik bedankte de studentes».

Tweevoud of meervoud? Kijk naar de klinkers: صَابِرَيْنِ (fatḥah ervoor, kasrah onder de nūn) is twee; صَابِرِينَ (kasrah ervoor, fatḥah op de nūn) is meer dan twee oftewel het meervoud.

✍️ Nu jij. Zet de volgende twee woorden in het meervoud en in de Rafʿ [ḍammah-positie], namelijk: het mannelijke woord شَاكِرٌ («dankbaar») en het vrouwelijke woord شَاكِرَةٌ. Vertaal daarna de volgende zin naar het Arabisch: «Vrede zij met de waarachtige mannen en vrouwen.» Gebruik daarvoor السَّلَامُ عَلَى («vrede zij met») en صَادِقٌ («waarachtig»).

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Bij het mannelijke woord شَاكِرٌ haal je de tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] weg. Je geeft de laatste wortelletter ر een ḍammah en je zet ـونَ erachter. Zo krijg je شَاكِرُونَ.
  2. Bij het vrouwelijke woord شَاكِرَةٌ haal je de Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة] weg, en op haar plaats zet je de uitgang ـَاتٌ. Zo krijg je شَاكِرَاتٌ.
  3. In de zin die je moet vertalen, komt na عَلَى de Jarr [kasrah-positie]. Het mannelijk meervoud krijgt in de Jarr de uitgang ـِينَ: الصَّادِقِينَ. Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Jarr een kasrah: الصَّادِقَاتِ.
  4. De hele zin ziet er dan als volgt uit: السَّلَامُ عَلَى الصَّادِقِينَ وَالصَّادِقَاتِ.

Inzicht: Het mannelijk meervoud gebruik je voor een groep mannen, en ook voor een groep waarin mannen en vrouwen samen zijn. Het vrouwelijk meervoud gebruik je voor een groep die alleen uit vrouwen bestaat.

📋 Alles bij elkaar: één woord, achttien vormen

Hieronder zie je de Ism al-Fāʿil van het werkwoord كَتَبَ («hij schreef») in alle achttien vormen die je vandaag hebt geleerd. De Ism al-Mafʿūl krijgt dezelfde uitgangen.

 RafʿNaṣbJarr
♂ enkelvoudكَ‍‍اتِ‍‍بٌكَ‍‍اتِ‍‍بً‍‍اكَ‍‍اتِ‍‍بٍ
♀ enkelvoudكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةٌكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةًكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةٍ
♂ tweevoudكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍انِكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍يْنِكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍يْنِ
♀ tweevoudكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَانِكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَيْنِكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَيْنِ
♂ meervoudكَ‍‍اتِ‍‍بُ‍‍ونَكَ‍‍اتِ‍‍بِ‍‍ينَكَ‍‍اتِ‍‍بِ‍‍ينَ
♀ meervoudكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍اتٌكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍اتٍكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍اتٍ

Enkele van deze vormen met hun volledige betekenis: كَاتِبٌ betekent «een mannelijke persoon die schrijft / een schrijver». كَاتِبَةٌ betekent «een vrouwelijke persoon die schrijft / een schrijfster». كَاتِبَانِ betekent «twee mannelijke personen die schrijven / twee schrijvers». كَاتِبَتَانِ betekent «twee vrouwelijke personen die schrijven / twee schrijfsters». كَاتِبُونَ betekent «mannelijke personen die schrijven / schrijvers». En كَاتِبَاتٌ betekent «vrouwelijke personen die schrijven / schrijfsters».

7️⃣ Herkennen in de heilige Qurʾān

Hieronder staan drie Verzen die je al kent of vaak hebt gehoord. In elk Vers staat een woord dat je vandaag hebt leren bouwen. Dat woord is goud gekleurd.

إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّا إِلَيْهِ رَاجِعُونَ
«Voorwaar, wij behoren Allah toe, en voorwaar, tot Hem keren wij terug.»
[Soerah al-Baqarah, 2:156 (slot)]
Het woord رَاجِعُونَ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord رَجَعَ («hij keerde terug»). Het staat in het mannelijk meervoud en in de Rafʿ. Dat zie je aan de uitgang ـُونَ. Het betekent: «terugkerenden», oftewel «degenen die terugkeren».
إِنَّ اللَّهَ مَعَ الصَّابِرِينَ
«Voorwaar, Allah is met de geduldigen.»
[Soerah al-Baqarah, 2:153 (slot)]
Het woord الصَّابِرِينَ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord صَبَرَ («hij was geduldig»). Het staat in het mannelijk meervoud. Het woord مَعَ («met») staat ervoor, en daarom staat الصَّابِرِينَ in de Jarr. Dat zie je aan de uitgang ـِينَ. Het betekent: «de geduldigen», oftewel «degenen die geduldig zijn».
بَلْ هُوَ قُرْآنٌ مَجِيدٌ ۝ فِي لَوْحٍ مَحْفُوظٍ
«Nee, het is een glorierijke Qurʾān, in een Bewaarde Tablet.»
[Soerah al-Burūj, 85:21–22]
Het woord مَحْفُوظٍ is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord حَفِظَ («hij bewaarde»). Het staat in het mannelijk enkelvoud. Het is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] van لَوْحٍ («een tablet»). Het woord لَوْحٍ staat in de Jarr omdat فِي («in») ervoor staat, en daarom staat مَحْفُوظٍ ook in de Jarr. Het betekent: «bewaard», oftewel «hetgeen bewaard is».

✍️ Slotvraag: twee woorden uit Soerah al-Aḥzāb

Lees eerst het hele Vers hieronder, samen met de vertaling. Drie woorden zijn goud gekleurd: het eerste woord van het Vers, en de twee woorden waar de vraag over gaat.

إِنَّ الْمُسْلِمِينَ وَالْمُسْلِمَاتِ وَالْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ وَالْقَانِتِينَ وَالْقَانِتَاتِ وَالصَّادِقِينَ وَالصَّادِقَاتِ وَالصَّابِرِينَ وَالصَّابِرَاتِ وَالْخَاشِعِينَ وَالْخَاشِعَاتِ وَالْمُتَصَدِّقِينَ وَالْمُتَصَدِّقَاتِ وَالصَّائِمِينَ وَالصَّائِمَاتِ وَالْحَافِظِينَ فُرُوجَهُمْ وَالْحَافِظَاتِ وَالذَّاكِرِينَ اللَّهَ كَثِيرًا وَالذَّاكِرَاتِ أَعَدَّ اللَّهُ لَهُمْ مَغْفِرَةً وَأَجْرًا عَظِيمًا
«Voorwaar, de moslimmannen en de moslimvrouwen, de gelovige mannen en de gelovige vrouwen, de toegewijd gehoorzame mannen en de toegewijd gehoorzame vrouwen, de waarachtige mannen en de waarachtige vrouwen, de geduldige mannen en de geduldige vrouwen, de ootmoedige mannen en de ootmoedige vrouwen, de mannen die aalmoezen geven en de vrouwen die aalmoezen geven, de vastende mannen en de vastende vrouwen, de mannen die hun kuisheid bewaken en de vrouwen die hun kuisheid bewaken, de mannen die Allah veelvuldig gedenken en de vrouwen die Allah veelvuldig gedenken: voor hen heeft Allah vergeving en een geweldige beloning bereid.»
[Soerah al-Aḥzāb, 33:35]

✍️ De vraag. Kijk naar de twee goudgekleurde woorden in het midden van het Vers: وَالصَّابِرِينَ وَالصَّابِرَاتِ. Welke vormen zijn dit? En waarom heeft het tweede woord, وَالصَّابِرَاتِ, een kasrah aan het einde? Kijk voor het antwoord op de tweede vraag ook naar het eerste woord van het Vers.

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Beide woorden zijn een Ism al-Fāʿil van het werkwoord صَبَرَ («hij was geduldig»). Dat zie je aan de alif die na de eerste wortelletter ص staat, en aan de kasrah onder de tweede wortelletter ب. Beide woorden staan in het meervoud, en beide hebben الـ ervoor en zijn dus bepaald. De وَ aan het begin van elk woord betekent «en».
  2. Het eerste woord, الصَّابِرِينَ, is het mannelijk meervoud. De uitgang ـِينَ laat zien dat dit woord in de Naṣb [fatḥah-positie] of in de Jarr [kasrah-positie] staat, want in de Rafʿ [ḍammah-positie] zou het الصَّابِرُونَ zijn. Aan het woord zelf kun je nog niet zien welke van deze twee naamvallen het is.
  3. Om dat te weten moet je naar het begin van het Vers kijken. Het Vers begint met إِنَّ («voorwaar»). Het woord إِنَّ zet het naamwoord dat erna komt in de Naṣb. Daarom staat الْمُسْلِمِينَ in de Naṣb. Alle woorden die daarna met وَ («en») aan الْمُسْلِمِينَ verbonden zijn, krijgen dezelfde naamval als الْمُسْلِمِينَ. Er staat in dit Vers ook geen Ḥarf al-Jarr [voorzetsel] vóór deze woorden. Dus staan الصَّابِرِينَ en الصَّابِرَاتِ allebei in de Naṣb, en niet in de Jarr.
  4. Het tweede woord, الصَّابِرَاتِ, is het vrouwelijk meervoud. Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb geen fatḥah, maar een kasrah. De kasrah aan het einde van الصَّابِرَاتِ is hier dus het teken van de Naṣb.

Inzicht: Aan de vorm van een woord zie je wat voor woord het is. Maar om te weten in welke naamval het woord staat, moet je vaak naar de rest van de zin kijken. Lees daarom altijd eerst de hele zin, voordat je een woord gaat ontleden.

🌾 De les in vijf zinnen

1. De Ism al-Fāʿil van de Thulāthī Mujarrad [het werkwoord van drie wortelletters zonder toevoeging aan de stam] heeft de vorm فَاعِلٌ. Dit is het naamwoord voor degene die de handeling doet. Een voorbeeld is كَاتِبٌ, wat betekent: «een schrijver», of «degene die schrijft». Je bouwt hem door een alif na de eerste wortelletter te zetten en de tweede wortelletter een kasrah te geven.

2. De Ism al-Mafʿūl van de Thulāthī Mujarrad heeft de vorm مَفْعُولٌ. Dit is het naamwoord voor wat of wie de handeling ondergaat. Een voorbeeld is مَكْتُوبٌ, wat betekent: «geschreven», of «hetgeen geschreven is». Je bouwt hem door een mīm vóór het woord te zetten en een wāw na de tweede wortelletter.

3. Je maakt beide vormen vrouwelijk door de laatste wortelletter een fatḥah te geven en de Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة] erachter te zetten.

4. Het tweevoud eindigt in de Rafʿ [ḍammah-positie] op ـَانِ, en in de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie] op ـَيْنِ. Het mannelijk meervoud eindigt in de Rafʿ op ـُونَ, en in de Naṣb en de Jarr op ـِينَ.

5. Het vrouwelijk meervoud eindigt in de Rafʿ op ـَاتٌ, en in de Naṣb en de Jarr op ـَاتٍ. Het krijgt in de Naṣb dus een kasrah en geen fatḥah.

🗓️ Jouw rooster tot de volgende les

Je hebt de online les nu gevolgd. De andere tabbladen kun je daarna zelfstandig doornemen. Hieronder staat een voorstel voor de week: elke dag één of twee tabbladen, en dat kost je ongeveer 20 tot 35 minuten per dag. De moeilijkste tabbladen staan in het weekend, omdat je dan meestal meer tijd hebt. Tik op de naam van een tabblad om erheen te gaan, en vink de dag af wanneer je klaar bent. Je vinkjes worden op dit apparaat bewaard.

Donderdag ± 25 min · licht

Je herhaalt de twee vormen فَاعِلٌ en مَفْعُولٌ uit de les van gisteravond, nu met meer werkwoorden. Bouw daarna drie woorden in de Bouwer (tabblad 9).

Vrijdag ± 20 min · licht

Dit is een korte dag, zodat je op vrijdag ook tijd hebt voor andere dingen. Leer daarna woord 1 tot en met 10 van de 20 Woorden (tabblad 16).

Zaterdag ± 35 min · stevig

Dit is de moeilijkste dag van de week. Je leert de uitgangen van het tweevoud en van het meervoud, en je leert dat het vrouwelijk meervoud in de Naṣb een kasrah krijgt. Neem er rustig de tijd voor. Bouw daarna in de Bouwer twee woorden in het tweevoud en twee woorden in het meervoud.

Zondag ± 30 min · stevig

Je past alles wat je geleerd hebt toe op een Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] met zijn Ṣifah, en je maakt de zeven oefeningen van dat tabblad. Speel daarna het spel «de Vormenjager», totdat je vijf vragen achter elkaar goed hebt en de bronzen medaille krijgt.

Maandag ± 25 min · gemiddeld

Je ziet de vormen van deze les terug in zeventien Verzen uit de heilige Qurʾān. Leer daarna woord 11 tot en met 20 van de 20 Woorden (tabblad 16).

Dinsdag ± 35 min · stevig

Lees de vier gesprekken hardop en maak daarna de vijftien oefeningen. Aan deze oefeningen kun je zien of je de stof van deze les goed begrijpt. Als een oefening niet lukt, lees dan het tabblad over dat onderwerp nog een keer.

Woensdag, vóór de les ± 20 min · licht

In vier korte rondes verbind je de nieuwe vormen met wat je in Blok 1 en Blok 2 hebt geleerd. Daarna ben je, in shāʾ Allāh, goed voorbereid op de nieuwe les van vanavond.

⏱️ Elke dag, vijf minuten

Oefen daarnaast elke dag vijf minuten met de in de flashcard-app. Het is beter om elke dag kort te oefenen dan één keer per week lang. Als het op een dag niet lukt, schuif dan de tabbladen van die dag door naar de volgende dag, of haal ze in het weekend in. Het rooster is bedoeld om je te helpen. Het is geen verplichting.

اِسْمُ الْفَاعِلِ De doener

De Ism al-Fāʿil is het naamwoord voor degene die de handeling verricht. Bij de Thulāthī Mujarrad [het werkwoord van drie wortelletters zonder toevoeging aan de stam] heeft hij altijd één Vorm (Wazn): فَاعِلٌ.

Het werkwoord
كَتَبَ

«hij schreef»

De vraag

Wie doet het?

De Ism al-Fāʿil
كَ‍‍اتِ‍‍بٌ

«schrijvend / een schrijver»

🎨 In één oogopslag: drie radicalen + één alif

radicaaltoegevoegde letter
فَاعِلٌ=فَاعِلٌDe mal
كَاتِبٌ=كَاتِبٌeen mannelijke persoon die schrijft / schrijver
نَاصِرٌ=نَاصِرٌeen mannelijke persoon die helpt / helper

Lees de tegels van rechts naar links. Groen zijn de drie radicalen van het werkwoord; geel is de ene letter die erbij komt: de alif na de eerste radicaal.

🧩 Eén mal, welke klinker de ʿAyn al-Kalimah ook heeft

Bij de Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] moest je per Bāb onthouden welke klinker de ʿAyn al-Kalimah (de tweede wortelletter) krijgt. Bij de Ism al-Fāʿil hoeft dat niet. Bij alle werkwoorden van deze les is de vorm فَاعِلٌ: er komt een alif na de eerste wortelletter, en de tweede wortelletter krijgt een kasrah.

👣 Stap voor stap

StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij de Māḍī, onaangeroerdكَ‍‍تَ‍‍بَ
2Zet een alif ná de Fāʾ al-Kalimah (eerste radicaal)كَ‍‍اتَ‍‍بَ
3Geef de ʿAyn al-Kalimah (tweede radicaal) een kasrahكَ‍‍اتِ‍‍بَ
4Het is nu een naamwoord: geef de laatste letter de uitgang van een Ism (hier Rafʿ, onbepaald)كَ‍‍اتِ‍‍بٌ

📛 Het is een Ism — met alles wat daarbij hoort

De Ism al-Fāʿil is een Ism, en geen werkwoord. Daarom krijgt hij alles wat je in Blok 1 over het Ism hebt geleerd: tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] of الـ, en de drie naamvallen.

KenmerkVoorbeeldVertaling
Tanwīn (onbepaald)كَاتِبٌeen schrijver
الـ (bepaald)الْكَاتِبُde schrijver
Rafʿهٰذَا كَاتِبٌdit is een schrijver
Naṣbشَكَرْتُ كَاتِبًاik bedankte een schrijver
Jarrمِنْ كَاتِبٍvan een schrijver

📋 Twaalf werkwoorden, één mal

MāḍīVertalingBābIsm al-FāʿilVertaling
كَتَبَhij schreefNaṣaraكَ‍‍اتِ‍‍بٌschrijvend, schrijver
نَصَرَhij hielpNaṣaraنَ‍‍اصِ‍‍رٌhelpend, helper
شَكَرَhij dankteNaṣaraشَ‍‍اكِ‍‍رٌdankend, dankbaar
عَبَدَhij aanbadNaṣaraعَ‍‍ابِ‍‍دٌaanbiddend, aanbidder
سَجَدَhij knielde neerNaṣaraسَ‍‍اجِ‍‍دٌneerknielend
صَدَقَhij sprak de waarheidNaṣaraصَ‍‍ادِقٌwaarachtig
صَبَرَhij was geduldigḌarabaصَ‍‍ابِ‍‍رٌgeduldig
رَجَعَhij keerde terugḌarabaرَاجِ‍‍عٌterugkerend
رَكَعَhij boogFataḥaرَاكِ‍‍عٌbuigend
خَشَعَhij was nederigFataḥaخَ‍‍اشِ‍‍عٌnederig, ootmoedig
عَلِمَhij wistSamiʿaعَ‍‍الِ‍‍مٌwetend, geleerde
حَفِظَhij bewaardeSamiʿaحَ‍‍افِ‍‍ظٌbewarend, bewaarder

Elke Ism al-Fāʿil in deze tabel kun je op drie manieren vertalen. Het woord نَاصِرٌ betekent bijvoorbeeld: «helpend», oftewel «degene die helpt», oftewel «een helper». Op dezelfde manier betekent عَابِدٌ: «aanbiddend», «degene die aanbidt» of «een aanbidder». En حَافِظٌ betekent: «bewarend», «degene die bewaart» of «een bewaarder».

⚖️ Werkwoord of Ism al-Fāʿil — wat is het verschil?

Het werkwoord: wat iemand doet
يَصْبِرُ

«hij is geduldig». Het werkwoord vertelt wat iemand op een bepaald moment doet.

De Ism al-Fāʿil: wie het doet
صَابِرٌ

«een geduldige». De Ism al-Fāʿil is een naam voor de persoon zelf. Hij noemt de persoon naar de handeling die hij doet.

Het werkwoord vertelt dus alleen dat iemand iets doet. De Ism al-Fāʿil is een naam voor de persoon die het doet.

Daarom zijn zoveel beroepen en benamingen in het Arabisch een Ism al-Fāʿil: كَاتِبٌ («schrijver»), عَالِمٌ («geleerde»), حَافِظٌ («iemand die de heilige Qurʾān uit het hoofd kent»). Iemand die een handeling steeds opnieuw doet, wordt naar die handeling genoemd, en zo wordt het woord een vaste benaming.

De vorm فَاعِلٌ zegt zelf niet hoe lang iemand de handeling doet. Dat blijkt uit de zin. Het woord كَاتِبٌ kan betekenen: «iemand die nu aan het schrijven is», en het kan ook betekenen: «iemand die schrijver is van beroep».

🔭 Vooruitblik (alleen ter herkenning)

Er is één Bāb waarvan de werkwoorden meestal geen Ism al-Fāʿil op de vorm فَاعِلٌ hebben. Dat is Bāb Karuma. De werkwoorden van deze Bāb, zoals كَرُمَ («hij was edel»), beschrijven een eigenschap die iemand blijvend heeft. Voor zo'n blijvende eigenschap gebruikt het Arabisch meestal een andere vorm, zoals كَرِيمٌ («edel»). Die vorm heet de Ṣifah Mushabbahah, en die leer je in een latere les. Onthoud voor nu alleen dit verschil: schrijven is een handeling die je doet, en edel zijn is een eigenschap die je hebt.

اِسْمُ الْمَفْعُولِ Wat de handeling ondergaat

De Ism al-Mafʿūl is het naamwoord voor wat of wie de handeling ondergaat. Bij de Thulāthī Mujarrad [het werkwoord van drie wortelletters zonder toevoeging aan de stam] heeft hij de vaste Vorm (Wazn) مَفْعُولٌ. Dit is de vorm die je zelf kunt bouwen.

Het werkwoord
كَتَبَ

«hij schreef»

De vraag

Wat is er geschreven?

De Ism al-Mafʿūl
مَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبٌ

«geschreven / iets dat geschreven is»

🎨 In één oogopslag: drie radicalen + mīm vooraan + wāw

radicaaltoegevoegde letter
مَفْعُولٌ=مَفْعُولٌDe mal
مَكْتُوبٌ=مَكْتُوبٌgeschreven / hetgeen geschreven is
مَنْصُورٌ=مَنْصُورٌgeholpen / degene die geholpen is

Groen zijn de drie radicalen; geel zijn de twee letters die erbij komen: de mīm vooraan en de wāw na de tweede radicaal.

🌉 Het verband met het passieve werkwoord

In de les «De Tien Bouwers» heb je het passieve werkwoord geleerd, bijvoorbeeld كُتِبَ («het werd geschreven»). De Ism al-Mafʿūl is het naamwoord dat bij dit passieve werkwoord hoort. Iets dat geschreven werd (كُتِبَ), noem je مَكْتُوبٌ: «het geschrevene», «iets dat geschreven is».

👣 Stap voor stap

StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij de Māḍī, onaangeroerdكَ‍‍تَ‍‍بَ
2Zet een mīm met fatḥah vóór het woordمَ‍‍كَ‍‍تَ‍‍بَ
3Geef de Fāʾ al-Kalimah (eerste radicaal) een sukūnمَ‍‍كْ‍‍تَ‍‍بَ
4Geef de ʿAyn al-Kalimah (tweede radicaal) een ḍammahمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍بَ
5Zet een wāw ná de ʿAyn al-Kalimahمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبَ
6Geef de laatste letter de uitgang van een Ismمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبٌ

Ook bij de Ism al-Mafʿūl maakt het niet uit van welke Bāb het werkwoord is. De vorm is altijd مَفْعُولٌ.

👥 Fāʿil en Mafʿūl naast elkaar

MāḍīVertalingBābIsm al-FāʿilIsm al-MafʿūlVertaling van de Mafʿūl
كَتَبَhij schreefNaṣaraكَ‍‍اتِ‍‍بٌمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبٌgeschreven
نَصَرَhij hielpNaṣaraنَ‍‍اصِ‍‍رٌمَ‍‍نْ‍‍صُ‍‍ورٌgeholpen
شَكَرَhij dankteNaṣaraشَ‍‍اكِ‍‍رٌمَ‍‍شْ‍‍كُ‍‍ورٌbedankt, gewaardeerd
ذَكَرَhij noemde, gedachtNaṣaraذَاكِ‍‍رٌمَ‍‍ذْكُ‍‍ورٌgenoemd
رَزَقَhij voorzag (van levensonderhoud)Naṣaraرَازِقٌمَ‍‍رْزُوقٌvoorzien
ظَلَمَhij deed onrechtḌarabaظَ‍‍الِ‍‍مٌمَ‍‍ظْ‍‍لُ‍‍ومٌonrecht aangedaan
فَتَحَhij opendeFataḥaفَ‍‍اتِ‍‍حٌمَ‍‍فْ‍‍تُ‍‍وحٌgeopend
رَفَعَhij verhiefFataḥaرَافِ‍‍عٌمَ‍‍رْفُ‍‍وعٌverheven, verhoogd
عَلِمَhij wistSamiʿaعَ‍‍الِ‍‍مٌمَ‍‍عْ‍‍لُ‍‍ومٌbekend, geweten
حَفِظَhij bewaardeSamiʿaحَ‍‍افِ‍‍ظٌمَ‍‍حْ‍‍فُ‍‍وظٌbewaard
حَمِدَhij preesSamiʿaحَ‍‍امِ‍‍دٌمَ‍‍حْ‍‍مُ‍‍ودٌgeprezen

Elke Ism al-Mafʿūl in deze tabel kun je op twee manieren vertalen. Het woord مَنْصُورٌ betekent bijvoorbeeld: «geholpen», oftewel «degene die geholpen is». Op dezelfde manier betekent مَفْتُوحٌ: «geopend» of «hetgeen geopend is». En مَحْفُوظٌ betekent: «bewaard» of «hetgeen bewaard is».

🚫 Niet elk werkwoord heeft een Ism al-Mafʿūl

Een Ism al-Mafʿūl kun je alleen maken van een werkwoord dat een lijdend voorwerp kan hebben. Zo'n werkwoord heet Mutaʿaddī [transitief/overgankelijk]. Je kunt bijvoorbeeld iets schrijven, en dat wordt dan genoemd: مَكْتُوبٌ («geschreven»). Het werkwoord جَلَسَ («hij zat») kan [zonder extra toevoeging van een voorzetsel] geen lijdend voorwerp hebben. Zo'n werkwoord heet Lāzim [intransitief/geen lijdend voorwerp hebbend]. Daarom heeft جَلَسَ op zichzelf geen Ism al-Mafʿūl.

🔑 Wanneer kan het bij een Lāzim-werkwoord toch?

Van een Lāzim-werkwoord kun je wél een Ism al-Mafʿūl maken als er een Ḥarf al-Jarr [een voorzetsel] met zijn naamwoord bij staat. De reden is de volgende. Bij een Lāzim-werkwoord is er niets wat de handeling rechtstreeks ondergaat. Het voorzetsel verbindt het werkwoord alsnog met iemand of iets. Die persoon of dat ding ondergaat de handeling dan via het voorzetsel.

Neem het werkwoord جَلَسَ («hij zat»). Op zichzelf heeft het geen Ism al-Mafʿūl. Met het voorzetsel عَلَى («op») erbij betekent het: «hij zat op (iets)». Nu is er wél iets waarop gezeten wordt, bijvoorbeeld een stoel. Daarom kun je zeggen: مَجْلُوسٌ عَلَيْهِ («iets waarop gezeten wordt»).

Het tweede voorbeeld ken je al heel lang. Het werkwoord غَضِبَ («hij werd toornig») is een Lāzim-werkwoord. Met het voorzetsel عَلَى erbij betekent het: «hij was vertoornd op (iemand)». De Ism al-Mafʿūl daarvan is مَغْضُوبٌ عَلَيْهِ («iemand op wie toorn rust»). Je reciteert dit woord in elke rakʿah:

غَيْرِ الْمَغْضُوبِ عَلَيْهِمْ
«…niet (het pad) van degenen op wie de toorn rust…»
[Soerah al-Fātiḥah, 1:7] — van غَضِبَ عَلَى, «hij was vertoornd op»

Let op de vorm. In dit Vers gaat het over meerdere personen. Toch staat er الْمَغْضُوبِ in het enkelvoud, en niet in het meervoud. Dat is de regel bij een Ism al-Mafʿūl van een Lāzim-werkwoord: het woord zelf blijft altijd mannelijk enkelvoud. Het voornaamwoord dat aan het voorzetsel vastzit, laat zien over wie het gaat. In het Vers is dat voornaamwoord هِمْ («hen») in عَلَيْهِمْ. Alleen dat voornaamwoord verandert:

ArabischBetekenis
مَغْضُوبٌ عَلَيْهِeen mannelijke persoon op wie toorn rust
مَغْضُوبٌ عَلَيْهَاeen vrouwelijke persoon op wie toorn rust
مَغْضُوبٌ عَلَيْهِمَاtwee personen op wie toorn rust
مَغْضُوبٌ عَلَيْهِمْmannelijke personen (meervoud) op wie toorn rust
مَغْضُوبٌ عَلَيْهِنَّvrouwelijke personen (meervoud) op wie toorn rust

Bij een Mutaʿaddī-werkwoord is dat anders. Daar verandert het woord zelf: مَنْصُورٌ, مَنْصُورَةٌ, مَنْصُورُونَ, enzovoort. Hoe je die vormen maakt, leer je in de volgende tabbladen.

Ook met een Ẓarf. Hetzelfde kan met een Ẓarf [een aanduiding van tijd of plaats]. Het werkwoord صَامَ («hij vastte») is een Lāzim-werkwoord. Met het voorzetsel فِي («in») erbij kun je zeggen: شَهْرٌ مَصُومٌ فِيهِ («een maand waarin gevast wordt»). Bij een woord voor tijd of plaats mag je فِيهِ ook weglaten. Je zegt dan: شَهْرٌ مَصُومٌ. De betekenis blijft dezelfde. De vorm مَصُومٌ wijkt een beetje af van de mal مَفْعُولٌ, omdat de middelste wortelletter van صَامَ een zwakke letter is. Hoe dat werkt, leer je in een latere les.

📚 Verdieping 1: de regel van Ittisāʿ. ★★★★☆ Waarom mag je فِيهِ weglaten bij een woord voor tijd of plaats? Dit onderdeel is alleen voor wie meer diepgang wenst. Je mag het overslaan. De sterretjes geven aan hoe moeilijk het onderdeel is. Vijf sterretjes is het moeilijkste.

Lees de verdieping over de regel van Ittisāʿ

De grammatici noemen deze regel Ittisāʿ [verruiming]. De regel houdt in dat een woord voor tijd of plaats behandeld wordt alsof het een lijdend voorwerp is. Hieronder zie je in vier stappen hoe dat gaat.

  1. De gewone zin. Je zegt: صَامَ الْمُؤْمِنُ رَمَضَانَ («De gelovige vastte in de Ramaḍān.»). Het woord رَمَضَانَ is hier een Ẓarf. Het zegt wanneer er gevast werd. De betekenis van «in» zit er al in, ook al staat het voorzetsel فِي er niet. Een Ẓarf staat in de Naṣb [fatḥah-positie].
  2. De gelijkenis. Een lijdend voorwerp staat ook in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het woord رَمَضَانَ ziet er in deze zin dus hetzelfde uit als een lijdend voorwerp. Vergelijk het met: كَتَبَ الطَّالِبُ الدَّرْسَ («De student schreef de les.»).
  3. De verruiming. Vanwege die gelijkenis behandelen de Arabieren het woord voor tijd soms alsof het werkelijk het lijdend voorwerp is. Het is dan alsof je zegt: «De gelovige vastte de Ramaḍān.» Het gebruik van het werkwoord wordt dus ruimer gemaakt. Daar komt de naam Ittisāʿ [verruiming] vandaan.
  4. Het gevolg. Zodra de tijd als lijdend voorwerp geldt, kun je er een passief werkwoord en een Ism al-Mafʿūl van maken, zoals bij een Mutaʿaddī-werkwoord. Het passieve werkwoord is: صِيمَ رَمَضَانُ («De Ramaḍān werd gevast.»). En de Ism al-Mafʿūl is: شَهْرٌ مَصُومٌ («een maand die gevast wordt», oftewel «een maand waarin gevast wordt»).

Een voorbeeld uit de heilige Qurʾān. Allah zegt:

فَمَنْ شَهِدَ مِنْكُمُ الشَّهْرَ فَلْيَصُمْهُ
«Wie van jullie de maand meemaakt, laat hem haar dan vasten.»
[Soerah al-Baqarah, 2:185]

Er staat فَلْيَصُمْهُ («laat hem haar vasten»). Het voornaamwoord ـهُ verwijst naar de maand en zit rechtstreeks aan het werkwoord vast, zoals een lijdend voorwerp. Er staat niet فَلْيَصُمْ فِيهِ («laat hem daarin vasten»).

De voorwaarde. Deze regel geldt alleen voor woorden voor tijd of plaats die je ook als gewoon naamwoord kunt gebruiken, zoals يَوْمٌ («dag»), شَهْرٌ («maand») en رَمَضَانُ. Bij woorden die alleen als Ẓarf voorkomen, zoals عِنْدَ («bij»), geldt de regel niet.

📚 Verdieping 2: de Maṣdar als plaatsvervanger. ★★★★★ Kan een Lāzim-werkwoord nog op een derde manier passief worden? Dit is het moeilijkste onderdeel van de les. Je mag het overslaan.

Lees de verdieping over de Maṣdar

Een derde mogelijkheid. De grammatici noemen naast het voorzetsel en de Ẓarf nog een derde woord dat bij een Lāzim-werkwoord de plaats van het lijdend voorwerp kan innemen, namelijk de Maṣdar [het naamwoord dat de handeling zelf benoemt, zoals «het zitten»]. Wat de Maṣdar is en hoe je hem vormt, leer je in een latere les. Hier zie je alleen hoe hij zich gedraagt.

  1. De actieve zin. Je zegt: جَلَسَ زَيْدٌ جُلُوسًا طَوِيلًا («Zayd zat lang.», letterlijk: «Zayd zat een lang zitten.»). De Maṣdar جُلُوسًا staat hier in de Naṣb [fatḥah-positie].
  2. De passieve zin. Als je niet noemt wie er zat, wordt het werkwoord passief. De Maṣdar neemt dan de plaats in van degene die zat, en komt daardoor in de Rafʿ [ḍammah-positie] te staan: جُلِسَ جُلُوسٌ طَوِيلٌ («Er werd lang gezeten.»).
  3. De voorwaarde. Dit kan alleen als er bij de Maṣdar een beschrijving of een aantal staat, zoals طَوِيلٌ («lang») of وَاحِدَةٌ («één»). Een Maṣdar zonder zo'n toevoeging kan deze plaats niet innemen.

Een voorbeeld uit de heilige Qurʾān. Allah zegt:

فَإِذَا نُفِخَ فِي الصُّورِ نَفْخَةٌ وَاحِدَةٌ
«Wanneer er dan op de Bazuin geblazen wordt, met één enkele stoot.»
[Soerah al-Ḥāqqah, 69:13]

Het werkwoord نُفِخَ («er werd geblazen») is passief. Het woord نَفْخَةٌ («een stoot», letterlijk: «één keer blazen») is de Maṣdar. Dit woord staat in de Rafʿ [ḍammah-positie], en het woord وَاحِدَةٌ («één») is het aantal dat erbij staat.

Samengevat

Een Mutaʿaddī-werkwoord heeft altijd een Ism al-Mafʿūl. Een Lāzim-werkwoord heeft op zichzelf geen Ism al-Mafʿūl. Het krijgt er alleen één als er een voorzetsel met zijn naamwoord bij staat, of een aanduiding van tijd of plaats. Het woord blijft dan mannelijk enkelvoud.

👀 Herken je deze al?

WoordLetterlijkWaar ken je het van?
مَكْتُوبٌgeschrevenook gebruikt voor: brief, lotsbestemming
مَحْمُودٌgeprezenbekende naam
مَنْصُورٌgeholpenbekende naam
مَشْهُورٌbekend gemaakt«beroemd»
مَخْلُوقٌgeschapen«schepsel»

💡 Wist je dat? Sommige woorden hebben dezelfde betekenis, maar een andere vorm

De vorm مَفْعُولٌ is de vorm die je zelf kunt bouwen. Daarnaast heeft het Arabisch een aantal woorden op de vorm فَعِيلٌ die dezelfde betekenis hebben als een Ism al-Mafʿūl. Deze woorden bouw je niet zelf. Je leert ze zoals ze zijn, omdat de Arabieren ze zo gebruiken. Drie van deze woorden ken je waarschijnlijk al:

WoordBetekenisHeeft dezelfde betekenis alsWaar ken je het van?
حَبِيبٌgeliefd, of: degene die geliefd isمَحْبُوبٌbekende naam
قَتِيلٌgedood, of: degene die gedood isمَقْتُولٌvan het werkwoord قَتَلَ («hij doodde»), uit de 20 woorden van deze les
الرَّجِيمُde gestenigde, of: de verdreveneالْمَرْجُومُde Istiʿādhah: أَعُوذُ بِاللَّهِ مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ («Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte Shayṭān.»)

Let op. Verwar deze woorden niet met woorden zoals كَرِيمٌ («edel») uit de vooruitblik in het tabblad over de Ism al-Fāʿil. Het woord كَرِيمٌ komt van een werkwoord zonder lijdend voorwerp, en het noemt een eigenschap die iemand zelf heeft. De woorden in deze tabel komen van een werkwoord met een lijdend voorwerp, en zij noemen degene die de handeling ondergaat.

📚 Verdieping: de vorm فَعِيلٌ heeft twee kanten. ★★★★☆ Hoe kan één woord zowel «degene die het doet» als «degene die het ondergaat» betekenen? Dit onderdeel is alleen voor wie meer diepgang wenst. Je mag het overslaan.

Lees de verdieping over شَهِيدٌ en نَبِيٌّ

De vorm فَعِيلٌ komt in het Arabisch op twee manieren voor.

  1. Met de betekenis van de Ism al-Mafʿūl. Het woord noemt dan degene die de handeling ondergaat. Dat zijn de woorden uit de tabel hierboven, zoals قَتِيلٌ («degene die gedood is»).
  2. Met de betekenis van de Ism al-Fāʿil. Het woord noemt dan degene die de handeling doet. Voorbeelden zijn عَلِيمٌ («alwetend») en سَمِيعٌ («alhorend»).
  3. Soms zijn beide uitleggingen mogelijk. Bij sommige woorden op deze vorm geven de geleerden beide uitleggingen. Twee bekende voorbeelden staan hieronder.

Het woord شَهِيدٌ. Volgens de eerste uitleg heeft dit woord de betekenis van شَاهِدٌ («getuige»): hij is degene die getuigt. Volgens de tweede uitleg heeft het de betekenis van مَشْهُودٌ («degene over wie getuigd wordt»): voor hem wordt het Paradijs getuigd, en de engelen zijn getuige van zijn heengaan.

Het woord نَبِيٌّ. Dit woord komt volgens veel taalgeleerden van نَبَأٌ («bericht»). Volgens de eerste uitleg betekent het: degene die bericht geeft namens Allah. Volgens de tweede uitleg betekent het: degene aan wie Allah bericht geeft. Sommige taalgeleerden leiden het woord af van النَّبْوَةُ («de verhevenheid»).

Inzicht: De twee uitleggingen spreken elkaar niet tegen. Zij laten twee kanten van dezelfde persoon zien.

الْمُؤَنَّثُ Vrouwelijk: de Tāʾ Marbūṭah (ة)

Je maakt de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl op dezelfde manier vrouwelijk. De laatste wortelletter krijgt een fatḥah, en daarachter zet je de Tāʾ Marbūṭah (ة).

radicaaltoegevoegde letteruitgang
كَاتِبَةٌ=كَاتِبَةٌeen vrouwelijke persoon die schrijft / schrijfster
مَكْتُوبَةٌ=مَكْتُوبَةٌiets wat geschreven is (♀)

👣 Stap voor stap

StapWat doe je?Ism al-FāʿilIsm al-Mafʿūl
1Begin bij de mannelijke vormكَ‍‍اتِ‍‍بٌمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبٌ
2Geef de laatste radicaal een fatḥahكَ‍‍اتِ‍‍بَمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبَ
3Zet de Tāʾ Marbūṭah erachter, met de uitgangكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةٌمَ‍‍كْ‍‍تُ‍‍وبَ‍‍ةٌ

📐 De drie naamvallen

Naamval♂♀Let op
Rafʿكَاتِبٌكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةٌkātibat-un
Naṣbكَاتِبًاكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةًgeen alif na de Tāʾ Marbūṭah
Jarrكَاتِبٍكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةٍkātibat-in

👫 Mannelijk en vrouwelijk naast elkaar

♂Vertaling♀Vertaling
صَابِرٌeen geduldige (man)صَابِرَةٌeen geduldige (vrouw)
شَاكِرٌeen dankbare (man)شَاكِرَةٌeen dankbare (vrouw)
حَافِظٌeen bewaarderحَافِظَةٌeen bewaarster
عَالِمٌeen geleerde (man)عَالِمَةٌeen geleerde (vrouw)
مَحْفُوظٌbewaard (♂)مَحْفُوظَةٌbewaard (♀)
مَفْتُوحٌgeopend (♂)مَفْتُوحَةٌgeopend (♀)
مَعْلُومٌbekend (♂)مَعْلُومَةٌbekend (♀)

🤝 Waarom je dit nodig hebt: overeenstemming

In de les «De Tien Bouwers» heb je geleerd dat een Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] in geslacht overeenkomt met haar Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt], en dat een Khabar [gezegde] in geslacht overeenkomt met zijn Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin]. Dat geldt ook voor de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl. Als het woord waar ze bij horen vrouwelijk is, dienen zij ook vrouwelijk te zijn.

ZinVertalingWaarom deze vorm?
الطَّالِبُ صَابِرٌDe student is geduldig.الطَّالِبُ is ♂
الطَّالِبَةُ صَابِرَةٌDe studente is geduldig.الطَّالِبَةُ is ♀
الْبَابُ مَفْتُوحٌDe deur is geopend.الْبَابُ is ♂
السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌDe Soerah is (uit het hoofd) bewaard.السُّورَةُ is ♀
هٰذِهِ رِسَالَةٌ مَكْتُوبَةٌDit is een geschreven brief.رِسَالَةٌ is ♀
💡 Eén ding om te onthouden voor de Qurʾān-voorbeelden

Een meervoud van dingen (dus niet van mensen) wordt in het Arabisch behandeld als een vrouwelijk enkelvoud. In de Verzen uit de heilige Qurʾān zul je daarom bijvoorbeeld zien: سُرُرٌ مَرْفُوعَةٌ, «verhoogde rustbanken». Het woord سُرُرٌ («rustbanken») is een meervoud van dingen. Daarom staat de Ism al-Mafʿūl مَرْفُوعَةٌ erachter in het vrouwelijk enkelvoud.

الْمُثَنَّى Tweevoud ♂ en ♀

Het tweevoud heeft twee uitgangen. In de Rafʿ [ḍammah-positie] is de uitgang ـَانِ. In de Naṣb [fatḥah-positie] en in de Jarr [kasrah-positie] is de uitgang ـَيْنِ. Bij een vrouwelijk woord verandert eerst de Tāʾ Marbūṭah (ة) in een gewone tāʾ (ت) met een fatḥah, en daarna komt de uitgang erachter.

 RafʿNaṣb en Jarr
♂ uitgangـَانِـَيْنِ
♀ uitgangـَتَانِـَتَيْنِ

In het tweevoud zie je de naamval dus niet aan een klinkerteken, maar aan een letter: de alif voor Rafʿ, de yāʾ voor Naṣb en Jarr.

radicaaltoegevoegde letteruitgang
كَاتِبَانِ=كَاتِبَانِtwee mannelijke personen die schrijven, in de Rafʿ
كَاتِبَيْنِ=كَاتِبَيْنِtwee mannelijke personen die schrijven, in de Naṣb of de Jarr
كَاتِبَتَانِ=كَاتِبَتَانِtwee vrouwelijke personen die schrijven, in de Rafʿ
كَاتِبَتَيْنِ=كَاتِبَتَيْنِtwee vrouwelijke personen die schrijven, in de Naṣb of de Jarr

👣 Stap voor stap — mannelijk

StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij het enkelvoudكَ‍‍اتِ‍‍بٌ
2Haal de tanwīn weg en geef de laatste radicaal een fatḥahكَ‍‍اتِ‍‍بَ
3Rafʿ: voeg ـَانِ toeكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍انِ
4Naṣb of Jarr: vervang de alif door een yāʾ met sukūnكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍يْنِ

👣 Stap voor stap — vrouwelijk

StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij het vrouwelijk enkelvoudكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍ةٌ
2Verander de Tāʾ Marbūṭah (ة) in een gewone tāʾ (ت) met een fatḥahكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَ
3Rafʿ: voeg ـَانِ toeكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَانِ
4Naṣb of Jarr: vervang de alif door een yāʾ met sukūnكَ‍‍اتِ‍‍بَ‍‍تَيْنِ

📋 Overzicht

 RafʿNaṣbJarrVertaling
Ism al-Fāʿil ♂كَاتِبَانِكَاتِبَيْنِكَاتِبَيْنِtwee schrijvers
Ism al-Fāʿil ♀كَاتِبَتَانِكَاتِبَتَيْنِكَاتِبَتَيْنِtwee schrijfsters
Ism al-Mafʿūl ♂مَكْتُوبَانِمَكْتُوبَيْنِمَكْتُوبَيْنِtwee geschreven (dingen, ♂)
Ism al-Mafʿūl ♀مَكْتُوبَتَانِمَكْتُوبَتَيْنِمَكْتُوبَتَيْنِtwee geschreven (dingen, ♀)

✂️ De nūn valt weg in de Iḍāfah

De alif en de yāʾ in de uitgang laten de naamval zien. De nūn aan het einde doet dat niet. De nūn staat er alleen zolang het woord op zichzelf staat. Als het tweevoud een Muḍāf [het eerste woord van een Iḍāfah, oftewel een bezitsconstructie] wordt, valt de nūn weg. Dat ziet er als volgt uit:

Op zichzelfAls MuḍāfBetekenis
كَاتِبَانِكَاتِبَا الرِّسَالَةِde twee schrijvers van de brief, in de Rafʿ [ḍammah-positie]
كَاتِبَيْنِكَاتِبَيِ الرِّسَالَةِde twee schrijvers van de brief, in de Naṣb [fatḥah-positie] of de Jarr [kasrah-positie]

Een voorbeeld uit de heilige Qurʾān:

تَبَّتْ يَدَا أَبِي لَهَبٍ
«Vergaan zijn de beide handen van Abū Lahab.»
[Soerah al-Masad, 111:1]

Het woord يَدَانِ betekent: «twee handen». In dit Vers is het woord een Muḍāf, en daarom staat er يَدَا, zonder nūn. Het woord يَدٌ («hand») is zelf geen Ism al-Fāʿil en ook geen Ism al-Mafʿūl. Het Vers staat hier alleen om te laten zien hoe de nūn van het tweevoud wegvalt. Die regel geldt voor elk tweevoud, en dus ook voor het tweevoud van de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl.

Over de vertaling. De vertaling «Vergaan zijn» is de letterlijke vertaling, want het werkwoord تَبَّتْ staat in de Māḍī [verleden tijd]. Het Arabisch gebruikt de Māḍī ook voor een bede of een verwensing. Een bekend voorbeeld is رَحِمَهُ اللَّهُ. Letterlijk betekent dat: «Allah heeft hem genade geschonken». Bedoeld wordt: «Moge Allah hem genadig zijn». Op dezelfde manier wordt dit Vers vaak vertaald met: «Mogen de beide handen van Abū Lahab vergaan.» De Māḍī geeft daarbij aan dat het zeker zal gebeuren, alsof het al gebeurd is.

📚 Verdieping: waarvoor dient de nūn van het tweevoud? ★★★☆☆ Dit onderdeel is alleen voor wie meer diepgang wenst. Je mag het overslaan. De sterretjes geven aan hoe moeilijk het onderdeel is. Vijf sterretjes is het moeilijkste.

Lees de verdieping over de nūn

De grammatici zeggen dat de nūn van het tweevoud in de plaats komt van de tanwīn van het enkelvoud. Hieronder zie je in drie stappen waarom.

  1. Het enkelvoud heeft een tanwīn. Het woord كَاتِبٌ («een schrijver») eindigt op een tanwīn. De tanwīn laat zien dat het woord op zichzelf staat.
  2. In het tweevoud kan de tanwīn niet blijven. In het tweevoud komt er een alif of een yāʾ achter het woord. Op die letters kan geen tanwīn staan. Daarom komt er een nūn voor in de plaats: كَاتِبَانِ.
  3. Het bewijs. De tanwīn valt weg in de Iḍāfah: كِتَابٌ («een boek») wordt كِتَابُ الطَّالِبِ («het boek van de student»). De nūn van het tweevoud valt op dezelfde plaats weg: كِتَابَانِ («twee boeken») wordt كِتَابَا الطَّالِبِ («de twee boeken van de student»). De nūn gedraagt zich hier dus zoals de tanwīn.

Eén verschil. De tanwīn valt ook weg als er الـ voor het woord komt: كِتَابٌ wordt الْكِتَابُ. De nūn van het tweevoud blijft dan staan: الْكِتَابَانِ («de twee boeken»).

De klinker op de nūn. De nūn van het tweevoud heeft altijd een kasrah: ـَانِ en ـَيْنِ. Deze kasrah zegt niets over de naamval. In het tabblad over het meervoud zie je dat de nūn van het mannelijk meervoud een fatḥah heeft: ـُونَ en ـِينَ. Aan dat verschil herken je het tweevoud en het meervoud, ook in de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie]: كَاتِبَيْنِ («twee schrijvers») tegenover كَاتِبِينَ («schrijvers»).

🗣️ In zinnen

ZinVertalingNaamval en reden
الطَّالِبَانِ حَاضِرَانِDe twee studenten zijn aanwezig.Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde].
الطَّالِبَتَانِ حَاضِرَتَانِDe twee studentes zijn aanwezig.Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde].
شَكَرْتُ الطَّالِبَيْنِ الصَّابِرَيْنِIk bedankte de twee geduldige studenten.Het eerste woord na شَكَرْتُ is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het woord daarna is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord], en die staat in dezelfde naamval.
شَكَرْتُ الطَّالِبَتَيْنِ الصَّابِرَتَيْنِIk bedankte de twee geduldige studentes.Het eerste woord na شَكَرْتُ is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het woord daarna is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord], en die staat in dezelfde naamval.
جَلَسْتُ مَعَ الْعَالِمَيْنِIk zat bij de twee geleerden.Het woord staat in de Jarr [kasrah-positie], omdat مَعَ ervoor staat.
الْبَابَانِ مَفْتُوحَانِDe twee deuren zijn geopend.Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde].
📌 Twee dingen die altijd hetzelfde blijven
  • De letter vóór de uitgang heeft altijd een fatḥah.
  • De nūn waarmee de uitgang van het tweevoud eindigt, heeft altijd een kasrah: ـَانِ en ـَيْنِ. Onthoud dit goed, want bij het mannelijk meervoud is het andersom: daar heeft de nūn een fatḥah.

الْجَمْعُ السَّالِمُ Meervoud ♂ en ♀

Het mannelijk meervoud eindigt in de Rafʿ [ḍammah-positie] op ـُونَ, en in de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie] op ـِينَ. Het vrouwelijk meervoud eindigt in de Rafʿ op ـَاتٌ, en in de Naṣb en de Jarr op ـَاتٍ.

 RafʿNaṣbJarr
♂ meervoudـُونَـِينَـِينَ
♀ meervoudـَاتٌـَاتٍـَاتٍ
radicaaltoegevoegde letteruitgang
صَابِرُونَ=صَابِرُونَmannelijke personen die geduldig zijn, in de Rafʿ
صَابِرِينَ=صَابِرِينَmannelijke personen die geduldig zijn, in de Naṣb of de Jarr
صَابِرَاتٌ=صَابِرَاتٌvrouwelijke personen die geduldig zijn, in de Rafʿ
صَابِرَاتٍ=صَابِرَاتٍvrouwelijke personen die geduldig zijn, in de Naṣb of de Jarr

👳 Mannelijk meervoud جَمْعُ الْمُذَكَّرِ السَّالِمُ

StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij het enkelvoudصَ‍‍ابِ‍‍رٌ
2Haal de tanwīn wegصَ‍‍ابِ‍‍ر
3Rafʿ: ḍammah op de laatste radicaal, dan ـونَصَ‍‍ابِ‍‍رُونَ
4Naṣb of Jarr: kasrah onder de laatste radicaal, dan ـينَصَ‍‍ابِ‍‍رِينَ

Dit meervoud gebruik je voor mannen, of voor een gemengde groep van mannen en vrouwen.

De nūn valt weg in de Iḍāfah. Ook de nūn van het mannelijk meervoud valt weg als het woord een Muḍāf [het eerste woord van een Iḍāfah] wordt, zoals bij het tweevoud. Het woord مُعَلِّمُونَ («leraren») wordt dan: مُعَلِّمُو الْمَدْرَسَةِ («de leraren van de school»). In de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie] wordt مُعَلِّمِينَ dan: مُعَلِّمِي الْمَدْرَسَةِ.

🧕 Vrouwelijk meervoud جَمْعُ الْمُؤَنَّثِ السَّالِمُ

StapWat doe je?Illustratie
1Begin bij het vrouwelijk enkelvoudصَ‍‍ابِ‍‍رَةٌ
2Haal de Tāʾ Marbūṭah weg; de fatḥah blijftصَ‍‍ابِ‍‍رَ
3Rafʿ: voeg ـَاتٌ toeصَ‍‍ابِ‍‍رَاتٌ
4Naṣb of Jarr: voeg ـَاتٍ toeصَ‍‍ابِ‍‍رَاتٍ
⚠️ Let op: de Naṣb van het vrouwelijk meervoud heeft een kasrah

In Blok 1 heb je geleerd dat je de Naṣb herkent aan een fatḥah. Het vrouwelijk meervoud is hierop een uitzondering. Het krijgt nooit een fatḥah aan het einde. In de Naṣb krijgt het vrouwelijk meervoud een kasrah, net als in de Jarr.

ZinVertalingNaamval
شَكَرْتُ الطَّالِبَIk bedankte de student.Het woord staat in de Naṣb [fatḥah-positie], en het heeft een fatḥah.
شَكَرْتُ الطَّالِبَاتِIk bedankte de studentes.Het woord staat in de Naṣb [fatḥah-positie], maar het heeft een kasrah, omdat het een vrouwelijk meervoud is.

📋 Overzicht

 RafʿNaṣbJarrVertaling
Ism al-Fāʿil ♂صَابِرُونَصَابِرِينَصَابِرِينَgeduldigen (mannen)
Ism al-Fāʿil ♀صَابِرَاتٌصَابِرَاتٍصَابِرَاتٍgeduldigen (vrouwen)
Ism al-Mafʿūl ♂مَنْصُورُونَمَنْصُورِينَمَنْصُورِينَgeholpenen (mannen)
Ism al-Mafʿūl ♀مَنْصُورَاتٌمَنْصُورَاتٍمَنْصُورَاتٍgeholpenen (vrouwen)

Met الـ valt de tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] van het vrouwelijk meervoud weg, zoals je gewend bent: الصَّابِرَاتُ (Rafʿ), الصَّابِرَاتِ (Naṣb en Jarr). Het mannelijk meervoud verandert niet door الـ: الصَّابِرُونَ, الصَّابِرِينَ.

🗣️ In zinnen

ZinVertalingNaamval en reden
الْمُعَلِّمُونَ حَاضِرُونَDe leraren zijn aanwezig.Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde].
الْمُعَلِّمَاتُ حَاضِرَاتٌDe leraressen zijn aanwezig.Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde].
نَصَرَ اللَّهُ الصَّابِرِينَAllah hielp de geduldigen.Het woord is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie].
نَصَرَ اللَّهُ الصَّابِرَاتِAllah hielp de geduldige vrouwen.Het woord is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb een kasrah.
السَّلَامُ عَلَى الصَّادِقِينَ وَالصَّادِقَاتِVrede zij met de waarachtige mannen en vrouwen.Beide woorden staan in de Jarr [kasrah-positie], omdat عَلَى ervoor staat.

🔍 Tweevoud of meervoud? Kijk naar de klinkers

Zonder klinkertekens zien het tweevoud en het meervoud er in de Naṣb en Jarr hetzelfde uit: صابرين. De klinkers maken het verschil:

 Vóór de yāʾDe nūn aan het eindeVoorbeeldVertaling
Tweevoudfatḥahkasrahصَابِرَيْنِtwee geduldigen
Meervoudkasrahfatḥahصَابِرِينَ(drie of meer) geduldigen

الصِّفَةُ تَتْبَعُ الْمَوْصُوفَ De Ṣifah volgt haar Mawṣūf

In de vorige drie tabbladen heb je geleerd hoe je een Ism al-Fāʿil en een Ism al-Mafʿūl vrouwelijk maakt, en hoe je ze in het tweevoud en in het meervoud zet. Op dezelfde manier wordt meestal ook een Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] gevormd. De Ṣifah krijgt dezelfde uitgangen, zodat zij overeenkomt met haar Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt].

🔁 Herhaling: de vier overeenkomsten

In de les «De Tien Bouwers» heb je geleerd dat de Ṣifah in vier dingen overeenkomt met haar Mawṣūf: in bepaaldheid, in naamval, in geslacht en in getal. De eerste twee kon je toen al toepassen. Het geslacht en het getal kun je nu ook toepassen, want in deze les heb je de uitgangen daarvoor geleerd.

De Ṣifah volgt inWat je al konWat je nu erbij kunt
Bepaaldheidالـ of tanwīn—
Naamvalḍammah, fatḥah, kasrahook met letters: ـَانِ / ـَيْنِ, ـُونَ / ـِينَ
Geslacht—vrouwelijk met de Tāʾ Marbūṭah
Getal—tweevoud en meervoud

🪞 Eén paar, zes vormen

 Mawṣūf + ṢifahVertaling
♂ enkelvoudمُعَلِّمٌ صَابِرٌeen geduldige leraar
♀ enkelvoudمُعَلِّمَةٌ صَابِرَةٌeen geduldige lerares
♂ tweevoudمُعَلِّمَانِ صَابِرَانِtwee geduldige leraren
♀ tweevoudمُعَلِّمَتَانِ صَابِرَتَانِtwee geduldige leraressen
♂ meervoudمُعَلِّمُونَ صَابِرُونَgeduldige leraren
♀ meervoudمُعَلِّمَاتٌ صَابِرَاتٌgeduldige leraressen

Kijk in de tabel naar de uitgangen. De Ṣifah heeft in elke rij dezelfde uitgang als haar Mawṣūf.

📐 Dezelfde paren in de Naṣb en Jarr, bepaald

 RafʿNaṣbJarr
♂ enkelvoudالْمُعَلِّمُ الصَّابِرُالْمُعَلِّمَ الصَّابِرَالْمُعَلِّمِ الصَّابِرِ
♀ enkelvoudالْمُعَلِّمَةُ الصَّابِرَةُالْمُعَلِّمَةَ الصَّابِرَةَالْمُعَلِّمَةِ الصَّابِرَةِ
♂ tweevoudالْمُعَلِّمَانِ الصَّابِرَانِالْمُعَلِّمَيْنِ الصَّابِرَيْنِالْمُعَلِّمَيْنِ الصَّابِرَيْنِ
♀ tweevoudالْمُعَلِّمَتَانِ الصَّابِرَتَانِالْمُعَلِّمَتَيْنِ الصَّابِرَتَيْنِالْمُعَلِّمَتَيْنِ الصَّابِرَتَيْنِ
♂ meervoudالْمُعَلِّمُونَ الصَّابِرُونَالْمُعَلِّمِينَ الصَّابِرِينَالْمُعَلِّمِينَ الصَّابِرِينَ
♀ meervoudالْمُعَلِّمَاتُ الصَّابِرَاتُالْمُعَلِّمَاتِ الصَّابِرَاتِالْمُعَلِّمَاتِ الصَّابِرَاتِ

🌿 Niet alleen bij Ism al-Fāʿil en Ism al-Mafʿūl

Ook de eigenschapswoorden die je uit Blok 1 en 2 kent, nemen deze uitgangen aan:

♂ enkelvoudVertaling♀ enkelvoud♂ tweevoud♀ tweevoud♀ meervoud
كَبِيرٌgrootكَبِيرَةٌكَبِيرَانِكَبِيرَتَانِكَبِيرَاتٌ
صَغِيرٌkleinصَغِيرَةٌصَغِيرَانِصَغِيرَتَانِصَغِيرَاتٌ
كَرِيمٌedelكَرِيمَةٌكَرِيمَانِكَرِيمَتَانِكَرِيمَاتٌ
جَدِيدٌnieuwجَدِيدَةٌجَدِيدَانِجَدِيدَتَانِجَدِيدَاتٌ
❓ Waarom «meestal»? Twee dingen om te weten
  1. Het mannelijk meervoud heeft soms een eigen vorm. De Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl krijgen in het mannelijk meervoud gewoon ـُونَ of ـِينَ. Sommige andere eigenschapswoorden hebben een eigen meervoudsvorm. Het meervoud van كَبِيرٌ («groot») is bijvoorbeeld كِبَارٌ. Zulke meervouden leer je later, per woord.
  2. Een meervoud van dingen krijgt een Ṣifah in het vrouwelijk enkelvoud. Je zegt bijvoorbeeld كُتُبٌ مَفْتُوحَةٌ («geopende boeken»), en niet مَفْتُوحُونَ. De uitgangen ـُونَ en ـِينَ gebruik je alleen voor mensen.

📖 In de heilige Qurʾān

In het tabblad «Uit de heilige Qurʾān» kom je deze paren tegen. Let er daar op hoe de Ṣifah haar Mawṣūf volgt:

Mawṣūf + ṢifahVertalingOvereenkomst
لَوْحٍ مَحْفُوظٍeen Bewaarde TabletBeide woorden zijn mannelijk, staan in het enkelvoud, zijn onbepaald en staan in de Jarr [kasrah-positie].
مَقَامًا مَحْمُودًاeen geprezen positieBeide woorden zijn mannelijk, staan in het enkelvoud, zijn onbepaald en staan in de Naṣb [fatḥah-positie].
سُرُرٌ مَرْفُوعَةٌverhoogde rustbankenHet woord سُرُرٌ is een meervoud van dingen. Daarom staat de Ṣifah in het vrouwelijk enkelvoud. Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie].
عَبْدَيْنِ … صَالِحَيْنِtwee rechtschapen dienarenBeide woorden zijn mannelijk, staan in het tweevoud en staan in de Jarr [kasrah-positie].

✏️ Oefeningen

Zet de Ṣifah tussen haakjes in de juiste vorm. Probeer het eerst zelf, open daarna de begeleiding.

الطَّالِبَةُ (صَادِق) «de waarachtige studente»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Het woord الطَّالِبَةُ («de studente») is vrouwelijk, het staat in het enkelvoud, het is bepaald en het staat in de Rafʿ [ḍammah-positie].
  2. De Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] dient in deze vier dingen overeen te komen met haar Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt]. Je maakt صَادِق dus vrouwelijk met de Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة], je zet الـ ervoor en je geeft het woord één ḍammah.
  3. Het antwoord is: الطَّالِبَةُ الصَّادِقَةُ.

Inzicht: De Ṣifah neemt alle vier de kenmerken van haar Mawṣūf over: de bepaaldheid, de naamval, het geslacht en het getal.

مُعَلِّمَانِ (حَاضِر) «twee aanwezige leraren»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Het woord مُعَلِّمَانِ («twee leraren») is mannelijk, het staat in het tweevoud, het is onbepaald en het staat in de Rafʿ [ḍammah-positie].
  2. De Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] krijgt daarom ook de uitgang ـَانِ van het tweevoud in de Rafʿ, en zij krijgt geen الـ.
  3. Het antwoord is: مُعَلِّمَانِ حَاضِرَانِ.

Inzicht: In het tweevoud is de alif het teken van de Rafʿ. Dat geldt voor de Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] en ook voor de Ṣifah.

مَعَ الْمُعَلِّمِينَ (شَاكِر) «met de dankbare leraren»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Het woord مَعَ («met») zet het woord dat erna komt in de Jarr [kasrah-positie]. Daarom staat الْمُعَلِّمِينَ («de leraren») in de Jarr. Het is mannelijk, het staat in het meervoud en het is bepaald.
  2. De Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] krijgt daarom ook الـ en de uitgang ـِينَ.
  3. Het antwoord is: مَعَ الْمُعَلِّمِينَ الشَّاكِرِينَ.

Inzicht: Als de Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] in de Jarr staat, dan staat de Ṣifah ook in de Jarr.

شَكَرْتُ الْمُعَلِّمَتَيْنِ (صَابِر) «ik bedankte de twee geduldige leraressen»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Het woord الْمُعَلِّمَتَيْنِ («de twee leraressen») is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp] van شَكَرْتُ, en daarom staat het in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het is vrouwelijk, het staat in het tweevoud en het is bepaald.
  2. Maak صَابِر eerst vrouwelijk: صَابِرَة. Verander daarna de Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة] in een gewone tāʾ (ت) en zet de uitgang ـَيْنِ erachter. Zet als laatste الـ ervoor.
  3. Het antwoord is: شَكَرْتُ الْمُعَلِّمَتَيْنِ الصَّابِرَتَيْنِ.

Inzicht: Bouw een woord altijd in dezelfde volgorde: eerst het geslacht, dan het getal, dan de naamval en als laatste de bepaaldheid.

كُتُبٌ (مَفْتُوح) «geopende boeken»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Het woord كُتُبٌ («boeken») is een meervoud van dingen, en niet van mensen.
  2. Een meervoud van dingen krijgt een Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] in het vrouwelijk enkelvoud. Het woord كُتُبٌ is onbepaald en staat in de Rafʿ [ḍammah-positie], en de Ṣifah dus ook.
  3. Het antwoord is: كُتُبٌ مَفْتُوحَةٌ.

Inzicht: De uitgangen ـُونَ en ـِينَ van het mannelijk meervoud gebruik je alleen voor mensen.

Verbeter de fout: الْمُعَلِّمَاتُ الصَّابِرُونَ

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] الْمُعَلِّمَاتُ («de leraressen») staat in het vrouwelijk meervoud.
  2. De Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] الصَّابِرُونَ staat in het mannelijk meervoud. De Ṣifah komt dus niet in geslacht overeen met haar Mawṣūf, en dat is de fout.
  3. De goede zin is: الْمُعَلِّمَاتُ الصَّابِرَاتُ, «de geduldige leraressen».

Inzicht: Kijk bij een Ṣifah eerst naar het geslacht van de Mawṣūf, en daarna naar het getal, de naamval en de bepaaldheid.

Verbeter de fout: شَكَرْتُ الطَّالِبَاتِ الشَّاكِرَاتَ

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Het woord الطَّالِبَاتِ is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp] van شَكَرْتُ. Het staat dus in de Naṣb [fatḥah-positie], en zijn Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] ook.
  2. Het vrouwelijk meervoud krijgt nooit een fatḥah aan het einde. In de Naṣb krijgt het een kasrah. De fatḥah op الشَّاكِرَاتَ is dus de fout.
  3. De goede zin is: شَكَرْتُ الطَّالِبَاتِ الشَّاكِرَاتِ, «ik bedankte de dankbare studentes».

Inzicht: Als je weet in welke vorm de Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] staat, weet je ook in welke vorm de Ṣifah dient te staan.

الْبَنَّاءُ De Bouwer & de Vormenjager

Kies hieronder een werkwoord, een soort, een geslacht, een getal, een naamval en de bepaaldheid. De Bouwer laat je daarna stap voor stap zien hoe het woord wordt opgebouwd, vanaf de Māḍī [verleden tijd] tot en met de laatste uitgang. Zeg bij elke stap eerst zelf wat er gaat veranderen, en klik daarna pas op «Volgende stap». (Op de computer kun je ook de pijltjestoetsen ← en → gebruiken.)

1 · Werkwoord

radicaaltoegevoegde letter van de maluitgang (geslacht · getal)الـ

📋 Alle vormen van dit werkwoord

Hieronder zie je alle vormen van het werkwoord dat je in de Bouwer hebt gekozen. Verberg ze, zeg ze hardop op, en tik op een vakje om jezelf te controleren.

🎮 De Vormenjager

In dit spel krijg je telkens één woord te zien, met een vraag over de vorm van dat woord. Kies het goede antwoord. Het spel telt hoeveel vragen je achter elkaar goed hebt. Je beste reeks wordt op dit apparaat bewaard, zodat je haar op een andere dag kunt proberen te verbeteren.

🔥 Reeks: 0🏆 Beste: 0✔ Score: 0 / 0

مِنَ الْقُرْآنِ الْكَرِيمِ Uit de heilige Qurʾān

Elke vorm uit deze les staat in Verzen die je al kent of vaak hoort. Hieronder staan ze per vorm, met vertaling en ontleding. Het gouden woord is telkens de vorm waar het om gaat.

📝 Spelling

De Verzen staan hier in gewone spelling. In de muṣḥaf wordt de alif van de Ism al-Fāʿil vaak als kleine staande alif geschreven, bijvoorbeeld رَٰجِعُونَ en ٱلصَّٰبِرِينَ; de uitspraak is dezelfde.

1️⃣ Enkelvoud ♂

فَإِنَّ اللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ
«… dan is Allah waarlijk Waarderend, Alwetend.»
[Soerah al-Baqarah, 2:158 (slot)]
Het woord شَاكِرٌ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord شَكَرَ («hij dankte, hij waardeerde»). Het staat in het mannelijk enkelvoud en in de Rafʿ [ḍammah-positie]. Wanneer dit woord over een mens gaat, betekent het: «dankend», oftewel «degene die dankt». In dit Vers gaat het over Allah, en dan betekent het: «Degene Die de goede daden waardeert en beloont».
بَلْ هُوَ قُرْآنٌ مَجِيدٌ ۝ فِي لَوْحٍ مَحْفُوظٍ
«Nee, het is een glorierijke Qurʾān, in een Bewaarde Tablet.»
[Soerah al-Burūj, 85:21–22]
Het woord مَحْفُوظٍ is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord حَفِظَ («hij bewaarde»). Het staat in het mannelijk enkelvoud. Het is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] van لَوْحٍ («een tablet»). Het woord لَوْحٍ staat in de Jarr [kasrah-positie] omdat فِي («in») ervoor staat, en daarom staat مَحْفُوظٍ ook in de Jarr. Het betekent: «bewaard», oftewel «hetgeen bewaard is».
إِنَّ هٰذَا كَانَ لَكُمْ جَزَاءً وَكَانَ سَعْيُكُمْ مَشْكُورًا
«Voorwaar, dit is een beloning voor jullie, en jullie streven is gewaardeerd.»
[Soerah al-Insān, 76:22]
Het woord مَشْكُورًا is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord شَكَرَ. Het staat in het mannelijk enkelvoud en in de Naṣb [fatḥah-positie]. Dat zie je aan de fatḥatayn met de alif aan het einde. Het betekent: «gewaardeerd», oftewel «hetgeen gewaardeerd wordt».
عَسَىٰ أَنْ يَبْعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامًا مَحْمُودًا
«Het is nabij dat jouw Heer jou zal doen opstaan op een geprezen positie.»
[Soerah al-Isrāʾ, 17:79 (slot)]
Het woord مَحْمُودًا is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord حَمِدَ («hij prees»). Het is de Ṣifah van مَقَامًا («een positie»). Omdat مَقَامًا in de Naṣb staat, staat مَحْمُودًا ook in de Naṣb. Het betekent: «geprezen», oftewel «hetgeen geprezen wordt».
صِرَاطَ الَّذِينَ أَنْعَمْتَ عَلَيْهِمْ غَيْرِ الْمَغْضُوبِ عَلَيْهِمْ وَلَا الضَّالِّينَ
«Het pad van degenen aan wie U gunsten heeft geschonken, niet (het pad) van degenen op wie de toorn rust, en niet (het pad) van de dwalenden.»
[Soerah al-Fātiḥah, 1:7]
Het woord الْمَغْضُوبِ is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord غَضِبَ («hij werd toornig»). Dat is een Lāzim-werkwoord [een werkwoord zonder lijdend voorwerp]. De Ism al-Mafʿūl kan hier toch gevormd worden, omdat het voorzetsel عَلَى erbij staat. Het woord staat in het enkelvoud, terwijl het over meerdere personen gaat. Het voornaamwoord هِمْ («hen») in عَلَيْهِمْ laat zien dat het om een meervoud gaat. De volledige uitleg staat in tabblad 4.

2️⃣ Enkelvoud ♀

وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ۝ إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٌ
«Gezichten zullen op die Dag stralend zijn, naar hun Heer kijkend.»
[Soerah al-Qiyāmah, 75:22–23]
Het woord نَاظِرَةٌ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord نَظَرَ («hij keek»). Het staat in het vrouwelijk enkelvoud en in de Rafʿ. Het is vrouwelijk enkelvoud, omdat وُجُوهٌ («gezichten») een meervoud van dingen is. Het betekent: «kijkend», oftewel «zij die kijkt».
فِيهَا سُرُرٌ مَرْفُوعَةٌ
«Daarin zijn verhoogde rustbanken.»
[Soerah al-Ghāshiyah, 88:13]
Het woord مَرْفُوعَةٌ is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord رَفَعَ («hij verhief»). Het staat in het vrouwelijk enkelvoud en in de Rafʿ. Het is de Ṣifah van سُرُرٌ («rustbanken»), en dat is een meervoud van dingen. Het betekent: «verhoogd», oftewel «hetgeen verhoogd is».
وَفَاكِهَةٍ كَثِيرَةٍ ۝ لَا مَقْطُوعَةٍ وَلَا مَمْنُوعَةٍ
«En overvloedig fruit, niet onderbroken en niet ontzegd.»
[Soerah al-Wāqiʿah, 56:32–33]
De woorden مَقْطُوعَةٍ en مَمْنُوعَةٍ zijn een Ism al-Mafʿūl van de werkwoorden قَطَعَ («hij sneed af») en مَنَعَ («hij ontzegde»). Beide woorden staan in het vrouwelijk enkelvoud en in de Jarr. Zij horen bij het woord فَاكِهَةٍ («fruit»), en dat woord is vrouwelijk en staat in de Jarr. Het woord مَقْطُوعَةٍ betekent: «afgesneden», oftewel «hetgeen onderbroken wordt». Het woord مَمْنُوعَةٍ betekent: «ontzegd», oftewel «hetgeen iemand ontzegd wordt». Het fruit van het Paradijs is dus geen van beide: het houdt nooit op, en het wordt niemand ontzegd.

3️⃣ Tweevoud

كَانَتَا تَحْتَ عَبْدَيْنِ مِنْ عِبَادِنَا صَالِحَيْنِ
«Zij waren beiden gehuwd met twee rechtschapen dienaren van Onze dienaren.»
[Soerah at-Taḥrīm, 66:10 (deel)]
Het woord صَالِحَيْنِ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord صَلَحَ («hij was rechtschapen»). Het staat in het mannelijk tweevoud en in de Jarr. Het is de Ṣifah van عَبْدَيْنِ («twee dienaren»), en dat woord staat in de Jarr omdat تَحْتَ ervoor staat. Het betekent: «twee rechtschapenen», oftewel «twee mannelijke personen die rechtschapen zijn».

Het tweevoud in de Rafʿ (ـَانِ) oefen je met eigen zinnen in het tabblad Tweevoud en in de Conversatie.

4️⃣ Meervoud ♂

إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّا إِلَيْهِ رَاجِعُونَ
«Voorwaar, wij behoren Allah toe, en voorwaar, tot Hem keren wij terug.»
[Soerah al-Baqarah, 2:156 (slot)]
Het woord رَاجِعُونَ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord رَجَعَ («hij keerde terug»). Het staat in het mannelijk meervoud en in de Rafʿ. Dat zie je aan de uitgang ـُونَ. Het betekent: «terugkerenden», oftewel «degenen die terugkeren».
إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ
«Voorwaar, Wij hebben de Vermaning neergezonden, en voorwaar, Wij zijn er de Bewaarders van.»
[Soerah al-Ḥijr, 15:9]
Het woord حَافِظُونَ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord حَفِظَ («hij bewaarde»). Het staat in het mannelijk meervoud en in de Rafʿ. De لَـ die ervoor staat, geeft extra nadruk. Je vertaalt haar met «waarlijk». Het betekent: «Bewaarders». Allah spreekt hier over Zichzelf met het woord «Wij». Dat is normaal taalgebruik wanneer iemand vanuit gezag spreekt. Koningen doen dat ook. De koning van Nederland begint een wet met de woorden: «Wij, Koning der Nederlanden». Hij is één persoon, en toch zegt hij «Wij». Deze manier van spreken heet de pluralis majestatis [het meervoud van majesteit]. Wanneer Allah vanuit gezag en majesteit spreekt, om onze aandacht te vestigen op Zijn Almacht en Zijn Majesteit, dan openbaart Hij in de pluralis majestatis. Hij doet dat om Zijn Almacht en Zijn Majesteit aan te geven, en niet om aan te geven dat het om een meervoud gaat. Allah is Eén.
إِنَّهُمْ لَهُمُ الْمَنْصُورُونَ
«Voorwaar, zij zijn het die geholpen worden.»
[Soerah aṣ-Ṣāffāt, 37:172]
Het woord الْمَنْصُورُونَ is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord نَصَرَ («hij hielp»). Het staat in het mannelijk meervoud en in de Rafʿ. Het betekent: «degenen die geholpen worden».
إِنَّ اللَّهَ مَعَ الصَّابِرِينَ
«Voorwaar, Allah is met de geduldigen.»
[Soerah al-Baqarah, 2:153 (slot)]
Het woord الصَّابِرِينَ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord صَبَرَ («hij was geduldig»). Het staat in het mannelijk meervoud. Het woord مَعَ («met») staat ervoor, en daarom staat الصَّابِرِينَ in de Jarr. Dat zie je aan de uitgang ـِينَ. Het betekent: «de geduldigen», oftewel «degenen die geduldig zijn».
وَارْكَعُوا مَعَ الرَّاكِعِينَ
«En buigt met de buigenden.»
[Soerah al-Baqarah, 2:43 (slot)]
Het woord الرَّاكِعِينَ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord رَكَعَ («hij boog»). Het staat in het mannelijk meervoud, en het staat in de Jarr omdat مَعَ ervoor staat. Het woord ارْكَعُوا aan het begin is de Amr (gebiedende wijs) van hetzelfde werkwoord. Die vorm ken je uit Blok 2. Het betekent: «de buigenden», oftewel «degenen die buigen».
وَسَيَجْزِي اللَّهُ الشَّاكِرِينَ
«En Allah zal de dankbaren belonen.»
[Soerah Āl ʿImrān, 3:144 (slot)]
Het woord الشَّاكِرِينَ is een Ism al-Fāʿil van het werkwoord شَكَرَ. Het staat in het mannelijk meervoud. Het is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp] van يَجْزِي («Hij beloont»), en daarom staat het in de Naṣb. Het betekent: «de dankbaren», oftewel «degenen die dankbaar zijn».

5️⃣ Meervoud ♀

فَالصَّالِحَاتُ قَانِتَاتٌ حَافِظَاتٌ لِلْغَيْبِ
«De rechtschapen vrouwen zijn dus toegewijd gehoorzaam, bewaaksters van het verborgene.»
[Soerah an-Nisāʾ, 4:34 (deel)]
In dit deel van het Vers staat drie keer een Ism al-Fāʿil in het vrouwelijk meervoud en in de Rafʿ: الصَّالِحَاتُ van صَلَحَ («hij was rechtschapen»), قَانِتَاتٌ van قَنَتَ («hij was toegewijd gehoorzaam») en حَافِظَاتٌ van حَفِظَ («hij bewaarde»). Het woord الصَّالِحَاتُ betekent: «de rechtschapen vrouwen». Het woord قَانِتَاتٌ betekent: «toegewijd gehoorzame vrouwen». En het woord حَافِظَاتٌ betekent: «vrouwen die bewaren», oftewel «bewaaksters».
إِنَّ الْمُسْلِمِينَ وَالْمُسْلِمَاتِ وَالْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ وَالْقَانِتِينَ وَالْقَانِتَاتِ وَالصَّادِقِينَ وَالصَّادِقَاتِ وَالصَّابِرِينَ وَالصَّابِرَاتِ وَالْخَاشِعِينَ وَالْخَاشِعَاتِ وَالْمُتَصَدِّقِينَ وَالْمُتَصَدِّقَاتِ وَالصَّائِمِينَ وَالصَّائِمَاتِ وَالْحَافِظِينَ فُرُوجَهُمْ وَالْحَافِظَاتِ وَالذَّاكِرِينَ اللَّهَ كَثِيرًا وَالذَّاكِرَاتِ أَعَدَّ اللَّهُ لَهُمْ مَغْفِرَةً وَأَجْرًا عَظِيمًا
«Voorwaar, de moslimmannen en de moslimvrouwen, de gelovige mannen en de gelovige vrouwen, de toegewijd gehoorzame mannen en de toegewijd gehoorzame vrouwen, de waarachtige mannen en de waarachtige vrouwen, de geduldige mannen en de geduldige vrouwen, de ootmoedige mannen en de ootmoedige vrouwen, de mannen die aalmoezen geven en de vrouwen die aalmoezen geven, de vastende mannen en de vastende vrouwen, de mannen die hun kuisheid bewaken en de vrouwen die hun kuisheid bewaken, de mannen die Allah veelvuldig gedenken en de vrouwen die Allah veelvuldig gedenken: voor hen heeft Allah vergeving en een geweldige beloning bereid.»
[Soerah al-Aḥzāb, 33:35]
Het Vers begint met إِنَّ («voorwaar»). Het woord إِنَّ zet het naamwoord dat erna komt in de Naṣb, en alle woorden die met وَ («en») daaraan verbonden zijn, staan ook in de Naṣb. De goudgekleurde woorden in het midden zijn een Ism al-Fāʿil in het meervoud. De mannelijke woorden krijgen in de Naṣb de uitgang ـِينَ. De vrouwelijke woorden krijgen in de Naṣb de uitgang ـَاتِ met een kasrah, want het vrouwelijk meervoud krijgt nooit een fatḥah aan het einde.
الْحَجُّ أَشْهُرٌ مَعْلُومَاتٌ
«De Ḥajj valt in bekende maanden.»
[Soerah al-Baqarah, 2:197 (begin)]
Het woord مَعْلُومَاتٌ is een Ism al-Mafʿūl van het werkwoord عَلِمَ («hij wist»). Het staat in het vrouwelijk meervoud en in de Rafʿ. Het is de Ṣifah van أَشْهُرٌ («maanden»). Een meervoud van dingen krijgt een vrouwelijke Ṣifah. Meestal staat die Ṣifah in het vrouwelijk enkelvoud, maar zoals je hier ziet kan zij ook in het vrouwelijk meervoud staan. Het betekent: «bekend», oftewel «hetgeen bekend is».
🔎 Let op: één klinker verschil

الْعَالَمِينَ in Soerah al-Fātiḥah (رَبِّ الْعَالَمِينَ, «Heer van de werelden») heeft een fatḥah op de lām en is het meervoud van عَالَمٌ, «wereld». Het is géén Ism al-Fāʿil. Met een kasrah — الْعَالِمِينَ — betekent het «de wetenden».

سَكِينَةٌ وَإِيمَانٌ Innerlijke Rust & Īmān

Hieronder staan drie korte Verzen die innerlijke rust geven en de īmān versterken. Je kunt deze Verzen nu reciteren en ook begrijpen wat de woorden betekenen.

إِنَّ اللَّهَ مَعَ الصَّابِرِينَ
«Voorwaar, Allah is met de geduldigen.»
[Soerah al-Baqarah, 2:153]
Wie geduld oefent, staat er niet alleen voor. Allah belooft in dit Vers niet dat de beproeving kleiner wordt. Hij belooft iets dat veel groter is: dat Hij Zelf met de geduldigen is, met Zijn hulp en Zijn steun. En wie de hulp van Allah heeft, die heeft alles wat hij of zij nodig heeft, in het hier en nu alsook in het Hiernamaals.
إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّا إِلَيْهِ رَاجِعُونَ
«Voorwaar, wij behoren Allah toe, en voorwaar, tot Hem keren wij terug.»
[Soerah al-Baqarah, 2:156]
Deze woorden zeg je wanneer je iets of iemand verliest. Nu begrijp je ook het laatste woord: رَاجِعُونَ is een Ism al-Fāʿil en betekent «terugkerenden». Wij zijn allemaal op weg terug naar Allah. Wie dat beseft, kan een verlies met meer rust dragen. Moge Allah ons tot Hem laten terugkeren terwijl Hij tevreden met ons is.
وَكَانَ سَعْيُكُمْ مَشْكُورًا
«…en jullie streven is gewaardeerd.»
[Soerah al-Insān, 76:22]
Allah waardeert elke inspanning die je voor Hem doet, en geen enkele inspanning gaat verloren. Dat geldt ook voor de moeite die je vandaag doet om de taal van de heilige Qurʾān te leren. Voor die moeite word je, in shāʾ Allāh, beloond in het hier en nu alsook in het Hiernamaals.

بَصَائِرُ Spirituele inzichten

🛡️ Bewaarder en bewaard

De woorden حَافِظُونَ (Soerah al-Ḥijr, Vers 9) en مَحْفُوظٍ (Soerah al-Burūj, Vers 22) komen van dezelfde wortel ح ف ظ. Het eerste woord is een Ism al-Fāʿil en zegt wie bewaart. Het betekent: «Bewaarders». Het tweede woord is een Ism al-Mafʿūl en zegt wat bewaard wordt. Het betekent: «bewaard», oftewel «hetgeen bewaard is». Allah zegt dat Hij de Bewaarder van de heilige Qurʾān is, en dat de heilige Qurʾān in een Bewaarde Tablet staat. Door de les van vandaag kun je dit verband zelf in het Arabisch zien.

🤝 Mannen en vrouwen, zij aan zij

In Soerah al-Aḥzāb, Vers 35, noemt Allah tien goede eigenschappen. Elke eigenschap wordt twee keer genoemd: eerst in het mannelijk meervoud en daarna in het vrouwelijk meervoud. Aan het einde van het Vers staat één belofte voor hen allemaal, voor de mannen en voor de vrouwen: vergeving en een geweldige beloning.

🧭 Van daad naar naam

In Soerah al-Baqarah, Vers 153, staat مَعَ الصَّابِرِينَ, wat betekent: «met de geduldigen», oftewel «met degenen die geduldig zijn». Het Vers gebruikt hier geen werkwoord, maar een Ism al-Fāʿil. Allah noemt deze mensen dus naar hun daad: zij zijn «de geduldigen». Wie het geduld blijft beoefenen, gaat bij deze groep horen.

Hetzelfde zie je bij het werkwoord صَدَقَ («hij sprak de waarheid») en de Ism al-Fāʿil صَادِقٌ («een waarachtige», oftewel «degene die de waarheid spreekt»). Wie steeds de waarheid spreekt, wordt een waarachtige genoemd. Moge Allah ons laten behoren tot de صَادِقِينَ, de waarachtigen, in het hier en nu alsook in het Hiernamaals.

مُحَادَثَةٌ Conversatie

Hieronder staan vier korte gesprekken. Het eerste gesprek gebruikt het enkelvoud, en het laatste gesprek gebruikt het meervoud. Lees eerst het hele gesprek hardop. Tik daarna op een zin. Je ziet dan stap voor stap hoe de zin is opgebouwd, en waarom. In deze gesprekken gebruik je de nieuwe vormen van deze les samen met wat je in Blok 1 en Blok 2 hebt geleerd.

🗣️ Zo oefen je

1. Lees het gesprek samen met een medestudent. Ieder leest één rol. 2. Bedek de Nederlandse vertaling en vertaal de zinnen zelf. 3. Verander één woord in een zin, bijvoorbeeld een andere persoon of een ander getal, en kijk of je de zin dan nog goed kunt bouwen.

Woorden voor deze gesprekken: هَلْ (dit woord maakt van een zin een vraag waarop je met ja of nee antwoordt), نَعَمْ («ja»), لَا («nee») en حَاضِرٌ («aanwezig», oftewel «degene die aanwezig is»). Het woord حَاضِرٌ is de Ism al-Fāʿil van het werkwoord حَضَرَ («hij was aanwezig»).

👳 Gesprek 1 — in de klas (♂ enkelvoud)

Yūsufهَلِ الدَّرْسُ مَكْتُوبٌ؟«Is de les geschreven?»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord هَلْ maakt van een zin een vraag waarop je met ja of nee antwoordt. Het verandert verder niets aan de zin. Omdat het volgende woord met الـ begint, krijgt هَلْ hier een kasrah. Dat maakt het uitspreken makkelijker: هَلِ.
  2. De zin الدَّرْسُ مَكْتُوبٌ is een Jumlah Ismiyyah [nominale zin]. Het woord الدَّرْسُ («de les») is de Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin]: het is bepaald en staat in de Rafʿ [ḍammah-positie]. Het woord مَكْتُوبٌ is de Khabar [gezegde]: het is onbepaald en staat ook in de Rafʿ.
  3. De Khabar مَكْتُوبٌ is een Ism al-Mafʿūl, want de les schrijft niet zelf. De les is datgene wat geschreven wordt.
Khālidنَعَمْ، الدَّرْسُ مَكْتُوبٌ فِي الْكِتَابِ«Ja, de les is geschreven in het boek.»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord نَعَمْ betekent «ja».
  2. Het woord فِي («in») is een Ḥarf al-Jarr [voorzetsel]. Het woord dat erna komt, staat in de Jarr [kasrah-positie]. Daarom heeft الْكِتَابِ («het boek») een kasrah.
Yūsufوَهَلْ أَنْتَ حَافِظٌ لِلدَّرْسِ؟«En ken jij de les uit het hoofd?»👆 tik voor de uitleg
  1. In أَنْتَ حَافِظٌ is أَنْتَ («jij») de Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin] en حَافِظٌ de Khabar [gezegde]. De Khabar is hier een Ism al-Fāʿil, want «jij» bent degene die de les bewaart, dat wil zeggen: uit het hoofd kent.
  2. Het woord لِلدَّرْسِ bestaat uit de Ḥarf al-Jarr [voorzetsel] لِـ en het woord الدَّرْسِ in de Jarr [kasrah-positie]. Letterlijk staat er: «Ben jij een bewaarder van de les?»
Khālidنَعَمْ، أَنَا حَافِظٌ لِلدَّرْسِ، وَالْحَمْدُ لِلَّهِ«Ja, ik ken de les uit het hoofd, en alle lof is voor Allah.»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord أَنَا («ik») is de Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin] en حَافِظٌ is de Khabar [gezegde]. Beide staan in de Rafʿ [ḍammah-positie].
  2. De woorden وَالْحَمْدُ لِلَّهِ («en alle lof is voor Allah») ken je uit Soerah al-Fātiḥah.

🧕 Gesprek 2 — twee zusters (♀ enkelvoud)

Maryamهَلْ أَنْتِ حَافِظَةٌ لِلسُّورَةِ؟«Ken jij de Soerah uit het hoofd?»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord أَنْتِ («jij») zeg je tegen een vrouw. De Khabar [gezegde] dient dan ook vrouwelijk te zijn. Daarom wordt حَافِظٌ hier حَافِظَةٌ, met de Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة].
  2. Het woord لِلسُّورَةِ bestaat uit de Ḥarf al-Jarr [voorzetsel] لِـ en het woord السُّورَةِ («de Soerah») in de Jarr [kasrah-positie].
Fāṭimahنَعَمْ، السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌ فِي قَلْبِي«Ja, de Soerah is bewaard in mijn hart.»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord السُّورَةُ is vrouwelijk. De Khabar [gezegde] dient dus ook vrouwelijk te zijn. Daarom wordt مَحْفُوظٌ («bewaard», oftewel «hetgeen bewaard is») hier مَحْفُوظَةٌ.
  2. Het woord قَلْبِي bestaat uit قَلْب («hart») en het aangehechte voornaamwoord ـِي («mijn»), dat je in Blok 2 hebt geleerd. Het woord staat in de Jarr [kasrah-positie], omdat فِي ervoor staat.
Maryamأَنْتِ طَالِبَةٌ صَابِرَةٌ«Jij bent een geduldige studente.»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord طَالِبَةٌ («een studente») is de Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt], en صَابِرَةٌ («geduldig») is haar Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord]. Beide woorden zijn vrouwelijk en onbepaald, en beide staan in de Rafʿ [ḍammah-positie].
  2. Ook طَالِبَةٌ is een Ism al-Fāʿil. Het komt van het werkwoord طَلَبَ («hij zocht»). Een student is dus letterlijk iemand die kennis zoekt.

✌️ Gesprek 3 — de leraar telt (tweevoud)

Leraarهَلِ الطَّالِبَانِ حَاضِرَانِ؟«Zijn de twee studenten aanwezig?»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord الطَّالِبَانِ («de twee studenten») is de Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin], en حَاضِرَانِ («aanwezig») is de Khabar [gezegde]. Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie]. Daarom hebben ze allebei de uitgang ـَانِ van het tweevoud.
Yūsufنَعَمْ، هُمَا حَاضِرَانِ«Ja, zij beiden zijn aanwezig.»👆 tik voor de uitleg
  1. Het voornaamwoord هُمَا («zij beiden») gebruik je voor twee mannen en ook voor twee vrouwen. Aan de Khabar [gezegde] zie je over wie het gaat. Hier staat حَاضِرَانِ, de mannelijke vorm. Het gaat dus over twee mannen.
Leraarوَهَلِ الطَّالِبَتَانِ حَاضِرَتَانِ؟«En zijn de twee studentes aanwezig?»👆 tik voor de uitleg
  1. Dit is het vrouwelijk tweevoud. De Tāʾ Marbūṭah (ة) van حَاضِرَةٌ verandert in een gewone tāʾ (ت), en daarna komt de uitgang ـَانِ erachter. Zo wordt حَاضِرَةٌ in het tweevoud حَاضِرَتَانِ.
Maryamنَعَمْ، هُمَا حَاضِرَتَانِ«Ja, zij beiden zijn aanwezig.»👆 tik voor de uitleg
  1. Hier staat hetzelfde voornaamwoord هُمَا. De Khabar [gezegde] حَاضِرَتَانِ is nu vrouwelijk. Het gaat dus over twee vrouwen.
Leraarشَكَرْتُ الطَّالِبَيْنِ وَالطَّالِبَتَيْنِ«Ik heb de twee studenten en de twee studentes bedankt.»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord شَكَرْتُ is de Māḍī [verleden tijd] voor «ik». De woorden die erna komen, zijn het Mafʿūl bihī (het lijdend voorwerp), en dat staat in de Naṣb [fatḥah-positie].
  2. In de Naṣb verandert de alif van het tweevoud in een yāʾ. Daarom wordt الطَّالِبَانِ hier الطَّالِبَيْنِ, en wordt الطَّالِبَتَانِ hier الطَّالِبَتَيْنِ.

👥 Gesprek 4 — de hele klas (meervoud)

Leraarهَلْ أَنْتُمْ صَابِرُونَ؟«Zijn jullie geduldig?»👆 tik voor de uitleg
  1. Het woord أَنْتُمْ («jullie») is de Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin], en صَابِرُونَ («geduldigen», oftewel «degenen die geduldig zijn») is de Khabar [gezegde]. De Khabar staat in de Rafʿ [ḍammah-positie] en in het mannelijk meervoud. Daarom heeft hij de uitgang ـُونَ.
Studentenنَعَمْ، نَحْنُ صَابِرُونَ شَاكِرُونَ«Ja, wij zijn geduldig en dankbaar.»👆 tik voor de uitleg
  1. Na de Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin] نَحْنُ («wij») staan hier twee Khabars achter elkaar: صَابِرُونَ («geduldig») en شَاكِرُونَ («dankbaar»). Beide staan in de Rafʿ [ḍammah-positie].
Leraarوَهَلِ الطَّالِبَاتُ حَاضِرَاتٌ؟«En zijn de studentes aanwezig?»👆 tik voor de uitleg
  1. Beide woorden staan in het vrouwelijk meervoud en in de Rafʿ [ḍammah-positie]. Het woord الطَّالِبَاتُ heeft الـ en krijgt daarom één ḍammah. Het woord حَاضِرَاتٌ heeft geen الـ en krijgt daarom tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord].
Maryamنَعَمْ، نَحْنُ حَاضِرَاتٌ«Ja, wij zijn aanwezig.»👆 tik voor de uitleg
  1. Het voornaamwoord نَحْنُ («wij») gebruik je voor mannen en ook voor vrouwen. Aan de Khabar [gezegde] zie je wie er spreken. Hier staat حَاضِرَاتٌ, het vrouwelijk meervoud. Er spreken dus vrouwen.
Leraarبَارَكَ اللَّهُ فِي الصَّابِرِينَ وَالصَّابِرَاتِ«Moge Allah de geduldige mannen en vrouwen zegenen.»👆 tik voor de uitleg
  1. De woorden بَارَكَ اللَّهُ فِي … zijn een vaste uitdrukking waarmee je voor iemand om zegen vraagt. Leer deze uitdrukking nu in haar geheel.
  2. Na فِي komt de Jarr [kasrah-positie]. Het mannelijk meervoud krijgt in de Jarr de uitgang ـِينَ: الصَّابِرِينَ. Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Jarr een kasrah: الصَّابِرَاتِ.
🎯 Nu jij

Speel gesprek 3 en gesprek 4 samen met een medestudent na, maar met andere woorden. Vervang حَاضِر door صَادِق («waarachtig») of door شَاكِر («dankbaar»). Let erop dat de leraar in zijn laatste zin de woorden in de Naṣb [fatḥah-positie] gebruikt.

تَمَارِينُ Oefeningen met uitwerkingen

Vijftien opgaven in vier soorten, oplopend in moeilijkheid. Probeer het eerst zelf en denk in stilte na vóórdat je de balk opent. De begeleiding leidt je in stappen naar het antwoord.

A

Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl

1. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: فَتَحَ («hij opende»).

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Voor de Ism al-Fāʿil zet je een alif na de eerste wortelletter ف, en je geeft de tweede wortelletter ت een kasrah. Zo krijg je فَاتِحٌ, «openend» of «een opener».
  2. Voor de Ism al-Mafʿūl zet je een mīm met een fatḥah vóór het woord. De eerste wortelletter ف krijgt een sukūn, de tweede wortelletter ت krijgt een ḍammah, en daarna komt een wāw. Zo krijg je مَفْتُوحٌ, «geopend».

Inzicht: Van één werkwoord maak je twee naamwoorden: de Ism al-Fāʿil zegt wie opent, en de Ism al-Mafʿūl zegt wat geopend is.

2. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: حَمِدَ («hij prees»).

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Ism al-Fāʿil is حَامِدٌ, «prijzend». Er staat een alif na de ح, en de م heeft een kasrah.
  2. De Ism al-Mafʿūl is مَحْمُودٌ, «geprezen». Er staat een mīm vooraan, en er staat een wāw na de tweede wortelletter م.

Inzicht: Het werkwoord حَمِدَ is van Bāb Samiʿa. Toch zijn de vormen dezelfde als bij de andere Abwāb [werkwoordsfamilies]: فَاعِلٌ en مَفْعُولٌ.

3. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: ذَكَرَ («hij noemde, hij gedacht»).

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Ism al-Fāʿil is ذَاكِرٌ, «gedenkend».
  2. De Ism al-Mafʿūl is مَذْكُورٌ, «genoemd».

Inzicht: De letter ذ wordt in het Arabische schrift niet verbonden met de letter die erna komt. Daardoor ziet het woord er anders uit, maar de vorm is dezelfde: فَاعِلٌ en مَفْعُولٌ.

4. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: جَلَسَ («hij zat»).

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Ism al-Fāʿil is جَالِسٌ, «zittend».
  2. Een Ism al-Mafʿūl heeft dit werkwoord op zichzelf niet. Het werkwoord جَلَسَ is Lāzim [intransitief/geen lijdend voorwerp hebbend]: het kan [zonder extra toevoeging van een voorzetsel] geen lijdend voorwerp hebben. Er is dus niets dat de handeling ondergaat.

Inzicht: Vraag je bij elk werkwoord af of het een lijdend voorwerp kan hebben. Alleen dan kun je er een Ism al-Mafʿūl van maken. Bij een Lāzim-werkwoord kan het alleen met een voorzetsel erbij, zoals in مَجْلُوسٌ عَلَيْهِ («iets waarop gezeten wordt»).

B

Verbuig

5. Zet شَاكِرٌ («dankbaar») in het vrouwelijk meervoud, in de Naṣb [fatḥah-positie] en met الـ.

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Maak het woord eerst vrouwelijk: شَاكِرَةٌ.
  2. Zet het daarna in het meervoud. De Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة] gaat weg, en de uitgang ـَاتٌ komt ervoor in de plaats: شَاكِرَاتٌ.
  3. Zet het in de Naṣb. Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb een kasrah: شَاكِرَاتٍ.
  4. Zet als laatste الـ ervoor. De tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] valt dan weg, en er blijft één kasrah over. De ش is een zonneletter en krijgt een shaddah. Het antwoord is: الشَّاكِرَاتِ.

Inzicht: Bouw een woord altijd in dezelfde volgorde: eerst het geslacht, dan het getal, dan de naamval en als laatste de bepaaldheid.

6. Zet عَالِمٌ («geleerde») in het mannelijk tweevoud en in de Jarr [kasrah-positie].

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Haal de tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] weg en geef de laatste wortelletter م een fatḥah.
  2. Het tweevoud krijgt in de Jarr de uitgang ـَيْنِ.
  3. Het antwoord is: عَالِمَيْنِ, «twee geleerden».

Inzicht: In het tweevoud zijn de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr gelijk. Beide hebben de uitgang ـَيْنِ.

7. Zet مَحْفُوظٌ («bewaard») in het vrouwelijk enkelvoud en in de Naṣb [fatḥah-positie].

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Maak het woord eerst vrouwelijk: مَحْفُوظَةٌ.
  2. In de Naṣb krijgt het woord fatḥatayn (twee fatḥahs) op de Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة]. Er komt geen alif achter.
  3. Het antwoord is: مَحْفُوظَةً.

Inzicht: Bij een mannelijk woord schrijf je in de Naṣb een alif na de fatḥatayn, zoals in كَاتِبًا. Na een Tāʾ Marbūṭah schrijf je die alif nooit.

8. Zet صَادِقٌ («waarachtig») in het mannelijk meervoud, in de Rafʿ [ḍammah-positie] en met الـ.

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. In het mannelijk meervoud in de Rafʿ krijgt de laatste wortelletter ق een ḍammah, en daarachter komt ـونَ: صَادِقُونَ.
  2. Zet الـ ervoor. De ص is een zonneletter en krijgt een shaddah: الصَّادِقُونَ.
  3. De nūn aan het einde blijft staan, ook met الـ.

Inzicht: Het mannelijk meervoud heeft geen tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord]. Daarom verandert de uitgang niet wanneer je الـ ervoor zet.

C

Herken in de heilige Qurʾān

Lees bij elke opgave eerst het Vers. Noem daarna van het goudgekleurde woord: de wortel, of het een Ism al-Fāʿil of een Ism al-Mafʿūl is, het geslacht, het getal en de naamval.

إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ
«Voorwaar, Wij hebben de Vermaning neergezonden, en voorwaar, Wij zijn er de Bewaarders van.»
[Soerah al-Ḥijr, 15:9]

9. Lees het Vers hierboven en ontleed het goudgekleurde woord لَحَافِظُونَ.

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De wortel van het woord is ح ف ظ, van het werkwoord حَفِظَ («hij bewaarde»).
  2. Er staat een alif na de eerste wortelletter ح, en de tweede wortelletter ف heeft een kasrah. Het is dus een Ism al-Fāʿil.
  3. De uitgang ـُونَ laat zien dat het woord in het mannelijk meervoud en in de Rafʿ [ḍammah-positie] staat.
  4. De لَـ aan het begin hoort niet bij het woord zelf. Zij geeft extra nadruk, en je vertaalt haar met «waarlijk».

Inzicht: Kijk bij het ontleden eerst naar het midden van het woord, want daar zie je de vorm (فَاعِلٌ of مَفْعُولٌ). Kijk daarna naar het einde van het woord, want daar zie je het geslacht, het getal en de naamval.

الْحَجُّ أَشْهُرٌ مَعْلُومَاتٌ
«De Ḥajj valt in bekende maanden.»
[Soerah al-Baqarah, 2:197 (begin van het Vers)]

10. Lees het begin van het Vers hierboven en ontleed het goudgekleurde woord مَعْلُومَاتٌ.

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De wortel van het woord is ع ل م, van het werkwoord عَلِمَ («hij wist»).
  2. Het woord begint met een mīm, en er staat een wāw na de tweede wortelletter ل. Het is dus een Ism al-Mafʿūl.
  3. De uitgang ـَاتٌ laat zien dat het woord in het vrouwelijk meervoud en in de Rafʿ [ḍammah-positie] staat.

Inzicht: Het woord مَعْلُومَاتٌ is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] van أَشْهُرٌ («maanden»). Het woord أَشْهُرٌ is een meervoud van dingen, en daarom is de Ṣifah vrouwelijk.

إِنَّ الْمُسْلِمِينَ وَالْمُسْلِمَاتِ وَالْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ وَالْقَانِتِينَ وَالْقَانِتَاتِ وَالصَّادِقِينَ وَالصَّادِقَاتِ وَالصَّابِرِينَ وَالصَّابِرَاتِ وَالْخَاشِعِينَ وَالْخَاشِعَاتِ وَالْمُتَصَدِّقِينَ وَالْمُتَصَدِّقَاتِ وَالصَّائِمِينَ وَالصَّائِمَاتِ وَالْحَافِظِينَ فُرُوجَهُمْ وَالْحَافِظَاتِ وَالذَّاكِرِينَ اللَّهَ كَثِيرًا وَالذَّاكِرَاتِ أَعَدَّ اللَّهُ لَهُمْ مَغْفِرَةً وَأَجْرًا عَظِيمًا
«Voorwaar, de moslimmannen en de moslimvrouwen, de gelovige mannen en de gelovige vrouwen, de toegewijd gehoorzame mannen en de toegewijd gehoorzame vrouwen, de waarachtige mannen en de waarachtige vrouwen, de geduldige mannen en de geduldige vrouwen, de ootmoedige mannen en de ootmoedige vrouwen, de mannen die aalmoezen geven en de vrouwen die aalmoezen geven, de vastende mannen en de vastende vrouwen, de mannen die hun kuisheid bewaken en de vrouwen die hun kuisheid bewaken, de mannen die Allah veelvuldig gedenken en de vrouwen die Allah veelvuldig gedenken: voor hen heeft Allah vergeving en een geweldige beloning bereid.»
[Soerah al-Aḥzāb, 33:35]

11. Lees het Vers hierboven en ontleed het woord وَالصَّابِرَاتِ, dat in het Vers goud gekleurd is. Leg ook uit waarom dit woord een kasrah aan het einde heeft.

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De wortel van het woord is ص ب ر, van het werkwoord صَبَرَ («hij was geduldig»). Het is een Ism al-Fāʿil in het vrouwelijk meervoud, met الـ ervoor. De وَ aan het begin betekent «en».
  2. Het Vers begint met إِنَّ. Het woord إِنَّ zet het naamwoord dat erna komt in de Naṣb [fatḥah-positie], en alle woorden die met وَ («en») daaraan verbonden zijn, staan ook in de Naṣb. Er staat geen Ḥarf al-Jarr [voorzetsel] vóór dit woord. De kasrah is hier dus niet het teken van de Jarr [kasrah-positie].
  3. Het woord dat er vlak voor staat, وَالصَّابِرِينَ, is het mannelijk meervoud van hetzelfde woord. Het heeft de uitgang ـِينَ. Die uitgang hoort bij de Naṣb [fatḥah-positie] en ook bij de Jarr [kasrah-positie]. Aan de vorm alleen kun je dus niet zien welke van de twee het is. Je ziet wel dat het woord niet in de Rafʿ [ḍammah-positie] staat, want dan zou er وَالصَّابِرُونَ staan. Dat het de Naṣb is, weet je uit stap 2: het woord is met وَ verbonden aan het naamwoord na إِنَّ.

Inzicht: Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb én in de Jarr een kasrah. Het mannelijk meervoud heeft in de Naṣb én in de Jarr dezelfde uitgang ـِينَ. Om te weten of een woord in de Naṣb of in de Jarr staat, moet je daarom naar de rest van de zin kijken.

D

Vertaal naar het Arabisch

Woorden: بَابٌ (deur), مُعَلِّمٌ (leraar), مُعَلِّمَةٌ (lerares), السَّلَامُ عَلَى (vrede zij met).

12. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «De twee deuren zijn geopend.»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin] is «de twee deuren». Zet بَابٌ in het tweevoud, in de Rafʿ [ḍammah-positie] en met الـ: الْبَابَانِ.
  2. De Khabar [gezegde] is «geopend». Dat is de Ism al-Mafʿūl van فَتَحَ: مَفْتُوحٌ. Zet hem ook in het tweevoud en in de Rafʿ, maar zonder الـ: مَفْتُوحَانِ.
  3. Het antwoord is: الْبَابَانِ مَفْتُوحَانِ.

Inzicht: De Khabar komt in getal en in geslacht overeen met de Mubtadaʾ, maar hij krijgt geen الـ.

13. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «De leraren zijn aanwezig en dankbaar.»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin] is «de leraren»: الْمُعَلِّمُونَ. Dat is het mannelijk meervoud in de Rafʿ [ḍammah-positie].
  2. Er zijn twee Khabars: «aanwezig» en «dankbaar». Beide staan in het mannelijk meervoud en in de Rafʿ: حَاضِرُونَ en شَاكِرُونَ.
  3. Het antwoord is: الْمُعَلِّمُونَ حَاضِرُونَ شَاكِرُونَ.

Inzicht: Alle drie de woorden hebben de uitgang ـُونَ, omdat ze alle drie in de Rafʿ staan.

14. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «Ik bedankte de geduldige leraressen.»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Na شَكَرْتُ («ik bedankte») komt het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], in de Naṣb [fatḥah-positie]. «De leraressen» is het vrouwelijk meervoud, en dat krijgt in de Naṣb een kasrah: الْمُعَلِّمَاتِ.
  2. De Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] «geduldig» komt in alles overeen met haar Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt]: zij is bepaald en vrouwelijk, en zij staat in het meervoud en in de Naṣb. Dat wordt: الصَّابِرَاتِ.
  3. Het antwoord is: شَكَرْتُ الْمُعَلِّمَاتِ الصَّابِرَاتِ.

Inzicht: Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb een kasrah. Dat geldt voor de Mawṣūf en ook voor haar Ṣifah.

15. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «Vrede zij met de waarachtigen.»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Na عَلَى komt de Jarr [kasrah-positie].
  2. «De waarachtigen» is het mannelijk meervoud van صَادِقٌ. In de Jarr krijgt het de uitgang ـِينَ, en met الـ wordt het: الصَّادِقِينَ.
  3. Het antwoord is: السَّلَامُ عَلَى الصَّادِقِينَ.

Inzicht: Van één werkwoord kun je met de stappen uit deze les 36 verschillende vormen bouwen. Je hoeft deze vormen niet uit het hoofd te leren. Als je de stappen kent, kun je elke vorm zelf bouwen.

مُرَاجَعَةٌ Herhaling

In vier korte rondes verbind je de nieuwe vormen van deze les met wat je in Blok 1 en Blok 2 hebt geleerd.

🔄 Ronde 1 — Eén wortel, vijf vormen

Van elk werkwoord ken je al drie vormen: de Māḍī [verleden tijd], de Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] en de Amr [gebiedende wijs]. In deze les heb je twee vormen van dezelfde wortel erbij geleerd: de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl.

MāḍīMuḍāriʿAmrIsm al-FāʿilIsm al-MafʿūlBāb
كَتَبَيَكْتُبُاُكْتُبْكَاتِبٌمَكْتُوبٌNaṣara · schrijven
حَفِظَيَحْفَظُاِحْفَظْحَافِظٌمَحْفُوظٌSamiʿa · bewaren
فَتَحَيَفْتَحُاِفْتَحْفَاتِحٌمَفْتُوحٌFataḥa · openen

Maak dezelfde rij vanuit de volgende twee werkwoorden, namelijk: شَكَرَ («hij dankte») en نَصَرَ («hij hielp»).

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. Voor شَكَرَ («hij dankte») is de rij: شَكَرَ – يَشْكُرُ – اُشْكُرْ – شَاكِرٌ – مَشْكُورٌ. Het werkwoord is van Bāb Naṣara.
  2. Voor نَصَرَ («hij hielp») is de rij: نَصَرَ – يَنْصُرُ – اُنْصُرْ – نَاصِرٌ – مَنْصُورٌ. Ook dit werkwoord is van Bāb Naṣara.

Inzicht: Van één wortel ken je nu vijf vormen. Zo leer je met elk nieuw werkwoord vijf woorden tegelijk.

🔙 Ronde 2 — Van Ism al-Fāʿil terug naar de Bāb

Noem bij elk woord de Māḍī, de Muḍāriʿ en de Bāb.

صَابِرٌ «geduldig»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Māḍī [verleden tijd] is صَبَرَ («hij was geduldig»).
  2. De Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] is يَصْبِرُ. De tweede wortelletter ب heeft een kasrah.
  3. Het werkwoord is dus van Bāb Ḍaraba.

Inzicht: Aan de Ism al-Fāʿil kun je niet zien van welke Bāb het werkwoord is, want de vorm فَاعِلٌ is bij elke Bāb dezelfde. Om de Bāb te weten heb je naast de Madi ook de Muḍāriʿ nodig.

عَالِمٌ «wetend»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Māḍī [verleden tijd] is عَلِمَ («hij wist»).
  2. De Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] is يَعْلَمُ. De tweede wortelletter ل heeft een fatḥah.
  3. Het werkwoord is dus van Bāb Samiʿa.

Inzicht: Ook dit werkwoord heeft de vorm فَاعِلٌ, terwijl het van een andere Bāb is dan صَبَرَ.

سَاجِدٌ «neerknielend»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Māḍī [verleden tijd] is سَجَدَ («hij knielde neer»).
  2. De Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] is يَسْجُدُ. De tweede wortelletter ج heeft een ḍammah.
  3. Het werkwoord is dus van Bāb Naṣara.

Inzicht: De Amr [gebiedende wijs] van dit werkwoord is اُسْجُدْ («kniel neer!»). Hij komt van dezelfde wortel س ج د.

رَاكِعٌ «buigend»

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. De Māḍī [verleden tijd] is رَكَعَ («hij boog»).
  2. De Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] is يَرْكَعُ. De tweede wortelletter ك heeft een fatḥah.
  3. Het werkwoord is dus van Bāb Fataḥa.

Inzicht: De Amr [gebiedende wijs] van dit werkwoord staat in de heilige Qurʾān: وَارْكَعُوا («en buigt»), in Soerah al-Baqarah, Vers 43.

🌉 Ronde 3 — Van passief naar Ism al-Mafʿūl

Hieronder staan drie zinnen met een passief werkwoord. Naast elke zin staat een Jumlah Ismiyyah [nominale zin] met een Ism al-Mafʿūl, die bijna hetzelfde betekent.

Passieve zinVertalingMet Ism al-MafʿūlVertaling
كُتِبَ الدَّرْسُDe les werd geschreven.الدَّرْسُ مَكْتُوبٌDe les is geschreven.
فُتِحَ الْبَابُDe deur werd geopend.الْبَابُ مَفْتُوحٌDe deur is geopend.
حُفِظَتِ السُّورَةُDe Soerah werd uit het hoofd geleerd.السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌDe Soerah is bewaard.

🔗 Ronde 4 — Ism al-Fāʿil in de Iḍāfah en met een voornaamwoord

Een Ism al-Fāʿil kan ook een Muḍāf [het eerste woord van de Iḍāfah] zijn, net als elk ander Ism. De Muḍāf krijgt geen tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] en geen الـ, en het woord dat erna komt (de Muḍāf ilayhi [het tweede woord van de Iḍāfah]) staat in de Jarr [kasrah-positie].

اللَّهُ خَالِقُ كُلِّ شَيْءٍ
«Allah is de Schepper van alle dingen.»
[Soerah az-Zumar, 39:62] — خَالِقُ is Muḍāf, zonder tanwīn; كُلِّ is Muḍāf ilayhi, Jarr
VoorbeeldVertalingUitleg
كَاتِبُ الدَّرْسِde schrijver van de lesIḍāfah
نَاصِرُهُzijn helperIsm al-Fāʿil + ـهُ uit Blok 2
حَافِظُهَاhaar bewaarder / wie haar bewaartIsm al-Fāʿil + ـهَا

Vertaal de volgende twee uitdrukkingen naar het Arabisch, namelijk: «de opener van de deur» en «mijn helper».

Bekijk de stapsgewijze begeleiding
  1. «De opener van de deur» is een Iḍāfah [bezitsconstructie]. De Muḍāf [het eerste woord van de Iḍāfah] فَاتِحُ krijgt geen tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] en geen الـ. De Muḍāf ilayhi [het tweede woord van de Iḍāfah] الْبَابِ staat in de Jarr [kasrah-positie]. Het antwoord is: فَاتِحُ الْبَابِ.
  2. «Mijn helper» maak je met het aangehechte voornaamwoord ـِي («mijn») achter نَاصِر. Het antwoord is: نَاصِرِي.

Inzicht: Alles wat je over het Ism hebt geleerd, geldt ook voor de Ism al-Fāʿil. Hij kan Muḍāf zijn, en hij kan een aangehecht voornaamwoord krijgen.

عِشْرُونَ كَلِمَةً 20 Woorden uit de heilige Qurʾān

Tien woorden uit de Verzen van deze les en tien veelvoorkomende Qurʾān-woorden om erbij te leren. Je vindt ze ook in de flashcard-app.

🃏 Oefen in de flashcard-app

🅰️ Tien woorden uit deze les

Nr.WoordVertalingSoortWortel en BābVers
1حَافِظٌbewarend, bewaarderIsm al-Fāʿilحَفِظَ, Samiʿa15:9
2شَاكِرٌdankbaar, waarderendIsm al-Fāʿilشَكَرَ, Naṣara2:158
3صَابِرٌgeduldigIsm al-Fāʿilصَبَرَ, Ḍaraba2:153
4صَالِحٌrechtschapenIsm al-Fāʿilصَلَحَ, Naṣara66:10
5رَاكِعٌbuigendIsm al-Fāʿilرَكَعَ, Fataḥa2:43
6خَالِقٌSchepperIsm al-Fāʿilخَلَقَ, Naṣara39:62
7مَحْفُوظٌbewaardIsm al-Mafʿūlحَفِظَ, Samiʿa85:22
8مَشْكُورٌgewaardeerdIsm al-Mafʿūlشَكَرَ, Naṣara76:22
9مَنْصُورٌgeholpenIsm al-Mafʿūlنَصَرَ, Naṣara37:172
10مَعْلُومٌbekendIsm al-Mafʿūlعَلِمَ, Samiʿa2:197

Deze woorden staan hier in de basisvorm: het mannelijk enkelvoud in de Rafʿ [ḍammah-positie]. In het Vers zelf staan ze in de vorm die op die plaats in het Vers nodig is.

De volledige betekenis van deze tien woorden ziet er als volgt uit:

🅱️ Tien veelvoorkomende Qurʾān-woorden

Nr.WoordVertalingWoordsoortBāb of opmerking
11رَأَىhij zagFiʿlFataḥa (يَرَى); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren
12دَعَاhij riep aan, smeekteFiʿlNaṣara (يَدْعُو); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren
13سَأَلَhij vroegFiʿlFataḥa (يَسْأَلُ); met hamzah
14وَجَدَhij vondFiʿlḌaraba (يَجِدُ); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren
15أَكَلَhij atFiʿlNaṣara (يَأْكُلُ); met hamzah
16لَيْسَhij is nietFiʿlheeft de vorm van de Māḍī [verleden tijd], maar de betekenis van de tegenwoordige tijd; een Muḍāriʿ heeft het niet
17نَظَرَhij keekFiʿlNaṣara (يَنْظُرُ); zie نَاظِرَةٌ in 75:23
18قَتَلَhij dooddeFiʿlNaṣara (يَقْتُلُ)
19خَافَhij vreesdeFiʿlSamiʿa (يَخَافُ); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren
20أَوَّلُeersteIsm—

الْخَاتِمَةُ Tot besluit

🌾 Wat je vandaag hebt gebouwd

Van één werkwoord met drie wortelletters heb je twee naamwoorden leren bouwen: de Ism al-Fāʿil (فَاعِلٌ) voor degene die de handeling doet, en de Ism al-Mafʿūl (مَفْعُولٌ) voor wat de handeling ondergaat. Je hebt deze twee naamwoorden vrouwelijk gemaakt, je hebt ze in het tweevoud en in het meervoud gezet, en je hebt ze in alle drie de naamvallen verbogen. Samen zijn dat 36 vormen van één werkwoord. Je hoeft deze vormen niet uit het hoofd te leren, want je kent de stappen waarmee je ze bouwt.

📝 Voor deze week

Als je deze opdrachten elke dag een klein beetje doet, dan beheers je de stof van deze les vóór de volgende les, in shāʾ Allāh.

اللَّهُمَّ انْفَعْنِي بِمَا عَلَّمْتَنِي، وَعَلِّمْنِي مَا يَنْفَعُنِي، وَزِدْنِي عِلْمًا
«O Allah, laat mij profijt hebben van wat U mij hebt onderwezen, onderwijs mij wat mij tot nut is, en vermeerder mij in kennis.»
[Overgeleverd door at-Tirmidhī en Ibn Mājah]

De woorden رَاجِعُونَ, الصَّابِرِينَ en الْمَغْضُوبِ عَلَيْهِمْ heb je al vaak gereciteerd en gehoord. Vanaf vandaag begrijp je ook hoe deze woorden zijn opgebouwd, en kun je zulke woorden zelf bouwen. Moge Allah deze kennis tot een licht maken in je ṣalāh en in je leven, in het hier en nu alsook in het Hiernamaals. Āmīn.