Uit heel veel werkwoorden die je kent, groeien twee naamwoorden: de ism al-Fa'il oftewel: hij die doet-vorm, en de ism al-Maf'ul, oftewel: hij die gedaan wordt-vorm. Sommige werkwoorden hebben op zichzelf alleen het eerste naamwoord, omdat er bij die werkwoorden niets is wat de handeling rechtstreeks ondergaat. Een voorbeeld is جَلَسَ («hij zat»). Vandaag leer je ze bouwen — en daarna vrouwelijk, in het tweevoud en in het meervoud zetten.
Dierbare student, alḥamdulillāh dat Allah je hierheen heeft gebracht. Twee blokken lang heb je wortels laten groeien: letters, woordsoorten, naamvallen, de Māḍī, de Muḍāriʿ, de zes Abwāb, voornaamwoorden, de Amr en hele zinnen. Wie dat heeft volbracht, staat niet meer aan het begin van de weg — hij of zij staat op een stevig fundament, klaar om verder te bouwen.
In dit derde blok ga je merken dat de taal van de heilige Qurʾān zich steeds verder voor je opent. Woorden die je vroeger alleen als klank herkende, krijgen een vorm, een familie en een betekenis. En het mooiste: bijna alles wat nieuw is, rust op wat je al kent.
Elke dag sta je in het Hof van je Heer en reciteer je Zijn Woorden. Hoe meer je begrijpt, hoe meer je hart meeleeft met wat je tong zegt.
Een vertaling is als een lamp achter een raam. Het Arabisch opent het raam zelf: je ziet het licht zoals het is neergezonden.
Elke wortel die je leert, opent tientallen woorden. Wat je nu zaait, oogst je de rest van je leven in het hier en nu alsook in het Hiernamaals, in shāʾ Allāh.
Imām al-Bukhārī (rahmatulLaahi 'alaih) opende zijn Ṣaḥīḥ compilatie met deze overlevering — om ons bewust te maken van het feit dat: vóór elke kennis de intentie zuiver dient te zijn wil je dat die kennis nuttig is en ervoor beloond worden met Allah's Tevredenheid. En let eens op wat deze overlevering van je vraagt: niet alleen dat je iets dóét, maar dat je iemand wórdt — iemand die oprecht is. Dat verschil leer je vandaag in de taal zelf: van صَدَقَ, «hij sprak de waarheid», naar صَادِقٌ, «een waarachtige».
Kies wat in jouw hart leeft. Je mag er meer kiezen — elke goede intentie is een extra beloning.
We openen deur 1. Je kent het werkwoord: كَتَبَ, «hij schreef». Vandaag haal je daar twee naamwoorden uit: de doener (كَاتِبٌ, «schrijvend / een schrijver») en wat de handeling ondergaat (مَكْتُوبٌ, «geschreven»). Daarna maak je ze vrouwelijk, zet je ze in het tweevoud en in het meervoud, bouw je zelf in de Bouwer, speel je de Vormenjager, en zie je de nieuwe vormen terug in de heilige Qurʾān — op plekken die je al jaren reciteert.
Dit tabblad behandelen we samen in de online les. Het bevat de hele kern in zeven korte delen, elk met een oefening. De andere tabbladen zijn voor jou: daarin verdiep je door de week heen wat je hier hebt geleerd. Onderaan deze pagina vind je een rooster dat je daarbij houvast geeft.
Je kent het werkwoord كَتَبَ, «hij schreef». Bij elke handeling kun je twee vragen stellen. Het Arabisch heeft voor elk antwoord een eigen naamwoord:
Ism al-Fāʿil — «schrijvend, een schrijver»
Ism al-Mafʿūl — «geschreven/hetgeen geschreven is»
In deze hele les geldt: groen zijn de drie radicalen van het werkwoord, geel zijn de letters die de mal eraan toevoegt, rood is de uitgang voor geslacht en getal.
Er komt maar één letter bij: een alif na de eerste radicaal [d.w.z. wortelletter/originele letter]. De tweede radicaal krijgt een kasrah. Dat is altijd zo, welke Bāb het werkwoord ook heeft.
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij de Māḍī | كَتَبَ |
| 2 | Alif na de eerste radicaal | كَاتَبَ |
| 3 | Kasrah onder de tweede radicaal | كَاتِبَ |
| 4 | De uitgang van een Ism (tanwīn) | كَاتِبٌ |
Het is een Ism [naamwoord en geen werkwoord]: het krijgt óf tanwīn óf الـ, en het verbuigt in de drie naamvallen [ḍammah-positie, fatḥah-positie en kasrah-positie] — كَاتِبٌ, كَاتِبًا, كَاتِبٍ.
✍️ Nu jij. Bouw de Ism al-Fāʿil vanuit de volgende werkwoorden: نَصَرَ (hij hielp) · صَبَرَ (hij was geduldig) · عَلِمَ (hij wist) · حَفِظَ (hij bewaarde)
Inzicht: Deze vier werkwoorden komen uit drie verschillende Abwāb: نَصَرَ is van Bāb Naṣara, صَبَرَ is van Bāb Ḍaraba, en عَلِمَ en حَفِظَ zijn van Bāb Samiʿa. Toch krijgen ze alle vier dezelfde vorm فَاعِلٌ. Voor de Ism al-Fāʿil hoef je dus niet te weten van welke Bāb het werkwoord is.
Hier komen er twee letters bij: een mīm vooraan en een wāw na de tweede radicaal. Je kent het passieve werkwoord al, namelijk: كُتِبَ («hij/het werd geschreven»). De Ism al-Mafʿūl is qua betekenis ook passief en ziet er als volgt uit: مَكْتُوبٌ wat betekent: het geschrevene, datgene wat geschreven is.
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij de Māḍī | كَتَبَ |
| 2 | Mīm met fatḥah vooraan | مَكَتَبَ |
| 3 | Sukūn op de eerste radicaal | مَكْتَبَ |
| 4 | Ḍammah op de tweede radicaal | مَكْتُبَ |
| 5 | Wāw na de tweede radicaal | مَكْتُوبَ |
| 6 | De uitgang van een Ism (tanwīn) | مَكْتُوبٌ |
Alleen een Mutaʿaddī-werkwoord [transitief/overgankelijk] heeft iets dat de handeling ondergaat [en dat is een lijdend voorwerp]. جَلَسَ («hij zat») is Lāzim [intransitief/geen lijdend voorwerp hebbend]: hij heeft dus wel de Ism al-Fāʿil vorm جَالِسٌ («zittend»), maar geen Ism al-Mafʿūl vorm omdat de betekenis van zitten [zonder extra toevoeging van hulpwoordjes / voorzetsels] geen lijdend voorwerp kan impliceren en er dus ook niets is dat «gezeten wordt». Met een voorzetsel erbij kan het wel, bijvoorbeeld مَجْلُوسٌ عَلَيْهِ («iets waarop gezeten wordt»). De uitleg daarvan staat in tabblad 4.
✍️ Nu jij. Bouw de Ism al-Mafʿūl van: نَصَرَ (hij hielp) · حَفِظَ (hij bewaarde) · فَتَحَ (hij opende) · صَبَرَ (hij was geduldig)
Inzicht: Vraag je bij elk werkwoord af: kan iets deze handeling ondergaan? oftewel kan dit werkwoord een lijdend voorwerp hebben? Indien ja, dan is het werkwoord transitief en kan het passief worden en Ism al-Mafʿūl krijgen. Indien niet, dan is het werkwoord intransitief. Het kan dan alleen passief worden en een Ism al-Mafʿūl krijgen als er een voorzetsel met zijn naamwoord bij staat [zie tabblad 4].
Om zowel de Ism al-Fāʿil alsook de Ism al-Mafʿūl vrouwelijk te maken hoeft men in beide gevallen slechts één toevoeging te doen: de laatste radicaal / wortelletter krijgt een fatḥah, en daarachter komt de Tāʾ Marbūṭah.
Het is belangrijk om te weten hoe je een mannelijk Ism al-Fāʿil of Ism al-Mafʿūl vrouwelijk maakt, want dat heb je nodig als de Ism al-Fāʿil of de Ism al-Mafʿūl een Khabar [gezegde] of een Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] is die bij een vrouwelijk woord hoort. De Khabar en Ṣifah dienen namelijk onder meer qua geslacht overeen te komen met het woord waarbij ze horen. Dus is de Mubtadaʾ vrouwelijk dan dient de Khabar ook vrouwelijk te zijn, is de Mawṣūf vrouwelijk dan dient de Ṣifah ook vrouwelijk te zijn.:
| Zin | Vertaling | Waarom? |
|---|---|---|
| الطَّالِبُ صَابِرٌ | De student is geduldig. | الطَّالِبُ is ♂ |
| الطَّالِبَةُ صَابِرَةٌ | De studente is geduldig. | الطَّالِبَةُ is ♀ |
| السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌ | De Soerah is gememoriseerd. | السُّورَةُ is ♀ |
Hieronder vind je bij elk van deze drie voorbeelden een uitklapbare uitleg. In die uitleg ontleden we de zin samen, woord voor woord: eerst de vorm van het woord, dan de functie van het woord in de zin, dan de naamval, en als laatste de overeenkomst in geslacht. Zo zie je hoe de regels die je al kent met elkaar samenhangen.
🔎 Voorbeeld 1. الطَّالِبُ صَابِرٌ «De student is geduldig.»
Lees elke vraag, denk eerst zelf na over het antwoord, en lees daarna pas de uitleg.
Inzicht: In deze korte zin van twee woorden komen vier regels samen: de vorm فَاعِل van de Ism al-Fāʿil, de Rafʿ van de Mubtadaʾ en van de Khabar, het verschil tussen bepaald en onbepaald, en de overeenkomst in geslacht tussen de Mubtadaʾ en de Khabar.
🔎 Voorbeeld 2. الطَّالِبَةُ صَابِرَةٌ «De studente is geduldig.»
Lees elke vraag, denk eerst zelf na over het antwoord, en lees daarna pas de uitleg.
Inzicht: Vergelijk dit voorbeeld met het eerste voorbeeld. Het enige verschil is de Tāʾ Marbūṭah. Zodra de Mubtadaʾ vrouwelijk wordt, dient de Khabar ook vrouwelijk te worden.
🔎 Voorbeeld 3. السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌ «De Soerah is gememoriseerd.»
Lees elke vraag, denk eerst zelf na over het antwoord, en lees daarna pas de uitleg.
Inzicht: De regel van de overeenkomst in geslacht geldt voor de Ism al-Mafʿūl op dezelfde manier als voor de Ism al-Fāʿil. Het maakt daarbij niet uit of de Mubtadaʾ een persoon is, zoals الطَّالِبَةُ, of een ding, zoals السُّورَةُ.
✍️ Nu jij. Maak vrouwelijk: شَاكِرٌ (dankbaar) · مَفْتُوحٌ (geopend). En vul in: الْمُعَلِّمَةُ (حَاضِر) «De lerares is aanwezig.»
Inzicht: De letter die vóór de Tāʾ Marbūṭah staat, heeft altijd een fatḥah. Dat geldt voor elk woord dat op een Tāʾ Marbūṭah eindigt.
In het enkelvoud zie je de naamval aan het klinkerteken op de laatste letter. In het tweevoud zie je de naamval aan een letter in de uitgang. In de Rafʿ [ḍammah-positie] is die letter een alif, en de uitgang is ـَانِ. In de Naṣb [fatḥah-positie] en in de Jarr [kasrah-positie] is die letter een yāʾ, en de uitgang is ـَيْنِ. Bij een vrouwelijk woord verandert eerst de Tāʾ Marbūṭah (ة) in een gewone tāʾ (ت) met een fatḥah. Daarna komt dezelfde uitgang erachter: ـَتَانِ of ـَتَيْنِ.
| Rafʿ | Naṣb en Jarr | |
|---|---|---|
| ♂ | كَاتِبَانِ | كَاتِبَيْنِ |
| ♀ | كَاتِبَتَانِ | كَاتِبَتَيْنِ |
Onthoud twee dingen die in het tweevoud altijd hetzelfde zijn. Ten eerste heeft de letter die vóór de uitgang staat altijd een fatḥah. Ten tweede heeft de nūn waarmee de uitgang eindigt altijd een kasrah.
✍️ Nu jij. Zeg de volgende twee zinnen in het Arabisch, namelijk: «De twee studenten zijn aanwezig.» en «Ik bedankte de twee studentes.» Gebruik daarvoor de volgende woorden: طَالِبٌ («student»), حَاضِرٌ («aanwezig») en شَكَرْتُ («ik bedankte»).
Inzicht: Ook het woord طَالِبٌ («student») is een Ism al-Fāʿil. Het komt van het werkwoord طَلَبَ («hij zocht»). Een student is dus letterlijk iemand die kennis zoekt.
| Rafʿ | Naṣb en Jarr | |
|---|---|---|
| ♂ meervoud | صَابِرُونَ | صَابِرِينَ |
| ♀ meervoud | صَابِرَاتٌ | صَابِرَاتٍ |
In Blok 1 heb je geleerd dat een woord in de Naṣb een fatḥah krijgt. Het vrouwelijk meervoud is hierop een uitzondering: het krijgt nooit een fatḥah aan het einde. In de Naṣb krijgt het vrouwelijk meervoud een kasrah, net als in de Jarr. Daarom zeg je: شَكَرْتُ الطَّالِبَاتِ, «ik bedankte de studentes».
Tweevoud of meervoud? Kijk naar de klinkers: صَابِرَيْنِ (fatḥah ervoor, kasrah onder de nūn) is twee; صَابِرِينَ (kasrah ervoor, fatḥah op de nūn) is meer dan twee oftewel het meervoud.
✍️ Nu jij. Zet de volgende twee woorden in het meervoud en in de Rafʿ [ḍammah-positie], namelijk: het mannelijke woord شَاكِرٌ («dankbaar») en het vrouwelijke woord شَاكِرَةٌ. Vertaal daarna de volgende zin naar het Arabisch: «Vrede zij met de waarachtige mannen en vrouwen.» Gebruik daarvoor السَّلَامُ عَلَى («vrede zij met») en صَادِقٌ («waarachtig»).
Inzicht: Het mannelijk meervoud gebruik je voor een groep mannen, en ook voor een groep waarin mannen en vrouwen samen zijn. Het vrouwelijk meervoud gebruik je voor een groep die alleen uit vrouwen bestaat.
Hieronder zie je de Ism al-Fāʿil van het werkwoord كَتَبَ («hij schreef») in alle achttien vormen die je vandaag hebt geleerd. De Ism al-Mafʿūl krijgt dezelfde uitgangen.
| Rafʿ | Naṣb | Jarr | |
|---|---|---|---|
| ♂ enkelvoud | كَاتِبٌ | كَاتِبًا | كَاتِبٍ |
| ♀ enkelvoud | كَاتِبَةٌ | كَاتِبَةً | كَاتِبَةٍ |
| ♂ tweevoud | كَاتِبَانِ | كَاتِبَيْنِ | كَاتِبَيْنِ |
| ♀ tweevoud | كَاتِبَتَانِ | كَاتِبَتَيْنِ | كَاتِبَتَيْنِ |
| ♂ meervoud | كَاتِبُونَ | كَاتِبِينَ | كَاتِبِينَ |
| ♀ meervoud | كَاتِبَاتٌ | كَاتِبَاتٍ | كَاتِبَاتٍ |
Enkele van deze vormen met hun volledige betekenis: كَاتِبٌ betekent «een mannelijke persoon die schrijft / een schrijver». كَاتِبَةٌ betekent «een vrouwelijke persoon die schrijft / een schrijfster». كَاتِبَانِ betekent «twee mannelijke personen die schrijven / twee schrijvers». كَاتِبَتَانِ betekent «twee vrouwelijke personen die schrijven / twee schrijfsters». كَاتِبُونَ betekent «mannelijke personen die schrijven / schrijvers». En كَاتِبَاتٌ betekent «vrouwelijke personen die schrijven / schrijfsters».
Hieronder staan drie Verzen die je al kent of vaak hebt gehoord. In elk Vers staat een woord dat je vandaag hebt leren bouwen. Dat woord is goud gekleurd.
Lees eerst het hele Vers hieronder, samen met de vertaling. Drie woorden zijn goud gekleurd: het eerste woord van het Vers, en de twee woorden waar de vraag over gaat.
✍️ De vraag. Kijk naar de twee goudgekleurde woorden in het midden van het Vers: وَالصَّابِرِينَ وَالصَّابِرَاتِ. Welke vormen zijn dit? En waarom heeft het tweede woord, وَالصَّابِرَاتِ, een kasrah aan het einde? Kijk voor het antwoord op de tweede vraag ook naar het eerste woord van het Vers.
Inzicht: Aan de vorm van een woord zie je wat voor woord het is. Maar om te weten in welke naamval het woord staat, moet je vaak naar de rest van de zin kijken. Lees daarom altijd eerst de hele zin, voordat je een woord gaat ontleden.
1. De Ism al-Fāʿil van de Thulāthī Mujarrad [het werkwoord van drie wortelletters zonder toevoeging aan de stam] heeft de vorm فَاعِلٌ. Dit is het naamwoord voor degene die de handeling doet. Een voorbeeld is كَاتِبٌ, wat betekent: «een schrijver», of «degene die schrijft». Je bouwt hem door een alif na de eerste wortelletter te zetten en de tweede wortelletter een kasrah te geven.
2. De Ism al-Mafʿūl van de Thulāthī Mujarrad heeft de vorm مَفْعُولٌ. Dit is het naamwoord voor wat of wie de handeling ondergaat. Een voorbeeld is مَكْتُوبٌ, wat betekent: «geschreven», of «hetgeen geschreven is». Je bouwt hem door een mīm vóór het woord te zetten en een wāw na de tweede wortelletter.
3. Je maakt beide vormen vrouwelijk door de laatste wortelletter een fatḥah te geven en de Tāʾ Marbūṭah [de ronde tāʾ: ة] erachter te zetten.
4. Het tweevoud eindigt in de Rafʿ [ḍammah-positie] op ـَانِ, en in de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie] op ـَيْنِ. Het mannelijk meervoud eindigt in de Rafʿ op ـُونَ, en in de Naṣb en de Jarr op ـِينَ.
5. Het vrouwelijk meervoud eindigt in de Rafʿ op ـَاتٌ, en in de Naṣb en de Jarr op ـَاتٍ. Het krijgt in de Naṣb dus een kasrah en geen fatḥah.
Je hebt de online les nu gevolgd. De andere tabbladen kun je daarna zelfstandig doornemen. Hieronder staat een voorstel voor de week: elke dag één of twee tabbladen, en dat kost je ongeveer 20 tot 35 minuten per dag. De moeilijkste tabbladen staan in het weekend, omdat je dan meestal meer tijd hebt. Tik op de naam van een tabblad om erheen te gaan, en vink de dag af wanneer je klaar bent. Je vinkjes worden op dit apparaat bewaard.
Je herhaalt de twee vormen فَاعِلٌ en مَفْعُولٌ uit de les van gisteravond, nu met meer werkwoorden. Bouw daarna drie woorden in de Bouwer (tabblad 9).
Dit is een korte dag, zodat je op vrijdag ook tijd hebt voor andere dingen. Leer daarna woord 1 tot en met 10 van de 20 Woorden (tabblad 16).
Dit is de moeilijkste dag van de week. Je leert de uitgangen van het tweevoud en van het meervoud, en je leert dat het vrouwelijk meervoud in de Naṣb een kasrah krijgt. Neem er rustig de tijd voor. Bouw daarna in de Bouwer twee woorden in het tweevoud en twee woorden in het meervoud.
Je past alles wat je geleerd hebt toe op een Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] met zijn Ṣifah, en je maakt de zeven oefeningen van dat tabblad. Speel daarna het spel «de Vormenjager», totdat je vijf vragen achter elkaar goed hebt en de bronzen medaille krijgt.
Je ziet de vormen van deze les terug in zeventien Verzen uit de heilige Qurʾān. Leer daarna woord 11 tot en met 20 van de 20 Woorden (tabblad 16).
Lees de vier gesprekken hardop en maak daarna de vijftien oefeningen. Aan deze oefeningen kun je zien of je de stof van deze les goed begrijpt. Als een oefening niet lukt, lees dan het tabblad over dat onderwerp nog een keer.
In vier korte rondes verbind je de nieuwe vormen met wat je in Blok 1 en Blok 2 hebt geleerd. Daarna ben je, in shāʾ Allāh, goed voorbereid op de nieuwe les van vanavond.
Oefen daarnaast elke dag vijf minuten met de in de flashcard-app. Het is beter om elke dag kort te oefenen dan één keer per week lang. Als het op een dag niet lukt, schuif dan de tabbladen van die dag door naar de volgende dag, of haal ze in het weekend in. Het rooster is bedoeld om je te helpen. Het is geen verplichting.
De Ism al-Fāʿil is het naamwoord voor degene die de handeling verricht. Bij de Thulāthī Mujarrad [het werkwoord van drie wortelletters zonder toevoeging aan de stam] heeft hij altijd één Vorm (Wazn): فَاعِلٌ.
«hij schreef»
Wie doet het?
«schrijvend / een schrijver»
Lees de tegels van rechts naar links. Groen zijn de drie radicalen van het werkwoord; geel is de ene letter die erbij komt: de alif na de eerste radicaal.
Bij de Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] moest je per Bāb onthouden welke klinker de ʿAyn al-Kalimah (de tweede wortelletter) krijgt. Bij de Ism al-Fāʿil hoeft dat niet. Bij alle werkwoorden van deze les is de vorm فَاعِلٌ: er komt een alif na de eerste wortelletter, en de tweede wortelletter krijgt een kasrah.
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij de Māḍī, onaangeroerd | كَتَبَ |
| 2 | Zet een alif ná de Fāʾ al-Kalimah (eerste radicaal) | كَاتَبَ |
| 3 | Geef de ʿAyn al-Kalimah (tweede radicaal) een kasrah | كَاتِبَ |
| 4 | Het is nu een naamwoord: geef de laatste letter de uitgang van een Ism (hier Rafʿ, onbepaald) | كَاتِبٌ |
De Ism al-Fāʿil is een Ism, en geen werkwoord. Daarom krijgt hij alles wat je in Blok 1 over het Ism hebt geleerd: tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] of الـ, en de drie naamvallen.
| Kenmerk | Voorbeeld | Vertaling |
|---|---|---|
| Tanwīn (onbepaald) | كَاتِبٌ | een schrijver |
| الـ (bepaald) | الْكَاتِبُ | de schrijver |
| Rafʿ | هٰذَا كَاتِبٌ | dit is een schrijver |
| Naṣb | شَكَرْتُ كَاتِبًا | ik bedankte een schrijver |
| Jarr | مِنْ كَاتِبٍ | van een schrijver |
| Māḍī | Vertaling | Bāb | Ism al-Fāʿil | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| كَتَبَ | hij schreef | Naṣara | كَاتِبٌ | schrijvend, schrijver |
| نَصَرَ | hij hielp | Naṣara | نَاصِرٌ | helpend, helper |
| شَكَرَ | hij dankte | Naṣara | شَاكِرٌ | dankend, dankbaar |
| عَبَدَ | hij aanbad | Naṣara | عَابِدٌ | aanbiddend, aanbidder |
| سَجَدَ | hij knielde neer | Naṣara | سَاجِدٌ | neerknielend |
| صَدَقَ | hij sprak de waarheid | Naṣara | صَادِقٌ | waarachtig |
| صَبَرَ | hij was geduldig | Ḍaraba | صَابِرٌ | geduldig |
| رَجَعَ | hij keerde terug | Ḍaraba | رَاجِعٌ | terugkerend |
| رَكَعَ | hij boog | Fataḥa | رَاكِعٌ | buigend |
| خَشَعَ | hij was nederig | Fataḥa | خَاشِعٌ | nederig, ootmoedig |
| عَلِمَ | hij wist | Samiʿa | عَالِمٌ | wetend, geleerde |
| حَفِظَ | hij bewaarde | Samiʿa | حَافِظٌ | bewarend, bewaarder |
Elke Ism al-Fāʿil in deze tabel kun je op drie manieren vertalen. Het woord نَاصِرٌ betekent bijvoorbeeld: «helpend», oftewel «degene die helpt», oftewel «een helper». Op dezelfde manier betekent عَابِدٌ: «aanbiddend», «degene die aanbidt» of «een aanbidder». En حَافِظٌ betekent: «bewarend», «degene die bewaart» of «een bewaarder».
«hij is geduldig». Het werkwoord vertelt wat iemand op een bepaald moment doet.
«een geduldige». De Ism al-Fāʿil is een naam voor de persoon zelf. Hij noemt de persoon naar de handeling die hij doet.
Het werkwoord vertelt dus alleen dat iemand iets doet. De Ism al-Fāʿil is een naam voor de persoon die het doet.
Daarom zijn zoveel beroepen en benamingen in het Arabisch een Ism al-Fāʿil: كَاتِبٌ («schrijver»), عَالِمٌ («geleerde»), حَافِظٌ («iemand die de heilige Qurʾān uit het hoofd kent»). Iemand die een handeling steeds opnieuw doet, wordt naar die handeling genoemd, en zo wordt het woord een vaste benaming.
De vorm فَاعِلٌ zegt zelf niet hoe lang iemand de handeling doet. Dat blijkt uit de zin. Het woord كَاتِبٌ kan betekenen: «iemand die nu aan het schrijven is», en het kan ook betekenen: «iemand die schrijver is van beroep».
Er is één Bāb waarvan de werkwoorden meestal geen Ism al-Fāʿil op de vorm فَاعِلٌ hebben. Dat is Bāb Karuma. De werkwoorden van deze Bāb, zoals كَرُمَ («hij was edel»), beschrijven een eigenschap die iemand blijvend heeft. Voor zo'n blijvende eigenschap gebruikt het Arabisch meestal een andere vorm, zoals كَرِيمٌ («edel»). Die vorm heet de Ṣifah Mushabbahah, en die leer je in een latere les. Onthoud voor nu alleen dit verschil: schrijven is een handeling die je doet, en edel zijn is een eigenschap die je hebt.
De Ism al-Mafʿūl is het naamwoord voor wat of wie de handeling ondergaat. Bij de Thulāthī Mujarrad [het werkwoord van drie wortelletters zonder toevoeging aan de stam] heeft hij de vaste Vorm (Wazn) مَفْعُولٌ. Dit is de vorm die je zelf kunt bouwen.
«hij schreef»
Wat is er geschreven?
«geschreven / iets dat geschreven is»
Groen zijn de drie radicalen; geel zijn de twee letters die erbij komen: de mīm vooraan en de wāw na de tweede radicaal.
In de les «De Tien Bouwers» heb je het passieve werkwoord geleerd, bijvoorbeeld كُتِبَ («het werd geschreven»). De Ism al-Mafʿūl is het naamwoord dat bij dit passieve werkwoord hoort. Iets dat geschreven werd (كُتِبَ), noem je مَكْتُوبٌ: «het geschrevene», «iets dat geschreven is».
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij de Māḍī, onaangeroerd | كَتَبَ |
| 2 | Zet een mīm met fatḥah vóór het woord | مَكَتَبَ |
| 3 | Geef de Fāʾ al-Kalimah (eerste radicaal) een sukūn | مَكْتَبَ |
| 4 | Geef de ʿAyn al-Kalimah (tweede radicaal) een ḍammah | مَكْتُبَ |
| 5 | Zet een wāw ná de ʿAyn al-Kalimah | مَكْتُوبَ |
| 6 | Geef de laatste letter de uitgang van een Ism | مَكْتُوبٌ |
Ook bij de Ism al-Mafʿūl maakt het niet uit van welke Bāb het werkwoord is. De vorm is altijd مَفْعُولٌ.
| Māḍī | Vertaling | Bāb | Ism al-Fāʿil | Ism al-Mafʿūl | Vertaling van de Mafʿūl |
|---|---|---|---|---|---|
| كَتَبَ | hij schreef | Naṣara | كَاتِبٌ | مَكْتُوبٌ | geschreven |
| نَصَرَ | hij hielp | Naṣara | نَاصِرٌ | مَنْصُورٌ | geholpen |
| شَكَرَ | hij dankte | Naṣara | شَاكِرٌ | مَشْكُورٌ | bedankt, gewaardeerd |
| ذَكَرَ | hij noemde, gedacht | Naṣara | ذَاكِرٌ | مَذْكُورٌ | genoemd |
| رَزَقَ | hij voorzag (van levensonderhoud) | Naṣara | رَازِقٌ | مَرْزُوقٌ | voorzien |
| ظَلَمَ | hij deed onrecht | Ḍaraba | ظَالِمٌ | مَظْلُومٌ | onrecht aangedaan |
| فَتَحَ | hij opende | Fataḥa | فَاتِحٌ | مَفْتُوحٌ | geopend |
| رَفَعَ | hij verhief | Fataḥa | رَافِعٌ | مَرْفُوعٌ | verheven, verhoogd |
| عَلِمَ | hij wist | Samiʿa | عَالِمٌ | مَعْلُومٌ | bekend, geweten |
| حَفِظَ | hij bewaarde | Samiʿa | حَافِظٌ | مَحْفُوظٌ | bewaard |
| حَمِدَ | hij prees | Samiʿa | حَامِدٌ | مَحْمُودٌ | geprezen |
Elke Ism al-Mafʿūl in deze tabel kun je op twee manieren vertalen. Het woord مَنْصُورٌ betekent bijvoorbeeld: «geholpen», oftewel «degene die geholpen is». Op dezelfde manier betekent مَفْتُوحٌ: «geopend» of «hetgeen geopend is». En مَحْفُوظٌ betekent: «bewaard» of «hetgeen bewaard is».
Een Ism al-Mafʿūl kun je alleen maken van een werkwoord dat een lijdend voorwerp kan hebben. Zo'n werkwoord heet Mutaʿaddī [transitief/overgankelijk]. Je kunt bijvoorbeeld iets schrijven, en dat wordt dan genoemd: مَكْتُوبٌ («geschreven»). Het werkwoord جَلَسَ («hij zat») kan [zonder extra toevoeging van een voorzetsel] geen lijdend voorwerp hebben. Zo'n werkwoord heet Lāzim [intransitief/geen lijdend voorwerp hebbend]. Daarom heeft جَلَسَ op zichzelf geen Ism al-Mafʿūl.
Van een Lāzim-werkwoord kun je wél een Ism al-Mafʿūl maken als er een Ḥarf al-Jarr [een voorzetsel] met zijn naamwoord bij staat. De reden is de volgende. Bij een Lāzim-werkwoord is er niets wat de handeling rechtstreeks ondergaat. Het voorzetsel verbindt het werkwoord alsnog met iemand of iets. Die persoon of dat ding ondergaat de handeling dan via het voorzetsel.
Neem het werkwoord جَلَسَ («hij zat»). Op zichzelf heeft het geen Ism al-Mafʿūl. Met het voorzetsel عَلَى («op») erbij betekent het: «hij zat op (iets)». Nu is er wél iets waarop gezeten wordt, bijvoorbeeld een stoel. Daarom kun je zeggen: مَجْلُوسٌ عَلَيْهِ («iets waarop gezeten wordt»).
Het tweede voorbeeld ken je al heel lang. Het werkwoord غَضِبَ («hij werd toornig») is een Lāzim-werkwoord. Met het voorzetsel عَلَى erbij betekent het: «hij was vertoornd op (iemand)». De Ism al-Mafʿūl daarvan is مَغْضُوبٌ عَلَيْهِ («iemand op wie toorn rust»). Je reciteert dit woord in elke rakʿah:
Let op de vorm. In dit Vers gaat het over meerdere personen. Toch staat er الْمَغْضُوبِ in het enkelvoud, en niet in het meervoud. Dat is de regel bij een Ism al-Mafʿūl van een Lāzim-werkwoord: het woord zelf blijft altijd mannelijk enkelvoud. Het voornaamwoord dat aan het voorzetsel vastzit, laat zien over wie het gaat. In het Vers is dat voornaamwoord هِمْ («hen») in عَلَيْهِمْ. Alleen dat voornaamwoord verandert:
| Arabisch | Betekenis |
|---|---|
| مَغْضُوبٌ عَلَيْهِ | een mannelijke persoon op wie toorn rust |
| مَغْضُوبٌ عَلَيْهَا | een vrouwelijke persoon op wie toorn rust |
| مَغْضُوبٌ عَلَيْهِمَا | twee personen op wie toorn rust |
| مَغْضُوبٌ عَلَيْهِمْ | mannelijke personen (meervoud) op wie toorn rust |
| مَغْضُوبٌ عَلَيْهِنَّ | vrouwelijke personen (meervoud) op wie toorn rust |
Bij een Mutaʿaddī-werkwoord is dat anders. Daar verandert het woord zelf: مَنْصُورٌ, مَنْصُورَةٌ, مَنْصُورُونَ, enzovoort. Hoe je die vormen maakt, leer je in de volgende tabbladen.
Ook met een Ẓarf. Hetzelfde kan met een Ẓarf [een aanduiding van tijd of plaats]. Het werkwoord صَامَ («hij vastte») is een Lāzim-werkwoord. Met het voorzetsel فِي («in») erbij kun je zeggen: شَهْرٌ مَصُومٌ فِيهِ («een maand waarin gevast wordt»). Bij een woord voor tijd of plaats mag je فِيهِ ook weglaten. Je zegt dan: شَهْرٌ مَصُومٌ. De betekenis blijft dezelfde. De vorm مَصُومٌ wijkt een beetje af van de mal مَفْعُولٌ, omdat de middelste wortelletter van صَامَ een zwakke letter is. Hoe dat werkt, leer je in een latere les.
📚 Verdieping 1: de regel van Ittisāʿ. ★★★★☆ Waarom mag je فِيهِ weglaten bij een woord voor tijd of plaats? Dit onderdeel is alleen voor wie meer diepgang wenst. Je mag het overslaan. De sterretjes geven aan hoe moeilijk het onderdeel is. Vijf sterretjes is het moeilijkste.
De grammatici noemen deze regel Ittisāʿ [verruiming]. De regel houdt in dat een woord voor tijd of plaats behandeld wordt alsof het een lijdend voorwerp is. Hieronder zie je in vier stappen hoe dat gaat.
Een voorbeeld uit de heilige Qurʾān. Allah zegt:
Er staat فَلْيَصُمْهُ («laat hem haar vasten»). Het voornaamwoord ـهُ verwijst naar de maand en zit rechtstreeks aan het werkwoord vast, zoals een lijdend voorwerp. Er staat niet فَلْيَصُمْ فِيهِ («laat hem daarin vasten»).
De voorwaarde. Deze regel geldt alleen voor woorden voor tijd of plaats die je ook als gewoon naamwoord kunt gebruiken, zoals يَوْمٌ («dag»), شَهْرٌ («maand») en رَمَضَانُ. Bij woorden die alleen als Ẓarf voorkomen, zoals عِنْدَ («bij»), geldt de regel niet.
📚 Verdieping 2: de Maṣdar als plaatsvervanger. ★★★★★ Kan een Lāzim-werkwoord nog op een derde manier passief worden? Dit is het moeilijkste onderdeel van de les. Je mag het overslaan.
Een derde mogelijkheid. De grammatici noemen naast het voorzetsel en de Ẓarf nog een derde woord dat bij een Lāzim-werkwoord de plaats van het lijdend voorwerp kan innemen, namelijk de Maṣdar [het naamwoord dat de handeling zelf benoemt, zoals «het zitten»]. Wat de Maṣdar is en hoe je hem vormt, leer je in een latere les. Hier zie je alleen hoe hij zich gedraagt.
Een voorbeeld uit de heilige Qurʾān. Allah zegt:
Het werkwoord نُفِخَ («er werd geblazen») is passief. Het woord نَفْخَةٌ («een stoot», letterlijk: «één keer blazen») is de Maṣdar. Dit woord staat in de Rafʿ [ḍammah-positie], en het woord وَاحِدَةٌ («één») is het aantal dat erbij staat.
Een Mutaʿaddī-werkwoord heeft altijd een Ism al-Mafʿūl. Een Lāzim-werkwoord heeft op zichzelf geen Ism al-Mafʿūl. Het krijgt er alleen één als er een voorzetsel met zijn naamwoord bij staat, of een aanduiding van tijd of plaats. Het woord blijft dan mannelijk enkelvoud.
| Woord | Letterlijk | Waar ken je het van? |
|---|---|---|
| مَكْتُوبٌ | geschreven | ook gebruikt voor: brief, lotsbestemming |
| مَحْمُودٌ | geprezen | bekende naam |
| مَنْصُورٌ | geholpen | bekende naam |
| مَشْهُورٌ | bekend gemaakt | «beroemd» |
| مَخْلُوقٌ | geschapen | «schepsel» |
De vorm مَفْعُولٌ is de vorm die je zelf kunt bouwen. Daarnaast heeft het Arabisch een aantal woorden op de vorm فَعِيلٌ die dezelfde betekenis hebben als een Ism al-Mafʿūl. Deze woorden bouw je niet zelf. Je leert ze zoals ze zijn, omdat de Arabieren ze zo gebruiken. Drie van deze woorden ken je waarschijnlijk al:
| Woord | Betekenis | Heeft dezelfde betekenis als | Waar ken je het van? |
|---|---|---|---|
| حَبِيبٌ | geliefd, of: degene die geliefd is | مَحْبُوبٌ | bekende naam |
| قَتِيلٌ | gedood, of: degene die gedood is | مَقْتُولٌ | van het werkwoord قَتَلَ («hij doodde»), uit de 20 woorden van deze les |
| الرَّجِيمُ | de gestenigde, of: de verdrevene | الْمَرْجُومُ | de Istiʿādhah: أَعُوذُ بِاللَّهِ مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ («Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte Shayṭān.») |
Let op. Verwar deze woorden niet met woorden zoals كَرِيمٌ («edel») uit de vooruitblik in het tabblad over de Ism al-Fāʿil. Het woord كَرِيمٌ komt van een werkwoord zonder lijdend voorwerp, en het noemt een eigenschap die iemand zelf heeft. De woorden in deze tabel komen van een werkwoord met een lijdend voorwerp, en zij noemen degene die de handeling ondergaat.
📚 Verdieping: de vorm فَعِيلٌ heeft twee kanten. ★★★★☆ Hoe kan één woord zowel «degene die het doet» als «degene die het ondergaat» betekenen? Dit onderdeel is alleen voor wie meer diepgang wenst. Je mag het overslaan.
De vorm فَعِيلٌ komt in het Arabisch op twee manieren voor.
Het woord شَهِيدٌ. Volgens de eerste uitleg heeft dit woord de betekenis van شَاهِدٌ («getuige»): hij is degene die getuigt. Volgens de tweede uitleg heeft het de betekenis van مَشْهُودٌ («degene over wie getuigd wordt»): voor hem wordt het Paradijs getuigd, en de engelen zijn getuige van zijn heengaan.
Het woord نَبِيٌّ. Dit woord komt volgens veel taalgeleerden van نَبَأٌ («bericht»). Volgens de eerste uitleg betekent het: degene die bericht geeft namens Allah. Volgens de tweede uitleg betekent het: degene aan wie Allah bericht geeft. Sommige taalgeleerden leiden het woord af van النَّبْوَةُ («de verhevenheid»).
Inzicht: De twee uitleggingen spreken elkaar niet tegen. Zij laten twee kanten van dezelfde persoon zien.
Je maakt de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl op dezelfde manier vrouwelijk. De laatste wortelletter krijgt een fatḥah, en daarachter zet je de Tāʾ Marbūṭah (ة).
| Stap | Wat doe je? | Ism al-Fāʿil | Ism al-Mafʿūl |
|---|---|---|---|
| 1 | Begin bij de mannelijke vorm | كَاتِبٌ | مَكْتُوبٌ |
| 2 | Geef de laatste radicaal een fatḥah | كَاتِبَ | مَكْتُوبَ |
| 3 | Zet de Tāʾ Marbūṭah erachter, met de uitgang | كَاتِبَةٌ | مَكْتُوبَةٌ |
| Naamval | ♂ | ♀ | Let op |
|---|---|---|---|
| Rafʿ | كَاتِبٌ | كَاتِبَةٌ | kātibat-un |
| Naṣb | كَاتِبًا | كَاتِبَةً | geen alif na de Tāʾ Marbūṭah |
| Jarr | كَاتِبٍ | كَاتِبَةٍ | kātibat-in |
| ♂ | Vertaling | ♀ | Vertaling |
|---|---|---|---|
| صَابِرٌ | een geduldige (man) | صَابِرَةٌ | een geduldige (vrouw) |
| شَاكِرٌ | een dankbare (man) | شَاكِرَةٌ | een dankbare (vrouw) |
| حَافِظٌ | een bewaarder | حَافِظَةٌ | een bewaarster |
| عَالِمٌ | een geleerde (man) | عَالِمَةٌ | een geleerde (vrouw) |
| مَحْفُوظٌ | bewaard (♂) | مَحْفُوظَةٌ | bewaard (♀) |
| مَفْتُوحٌ | geopend (♂) | مَفْتُوحَةٌ | geopend (♀) |
| مَعْلُومٌ | bekend (♂) | مَعْلُومَةٌ | bekend (♀) |
In de les «De Tien Bouwers» heb je geleerd dat een Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] in geslacht overeenkomt met haar Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt], en dat een Khabar [gezegde] in geslacht overeenkomt met zijn Mubtadaʾ [onderwerp van de nominale zin]. Dat geldt ook voor de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl. Als het woord waar ze bij horen vrouwelijk is, dienen zij ook vrouwelijk te zijn.
| Zin | Vertaling | Waarom deze vorm? |
|---|---|---|
| الطَّالِبُ صَابِرٌ | De student is geduldig. | الطَّالِبُ is ♂ |
| الطَّالِبَةُ صَابِرَةٌ | De studente is geduldig. | الطَّالِبَةُ is ♀ |
| الْبَابُ مَفْتُوحٌ | De deur is geopend. | الْبَابُ is ♂ |
| السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌ | De Soerah is (uit het hoofd) bewaard. | السُّورَةُ is ♀ |
| هٰذِهِ رِسَالَةٌ مَكْتُوبَةٌ | Dit is een geschreven brief. | رِسَالَةٌ is ♀ |
Een meervoud van dingen (dus niet van mensen) wordt in het Arabisch behandeld als een vrouwelijk enkelvoud. In de Verzen uit de heilige Qurʾān zul je daarom bijvoorbeeld zien: سُرُرٌ مَرْفُوعَةٌ, «verhoogde rustbanken». Het woord سُرُرٌ («rustbanken») is een meervoud van dingen. Daarom staat de Ism al-Mafʿūl مَرْفُوعَةٌ erachter in het vrouwelijk enkelvoud.
Het tweevoud heeft twee uitgangen. In de Rafʿ [ḍammah-positie] is de uitgang ـَانِ. In de Naṣb [fatḥah-positie] en in de Jarr [kasrah-positie] is de uitgang ـَيْنِ. Bij een vrouwelijk woord verandert eerst de Tāʾ Marbūṭah (ة) in een gewone tāʾ (ت) met een fatḥah, en daarna komt de uitgang erachter.
| Rafʿ | Naṣb en Jarr | |
|---|---|---|
| ♂ uitgang | ـَانِ | ـَيْنِ |
| ♀ uitgang | ـَتَانِ | ـَتَيْنِ |
In het tweevoud zie je de naamval dus niet aan een klinkerteken, maar aan een letter: de alif voor Rafʿ, de yāʾ voor Naṣb en Jarr.
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij het enkelvoud | كَاتِبٌ |
| 2 | Haal de tanwīn weg en geef de laatste radicaal een fatḥah | كَاتِبَ |
| 3 | Rafʿ: voeg ـَانِ toe | كَاتِبَانِ |
| 4 | Naṣb of Jarr: vervang de alif door een yāʾ met sukūn | كَاتِبَيْنِ |
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij het vrouwelijk enkelvoud | كَاتِبَةٌ |
| 2 | Verander de Tāʾ Marbūṭah (ة) in een gewone tāʾ (ت) met een fatḥah | كَاتِبَتَ |
| 3 | Rafʿ: voeg ـَانِ toe | كَاتِبَتَانِ |
| 4 | Naṣb of Jarr: vervang de alif door een yāʾ met sukūn | كَاتِبَتَيْنِ |
| Rafʿ | Naṣb | Jarr | Vertaling | |
|---|---|---|---|---|
| Ism al-Fāʿil ♂ | كَاتِبَانِ | كَاتِبَيْنِ | كَاتِبَيْنِ | twee schrijvers |
| Ism al-Fāʿil ♀ | كَاتِبَتَانِ | كَاتِبَتَيْنِ | كَاتِبَتَيْنِ | twee schrijfsters |
| Ism al-Mafʿūl ♂ | مَكْتُوبَانِ | مَكْتُوبَيْنِ | مَكْتُوبَيْنِ | twee geschreven (dingen, ♂) |
| Ism al-Mafʿūl ♀ | مَكْتُوبَتَانِ | مَكْتُوبَتَيْنِ | مَكْتُوبَتَيْنِ | twee geschreven (dingen, ♀) |
De alif en de yāʾ in de uitgang laten de naamval zien. De nūn aan het einde doet dat niet. De nūn staat er alleen zolang het woord op zichzelf staat. Als het tweevoud een Muḍāf [het eerste woord van een Iḍāfah, oftewel een bezitsconstructie] wordt, valt de nūn weg. Dat ziet er als volgt uit:
| Op zichzelf | Als Muḍāf | Betekenis |
|---|---|---|
| كَاتِبَانِ | كَاتِبَا الرِّسَالَةِ | de twee schrijvers van de brief, in de Rafʿ [ḍammah-positie] |
| كَاتِبَيْنِ | كَاتِبَيِ الرِّسَالَةِ | de twee schrijvers van de brief, in de Naṣb [fatḥah-positie] of de Jarr [kasrah-positie] |
Een voorbeeld uit de heilige Qurʾān:
Het woord يَدَانِ betekent: «twee handen». In dit Vers is het woord een Muḍāf, en daarom staat er يَدَا, zonder nūn. Het woord يَدٌ («hand») is zelf geen Ism al-Fāʿil en ook geen Ism al-Mafʿūl. Het Vers staat hier alleen om te laten zien hoe de nūn van het tweevoud wegvalt. Die regel geldt voor elk tweevoud, en dus ook voor het tweevoud van de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl.
Over de vertaling. De vertaling «Vergaan zijn» is de letterlijke vertaling, want het werkwoord تَبَّتْ staat in de Māḍī [verleden tijd]. Het Arabisch gebruikt de Māḍī ook voor een bede of een verwensing. Een bekend voorbeeld is رَحِمَهُ اللَّهُ. Letterlijk betekent dat: «Allah heeft hem genade geschonken». Bedoeld wordt: «Moge Allah hem genadig zijn». Op dezelfde manier wordt dit Vers vaak vertaald met: «Mogen de beide handen van Abū Lahab vergaan.» De Māḍī geeft daarbij aan dat het zeker zal gebeuren, alsof het al gebeurd is.
📚 Verdieping: waarvoor dient de nūn van het tweevoud? ★★★☆☆ Dit onderdeel is alleen voor wie meer diepgang wenst. Je mag het overslaan. De sterretjes geven aan hoe moeilijk het onderdeel is. Vijf sterretjes is het moeilijkste.
De grammatici zeggen dat de nūn van het tweevoud in de plaats komt van de tanwīn van het enkelvoud. Hieronder zie je in drie stappen waarom.
Eén verschil. De tanwīn valt ook weg als er الـ voor het woord komt: كِتَابٌ wordt الْكِتَابُ. De nūn van het tweevoud blijft dan staan: الْكِتَابَانِ («de twee boeken»).
De klinker op de nūn. De nūn van het tweevoud heeft altijd een kasrah: ـَانِ en ـَيْنِ. Deze kasrah zegt niets over de naamval. In het tabblad over het meervoud zie je dat de nūn van het mannelijk meervoud een fatḥah heeft: ـُونَ en ـِينَ. Aan dat verschil herken je het tweevoud en het meervoud, ook in de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie]: كَاتِبَيْنِ («twee schrijvers») tegenover كَاتِبِينَ («schrijvers»).
| Zin | Vertaling | Naamval en reden |
|---|---|---|
| الطَّالِبَانِ حَاضِرَانِ | De twee studenten zijn aanwezig. | Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde]. |
| الطَّالِبَتَانِ حَاضِرَتَانِ | De twee studentes zijn aanwezig. | Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde]. |
| شَكَرْتُ الطَّالِبَيْنِ الصَّابِرَيْنِ | Ik bedankte de twee geduldige studenten. | Het eerste woord na شَكَرْتُ is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het woord daarna is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord], en die staat in dezelfde naamval. |
| شَكَرْتُ الطَّالِبَتَيْنِ الصَّابِرَتَيْنِ | Ik bedankte de twee geduldige studentes. | Het eerste woord na شَكَرْتُ is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het woord daarna is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord], en die staat in dezelfde naamval. |
| جَلَسْتُ مَعَ الْعَالِمَيْنِ | Ik zat bij de twee geleerden. | Het woord staat in de Jarr [kasrah-positie], omdat مَعَ ervoor staat. |
| الْبَابَانِ مَفْتُوحَانِ | De twee deuren zijn geopend. | Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde]. |
Het mannelijk meervoud eindigt in de Rafʿ [ḍammah-positie] op ـُونَ, en in de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie] op ـِينَ. Het vrouwelijk meervoud eindigt in de Rafʿ op ـَاتٌ, en in de Naṣb en de Jarr op ـَاتٍ.
| Rafʿ | Naṣb | Jarr | |
|---|---|---|---|
| ♂ meervoud | ـُونَ | ـِينَ | ـِينَ |
| ♀ meervoud | ـَاتٌ | ـَاتٍ | ـَاتٍ |
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij het enkelvoud | صَابِرٌ |
| 2 | Haal de tanwīn weg | صَابِر |
| 3 | Rafʿ: ḍammah op de laatste radicaal, dan ـونَ | صَابِرُونَ |
| 4 | Naṣb of Jarr: kasrah onder de laatste radicaal, dan ـينَ | صَابِرِينَ |
Dit meervoud gebruik je voor mannen, of voor een gemengde groep van mannen en vrouwen.
De nūn valt weg in de Iḍāfah. Ook de nūn van het mannelijk meervoud valt weg als het woord een Muḍāf [het eerste woord van een Iḍāfah] wordt, zoals bij het tweevoud. Het woord مُعَلِّمُونَ («leraren») wordt dan: مُعَلِّمُو الْمَدْرَسَةِ («de leraren van de school»). In de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr [kasrah-positie] wordt مُعَلِّمِينَ dan: مُعَلِّمِي الْمَدْرَسَةِ.
| Stap | Wat doe je? | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Begin bij het vrouwelijk enkelvoud | صَابِرَةٌ |
| 2 | Haal de Tāʾ Marbūṭah weg; de fatḥah blijft | صَابِرَ |
| 3 | Rafʿ: voeg ـَاتٌ toe | صَابِرَاتٌ |
| 4 | Naṣb of Jarr: voeg ـَاتٍ toe | صَابِرَاتٍ |
In Blok 1 heb je geleerd dat je de Naṣb herkent aan een fatḥah. Het vrouwelijk meervoud is hierop een uitzondering. Het krijgt nooit een fatḥah aan het einde. In de Naṣb krijgt het vrouwelijk meervoud een kasrah, net als in de Jarr.
| Zin | Vertaling | Naamval |
|---|---|---|
| شَكَرْتُ الطَّالِبَ | Ik bedankte de student. | Het woord staat in de Naṣb [fatḥah-positie], en het heeft een fatḥah. |
| شَكَرْتُ الطَّالِبَاتِ | Ik bedankte de studentes. | Het woord staat in de Naṣb [fatḥah-positie], maar het heeft een kasrah, omdat het een vrouwelijk meervoud is. |
| Rafʿ | Naṣb | Jarr | Vertaling | |
|---|---|---|---|---|
| Ism al-Fāʿil ♂ | صَابِرُونَ | صَابِرِينَ | صَابِرِينَ | geduldigen (mannen) |
| Ism al-Fāʿil ♀ | صَابِرَاتٌ | صَابِرَاتٍ | صَابِرَاتٍ | geduldigen (vrouwen) |
| Ism al-Mafʿūl ♂ | مَنْصُورُونَ | مَنْصُورِينَ | مَنْصُورِينَ | geholpenen (mannen) |
| Ism al-Mafʿūl ♀ | مَنْصُورَاتٌ | مَنْصُورَاتٍ | مَنْصُورَاتٍ | geholpenen (vrouwen) |
Met الـ valt de tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] van het vrouwelijk meervoud weg, zoals je gewend bent: الصَّابِرَاتُ (Rafʿ), الصَّابِرَاتِ (Naṣb en Jarr). Het mannelijk meervoud verandert niet door الـ: الصَّابِرُونَ, الصَّابِرِينَ.
| Zin | Vertaling | Naamval en reden |
|---|---|---|
| الْمُعَلِّمُونَ حَاضِرُونَ | De leraren zijn aanwezig. | Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde]. |
| الْمُعَلِّمَاتُ حَاضِرَاتٌ | De leraressen zijn aanwezig. | Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie], omdat het eerste woord de Mubtadaʾ [onderwerp] is en het tweede woord de Khabar [gezegde]. |
| نَصَرَ اللَّهُ الصَّابِرِينَ | Allah hielp de geduldigen. | Het woord is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie]. |
| نَصَرَ اللَّهُ الصَّابِرَاتِ | Allah hielp de geduldige vrouwen. | Het woord is het Mafʿūl bihī [lijdend voorwerp], en staat daarom in de Naṣb [fatḥah-positie]. Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb een kasrah. |
| السَّلَامُ عَلَى الصَّادِقِينَ وَالصَّادِقَاتِ | Vrede zij met de waarachtige mannen en vrouwen. | Beide woorden staan in de Jarr [kasrah-positie], omdat عَلَى ervoor staat. |
Zonder klinkertekens zien het tweevoud en het meervoud er in de Naṣb en Jarr hetzelfde uit: صابرين. De klinkers maken het verschil:
| Vóór de yāʾ | De nūn aan het einde | Voorbeeld | Vertaling | |
|---|---|---|---|---|
| Tweevoud | fatḥah | kasrah | صَابِرَيْنِ | twee geduldigen |
| Meervoud | kasrah | fatḥah | صَابِرِينَ | (drie of meer) geduldigen |
In de vorige drie tabbladen heb je geleerd hoe je een Ism al-Fāʿil en een Ism al-Mafʿūl vrouwelijk maakt, en hoe je ze in het tweevoud en in het meervoud zet. Op dezelfde manier wordt meestal ook een Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] gevormd. De Ṣifah krijgt dezelfde uitgangen, zodat zij overeenkomt met haar Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt].
In de les «De Tien Bouwers» heb je geleerd dat de Ṣifah in vier dingen overeenkomt met haar Mawṣūf: in bepaaldheid, in naamval, in geslacht en in getal. De eerste twee kon je toen al toepassen. Het geslacht en het getal kun je nu ook toepassen, want in deze les heb je de uitgangen daarvoor geleerd.
| De Ṣifah volgt in | Wat je al kon | Wat je nu erbij kunt |
|---|---|---|
| Bepaaldheid | الـ of tanwīn | — |
| Naamval | ḍammah, fatḥah, kasrah | ook met letters: ـَانِ / ـَيْنِ, ـُونَ / ـِينَ |
| Geslacht | — | vrouwelijk met de Tāʾ Marbūṭah |
| Getal | — | tweevoud en meervoud |
| Mawṣūf + Ṣifah | Vertaling | |
|---|---|---|
| ♂ enkelvoud | مُعَلِّمٌ صَابِرٌ | een geduldige leraar |
| ♀ enkelvoud | مُعَلِّمَةٌ صَابِرَةٌ | een geduldige lerares |
| ♂ tweevoud | مُعَلِّمَانِ صَابِرَانِ | twee geduldige leraren |
| ♀ tweevoud | مُعَلِّمَتَانِ صَابِرَتَانِ | twee geduldige leraressen |
| ♂ meervoud | مُعَلِّمُونَ صَابِرُونَ | geduldige leraren |
| ♀ meervoud | مُعَلِّمَاتٌ صَابِرَاتٌ | geduldige leraressen |
Kijk in de tabel naar de uitgangen. De Ṣifah heeft in elke rij dezelfde uitgang als haar Mawṣūf.
| Rafʿ | Naṣb | Jarr | |
|---|---|---|---|
| ♂ enkelvoud | الْمُعَلِّمُ الصَّابِرُ | الْمُعَلِّمَ الصَّابِرَ | الْمُعَلِّمِ الصَّابِرِ |
| ♀ enkelvoud | الْمُعَلِّمَةُ الصَّابِرَةُ | الْمُعَلِّمَةَ الصَّابِرَةَ | الْمُعَلِّمَةِ الصَّابِرَةِ |
| ♂ tweevoud | الْمُعَلِّمَانِ الصَّابِرَانِ | الْمُعَلِّمَيْنِ الصَّابِرَيْنِ | الْمُعَلِّمَيْنِ الصَّابِرَيْنِ |
| ♀ tweevoud | الْمُعَلِّمَتَانِ الصَّابِرَتَانِ | الْمُعَلِّمَتَيْنِ الصَّابِرَتَيْنِ | الْمُعَلِّمَتَيْنِ الصَّابِرَتَيْنِ |
| ♂ meervoud | الْمُعَلِّمُونَ الصَّابِرُونَ | الْمُعَلِّمِينَ الصَّابِرِينَ | الْمُعَلِّمِينَ الصَّابِرِينَ |
| ♀ meervoud | الْمُعَلِّمَاتُ الصَّابِرَاتُ | الْمُعَلِّمَاتِ الصَّابِرَاتِ | الْمُعَلِّمَاتِ الصَّابِرَاتِ |
Ook de eigenschapswoorden die je uit Blok 1 en 2 kent, nemen deze uitgangen aan:
| ♂ enkelvoud | Vertaling | ♀ enkelvoud | ♂ tweevoud | ♀ tweevoud | ♀ meervoud |
|---|---|---|---|---|---|
| كَبِيرٌ | groot | كَبِيرَةٌ | كَبِيرَانِ | كَبِيرَتَانِ | كَبِيرَاتٌ |
| صَغِيرٌ | klein | صَغِيرَةٌ | صَغِيرَانِ | صَغِيرَتَانِ | صَغِيرَاتٌ |
| كَرِيمٌ | edel | كَرِيمَةٌ | كَرِيمَانِ | كَرِيمَتَانِ | كَرِيمَاتٌ |
| جَدِيدٌ | nieuw | جَدِيدَةٌ | جَدِيدَانِ | جَدِيدَتَانِ | جَدِيدَاتٌ |
In het tabblad «Uit de heilige Qurʾān» kom je deze paren tegen. Let er daar op hoe de Ṣifah haar Mawṣūf volgt:
| Mawṣūf + Ṣifah | Vertaling | Overeenkomst |
|---|---|---|
| لَوْحٍ مَحْفُوظٍ | een Bewaarde Tablet | Beide woorden zijn mannelijk, staan in het enkelvoud, zijn onbepaald en staan in de Jarr [kasrah-positie]. |
| مَقَامًا مَحْمُودًا | een geprezen positie | Beide woorden zijn mannelijk, staan in het enkelvoud, zijn onbepaald en staan in de Naṣb [fatḥah-positie]. |
| سُرُرٌ مَرْفُوعَةٌ | verhoogde rustbanken | Het woord سُرُرٌ is een meervoud van dingen. Daarom staat de Ṣifah in het vrouwelijk enkelvoud. Beide woorden staan in de Rafʿ [ḍammah-positie]. |
| عَبْدَيْنِ … صَالِحَيْنِ | twee rechtschapen dienaren | Beide woorden zijn mannelijk, staan in het tweevoud en staan in de Jarr [kasrah-positie]. |
Zet de Ṣifah tussen haakjes in de juiste vorm. Probeer het eerst zelf, open daarna de begeleiding.
الطَّالِبَةُ (صَادِق) «de waarachtige studente»
Inzicht: De Ṣifah neemt alle vier de kenmerken van haar Mawṣūf over: de bepaaldheid, de naamval, het geslacht en het getal.
مُعَلِّمَانِ (حَاضِر) «twee aanwezige leraren»
Inzicht: In het tweevoud is de alif het teken van de Rafʿ. Dat geldt voor de Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] en ook voor de Ṣifah.
مَعَ الْمُعَلِّمِينَ (شَاكِر) «met de dankbare leraren»
Inzicht: Als de Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] in de Jarr staat, dan staat de Ṣifah ook in de Jarr.
شَكَرْتُ الْمُعَلِّمَتَيْنِ (صَابِر) «ik bedankte de twee geduldige leraressen»
Inzicht: Bouw een woord altijd in dezelfde volgorde: eerst het geslacht, dan het getal, dan de naamval en als laatste de bepaaldheid.
كُتُبٌ (مَفْتُوح) «geopende boeken»
Inzicht: De uitgangen ـُونَ en ـِينَ van het mannelijk meervoud gebruik je alleen voor mensen.
Verbeter de fout: الْمُعَلِّمَاتُ الصَّابِرُونَ
Inzicht: Kijk bij een Ṣifah eerst naar het geslacht van de Mawṣūf, en daarna naar het getal, de naamval en de bepaaldheid.
Verbeter de fout: شَكَرْتُ الطَّالِبَاتِ الشَّاكِرَاتَ
Inzicht: Als je weet in welke vorm de Mawṣūf [het woord dat beschreven wordt] staat, weet je ook in welke vorm de Ṣifah dient te staan.
Kies hieronder een werkwoord, een soort, een geslacht, een getal, een naamval en de bepaaldheid. De Bouwer laat je daarna stap voor stap zien hoe het woord wordt opgebouwd, vanaf de Māḍī [verleden tijd] tot en met de laatste uitgang. Zeg bij elke stap eerst zelf wat er gaat veranderen, en klik daarna pas op «Volgende stap». (Op de computer kun je ook de pijltjestoetsen ← en → gebruiken.)
Hieronder zie je alle vormen van het werkwoord dat je in de Bouwer hebt gekozen. Verberg ze, zeg ze hardop op, en tik op een vakje om jezelf te controleren.
In dit spel krijg je telkens één woord te zien, met een vraag over de vorm van dat woord. Kies het goede antwoord. Het spel telt hoeveel vragen je achter elkaar goed hebt. Je beste reeks wordt op dit apparaat bewaard, zodat je haar op een andere dag kunt proberen te verbeteren.
Elke vorm uit deze les staat in Verzen die je al kent of vaak hoort. Hieronder staan ze per vorm, met vertaling en ontleding. Het gouden woord is telkens de vorm waar het om gaat.
De Verzen staan hier in gewone spelling. In de muṣḥaf wordt de alif van de Ism al-Fāʿil vaak als kleine staande alif geschreven, bijvoorbeeld رَٰجِعُونَ en ٱلصَّٰبِرِينَ; de uitspraak is dezelfde.
Het tweevoud in de Rafʿ (ـَانِ) oefen je met eigen zinnen in het tabblad Tweevoud en in de Conversatie.
الْعَالَمِينَ in Soerah al-Fātiḥah (رَبِّ الْعَالَمِينَ, «Heer van de werelden») heeft een fatḥah op de lām en is het meervoud van عَالَمٌ, «wereld». Het is géén Ism al-Fāʿil. Met een kasrah — الْعَالِمِينَ — betekent het «de wetenden».
Hieronder staan drie korte Verzen die innerlijke rust geven en de īmān versterken. Je kunt deze Verzen nu reciteren en ook begrijpen wat de woorden betekenen.
De woorden حَافِظُونَ (Soerah al-Ḥijr, Vers 9) en مَحْفُوظٍ (Soerah al-Burūj, Vers 22) komen van dezelfde wortel ح ف ظ. Het eerste woord is een Ism al-Fāʿil en zegt wie bewaart. Het betekent: «Bewaarders». Het tweede woord is een Ism al-Mafʿūl en zegt wat bewaard wordt. Het betekent: «bewaard», oftewel «hetgeen bewaard is». Allah zegt dat Hij de Bewaarder van de heilige Qurʾān is, en dat de heilige Qurʾān in een Bewaarde Tablet staat. Door de les van vandaag kun je dit verband zelf in het Arabisch zien.
In Soerah al-Aḥzāb, Vers 35, noemt Allah tien goede eigenschappen. Elke eigenschap wordt twee keer genoemd: eerst in het mannelijk meervoud en daarna in het vrouwelijk meervoud. Aan het einde van het Vers staat één belofte voor hen allemaal, voor de mannen en voor de vrouwen: vergeving en een geweldige beloning.
In Soerah al-Baqarah, Vers 153, staat مَعَ الصَّابِرِينَ, wat betekent: «met de geduldigen», oftewel «met degenen die geduldig zijn». Het Vers gebruikt hier geen werkwoord, maar een Ism al-Fāʿil. Allah noemt deze mensen dus naar hun daad: zij zijn «de geduldigen». Wie het geduld blijft beoefenen, gaat bij deze groep horen.
Hetzelfde zie je bij het werkwoord صَدَقَ («hij sprak de waarheid») en de Ism al-Fāʿil صَادِقٌ («een waarachtige», oftewel «degene die de waarheid spreekt»). Wie steeds de waarheid spreekt, wordt een waarachtige genoemd. Moge Allah ons laten behoren tot de صَادِقِينَ, de waarachtigen, in het hier en nu alsook in het Hiernamaals.
Hieronder staan vier korte gesprekken. Het eerste gesprek gebruikt het enkelvoud, en het laatste gesprek gebruikt het meervoud. Lees eerst het hele gesprek hardop. Tik daarna op een zin. Je ziet dan stap voor stap hoe de zin is opgebouwd, en waarom. In deze gesprekken gebruik je de nieuwe vormen van deze les samen met wat je in Blok 1 en Blok 2 hebt geleerd.
1. Lees het gesprek samen met een medestudent. Ieder leest één rol. 2. Bedek de Nederlandse vertaling en vertaal de zinnen zelf. 3. Verander één woord in een zin, bijvoorbeeld een andere persoon of een ander getal, en kijk of je de zin dan nog goed kunt bouwen.
Woorden voor deze gesprekken: هَلْ (dit woord maakt van een zin een vraag waarop je met ja of nee antwoordt), نَعَمْ («ja»), لَا («nee») en حَاضِرٌ («aanwezig», oftewel «degene die aanwezig is»). Het woord حَاضِرٌ is de Ism al-Fāʿil van het werkwoord حَضَرَ («hij was aanwezig»).
Speel gesprek 3 en gesprek 4 samen met een medestudent na, maar met andere woorden. Vervang حَاضِر door صَادِق («waarachtig») of door شَاكِر («dankbaar»). Let erop dat de leraar in zijn laatste zin de woorden in de Naṣb [fatḥah-positie] gebruikt.
Vijftien opgaven in vier soorten, oplopend in moeilijkheid. Probeer het eerst zelf en denk in stilte na vóórdat je de balk opent. De begeleiding leidt je in stappen naar het antwoord.
1. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: فَتَحَ («hij opende»).
Inzicht: Van één werkwoord maak je twee naamwoorden: de Ism al-Fāʿil zegt wie opent, en de Ism al-Mafʿūl zegt wat geopend is.
2. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: حَمِدَ («hij prees»).
Inzicht: Het werkwoord حَمِدَ is van Bāb Samiʿa. Toch zijn de vormen dezelfde als bij de andere Abwāb [werkwoordsfamilies]: فَاعِلٌ en مَفْعُولٌ.
3. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: ذَكَرَ («hij noemde, hij gedacht»).
Inzicht: De letter ذ wordt in het Arabische schrift niet verbonden met de letter die erna komt. Daardoor ziet het woord er anders uit, maar de vorm is dezelfde: فَاعِلٌ en مَفْعُولٌ.
4. Bouw de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl vanuit het volgende werkwoord, namelijk: جَلَسَ («hij zat»).
Inzicht: Vraag je bij elk werkwoord af of het een lijdend voorwerp kan hebben. Alleen dan kun je er een Ism al-Mafʿūl van maken. Bij een Lāzim-werkwoord kan het alleen met een voorzetsel erbij, zoals in مَجْلُوسٌ عَلَيْهِ («iets waarop gezeten wordt»).
5. Zet شَاكِرٌ («dankbaar») in het vrouwelijk meervoud, in de Naṣb [fatḥah-positie] en met الـ.
Inzicht: Bouw een woord altijd in dezelfde volgorde: eerst het geslacht, dan het getal, dan de naamval en als laatste de bepaaldheid.
6. Zet عَالِمٌ («geleerde») in het mannelijk tweevoud en in de Jarr [kasrah-positie].
Inzicht: In het tweevoud zijn de Naṣb [fatḥah-positie] en de Jarr gelijk. Beide hebben de uitgang ـَيْنِ.
7. Zet مَحْفُوظٌ («bewaard») in het vrouwelijk enkelvoud en in de Naṣb [fatḥah-positie].
Inzicht: Bij een mannelijk woord schrijf je in de Naṣb een alif na de fatḥatayn, zoals in كَاتِبًا. Na een Tāʾ Marbūṭah schrijf je die alif nooit.
8. Zet صَادِقٌ («waarachtig») in het mannelijk meervoud, in de Rafʿ [ḍammah-positie] en met الـ.
Inzicht: Het mannelijk meervoud heeft geen tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord]. Daarom verandert de uitgang niet wanneer je الـ ervoor zet.
Lees bij elke opgave eerst het Vers. Noem daarna van het goudgekleurde woord: de wortel, of het een Ism al-Fāʿil of een Ism al-Mafʿūl is, het geslacht, het getal en de naamval.
9. Lees het Vers hierboven en ontleed het goudgekleurde woord لَحَافِظُونَ.
Inzicht: Kijk bij het ontleden eerst naar het midden van het woord, want daar zie je de vorm (فَاعِلٌ of مَفْعُولٌ). Kijk daarna naar het einde van het woord, want daar zie je het geslacht, het getal en de naamval.
10. Lees het begin van het Vers hierboven en ontleed het goudgekleurde woord مَعْلُومَاتٌ.
Inzicht: Het woord مَعْلُومَاتٌ is de Ṣifah [bijvoeglijk naamwoord] van أَشْهُرٌ («maanden»). Het woord أَشْهُرٌ is een meervoud van dingen, en daarom is de Ṣifah vrouwelijk.
11. Lees het Vers hierboven en ontleed het woord وَالصَّابِرَاتِ, dat in het Vers goud gekleurd is. Leg ook uit waarom dit woord een kasrah aan het einde heeft.
Inzicht: Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb én in de Jarr een kasrah. Het mannelijk meervoud heeft in de Naṣb én in de Jarr dezelfde uitgang ـِينَ. Om te weten of een woord in de Naṣb of in de Jarr staat, moet je daarom naar de rest van de zin kijken.
Woorden: بَابٌ (deur), مُعَلِّمٌ (leraar), مُعَلِّمَةٌ (lerares), السَّلَامُ عَلَى (vrede zij met).
12. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «De twee deuren zijn geopend.»
Inzicht: De Khabar komt in getal en in geslacht overeen met de Mubtadaʾ, maar hij krijgt geen الـ.
13. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «De leraren zijn aanwezig en dankbaar.»
Inzicht: Alle drie de woorden hebben de uitgang ـُونَ, omdat ze alle drie in de Rafʿ staan.
14. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «Ik bedankte de geduldige leraressen.»
Inzicht: Het vrouwelijk meervoud krijgt in de Naṣb een kasrah. Dat geldt voor de Mawṣūf en ook voor haar Ṣifah.
15. Vertaal de volgende zin naar het Arabisch, namelijk: «Vrede zij met de waarachtigen.»
Inzicht: Van één werkwoord kun je met de stappen uit deze les 36 verschillende vormen bouwen. Je hoeft deze vormen niet uit het hoofd te leren. Als je de stappen kent, kun je elke vorm zelf bouwen.
In vier korte rondes verbind je de nieuwe vormen van deze les met wat je in Blok 1 en Blok 2 hebt geleerd.
Van elk werkwoord ken je al drie vormen: de Māḍī [verleden tijd], de Muḍāriʿ [tegenwoordige en toekomende tijd] en de Amr [gebiedende wijs]. In deze les heb je twee vormen van dezelfde wortel erbij geleerd: de Ism al-Fāʿil en de Ism al-Mafʿūl.
| Māḍī | Muḍāriʿ | Amr | Ism al-Fāʿil | Ism al-Mafʿūl | Bāb |
|---|---|---|---|---|---|
| كَتَبَ | يَكْتُبُ | اُكْتُبْ | كَاتِبٌ | مَكْتُوبٌ | Naṣara · schrijven |
| حَفِظَ | يَحْفَظُ | اِحْفَظْ | حَافِظٌ | مَحْفُوظٌ | Samiʿa · bewaren |
| فَتَحَ | يَفْتَحُ | اِفْتَحْ | فَاتِحٌ | مَفْتُوحٌ | Fataḥa · openen |
Maak dezelfde rij vanuit de volgende twee werkwoorden, namelijk: شَكَرَ («hij dankte») en نَصَرَ («hij hielp»).
Inzicht: Van één wortel ken je nu vijf vormen. Zo leer je met elk nieuw werkwoord vijf woorden tegelijk.
Noem bij elk woord de Māḍī, de Muḍāriʿ en de Bāb.
صَابِرٌ «geduldig»
Inzicht: Aan de Ism al-Fāʿil kun je niet zien van welke Bāb het werkwoord is, want de vorm فَاعِلٌ is bij elke Bāb dezelfde. Om de Bāb te weten heb je naast de Madi ook de Muḍāriʿ nodig.
عَالِمٌ «wetend»
Inzicht: Ook dit werkwoord heeft de vorm فَاعِلٌ, terwijl het van een andere Bāb is dan صَبَرَ.
سَاجِدٌ «neerknielend»
Inzicht: De Amr [gebiedende wijs] van dit werkwoord is اُسْجُدْ («kniel neer!»). Hij komt van dezelfde wortel س ج د.
رَاكِعٌ «buigend»
Inzicht: De Amr [gebiedende wijs] van dit werkwoord staat in de heilige Qurʾān: وَارْكَعُوا («en buigt»), in Soerah al-Baqarah, Vers 43.
Hieronder staan drie zinnen met een passief werkwoord. Naast elke zin staat een Jumlah Ismiyyah [nominale zin] met een Ism al-Mafʿūl, die bijna hetzelfde betekent.
| Passieve zin | Vertaling | Met Ism al-Mafʿūl | Vertaling |
|---|---|---|---|
| كُتِبَ الدَّرْسُ | De les werd geschreven. | الدَّرْسُ مَكْتُوبٌ | De les is geschreven. |
| فُتِحَ الْبَابُ | De deur werd geopend. | الْبَابُ مَفْتُوحٌ | De deur is geopend. |
| حُفِظَتِ السُّورَةُ | De Soerah werd uit het hoofd geleerd. | السُّورَةُ مَحْفُوظَةٌ | De Soerah is bewaard. |
Een Ism al-Fāʿil kan ook een Muḍāf [het eerste woord van de Iḍāfah] zijn, net als elk ander Ism. De Muḍāf krijgt geen tanwīn [de dubbele klinker aan het einde van een onbepaald woord] en geen الـ, en het woord dat erna komt (de Muḍāf ilayhi [het tweede woord van de Iḍāfah]) staat in de Jarr [kasrah-positie].
| Voorbeeld | Vertaling | Uitleg |
|---|---|---|
| كَاتِبُ الدَّرْسِ | de schrijver van de les | Iḍāfah |
| نَاصِرُهُ | zijn helper | Ism al-Fāʿil + ـهُ uit Blok 2 |
| حَافِظُهَا | haar bewaarder / wie haar bewaart | Ism al-Fāʿil + ـهَا |
Vertaal de volgende twee uitdrukkingen naar het Arabisch, namelijk: «de opener van de deur» en «mijn helper».
Inzicht: Alles wat je over het Ism hebt geleerd, geldt ook voor de Ism al-Fāʿil. Hij kan Muḍāf zijn, en hij kan een aangehecht voornaamwoord krijgen.
Tien woorden uit de Verzen van deze les en tien veelvoorkomende Qurʾān-woorden om erbij te leren. Je vindt ze ook in de flashcard-app.
| Nr. | Woord | Vertaling | Soort | Wortel en Bāb | Vers |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | حَافِظٌ | bewarend, bewaarder | Ism al-Fāʿil | حَفِظَ, Samiʿa | 15:9 |
| 2 | شَاكِرٌ | dankbaar, waarderend | Ism al-Fāʿil | شَكَرَ, Naṣara | 2:158 |
| 3 | صَابِرٌ | geduldig | Ism al-Fāʿil | صَبَرَ, Ḍaraba | 2:153 |
| 4 | صَالِحٌ | rechtschapen | Ism al-Fāʿil | صَلَحَ, Naṣara | 66:10 |
| 5 | رَاكِعٌ | buigend | Ism al-Fāʿil | رَكَعَ, Fataḥa | 2:43 |
| 6 | خَالِقٌ | Schepper | Ism al-Fāʿil | خَلَقَ, Naṣara | 39:62 |
| 7 | مَحْفُوظٌ | bewaard | Ism al-Mafʿūl | حَفِظَ, Samiʿa | 85:22 |
| 8 | مَشْكُورٌ | gewaardeerd | Ism al-Mafʿūl | شَكَرَ, Naṣara | 76:22 |
| 9 | مَنْصُورٌ | geholpen | Ism al-Mafʿūl | نَصَرَ, Naṣara | 37:172 |
| 10 | مَعْلُومٌ | bekend | Ism al-Mafʿūl | عَلِمَ, Samiʿa | 2:197 |
Deze woorden staan hier in de basisvorm: het mannelijk enkelvoud in de Rafʿ [ḍammah-positie]. In het Vers zelf staan ze in de vorm die op die plaats in het Vers nodig is.
De volledige betekenis van deze tien woorden ziet er als volgt uit:
| Nr. | Woord | Vertaling | Woordsoort | Bāb of opmerking |
|---|---|---|---|---|
| 11 | رَأَى | hij zag | Fiʿl | Fataḥa (يَرَى); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren |
| 12 | دَعَا | hij riep aan, smeekte | Fiʿl | Naṣara (يَدْعُو); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren |
| 13 | سَأَلَ | hij vroeg | Fiʿl | Fataḥa (يَسْأَلُ); met hamzah |
| 14 | وَجَدَ | hij vond | Fiʿl | Ḍaraba (يَجِدُ); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren |
| 15 | أَكَلَ | hij at | Fiʿl | Naṣara (يَأْكُلُ); met hamzah |
| 16 | لَيْسَ | hij is niet | Fiʿl | heeft de vorm van de Māḍī [verleden tijd], maar de betekenis van de tegenwoordige tijd; een Muḍāriʿ heeft het niet |
| 17 | نَظَرَ | hij keek | Fiʿl | Naṣara (يَنْظُرُ); zie نَاظِرَةٌ in 75:23 |
| 18 | قَتَلَ | hij doodde | Fiʿl | Naṣara (يَقْتُلُ) |
| 19 | خَافَ | hij vreesde | Fiʿl | Samiʿa (يَخَافُ); zwak werkwoord, voorlopig als woord leren |
| 20 | أَوَّلُ | eerste | Ism | — |
Van één werkwoord met drie wortelletters heb je twee naamwoorden leren bouwen: de Ism al-Fāʿil (فَاعِلٌ) voor degene die de handeling doet, en de Ism al-Mafʿūl (مَفْعُولٌ) voor wat de handeling ondergaat. Je hebt deze twee naamwoorden vrouwelijk gemaakt, je hebt ze in het tweevoud en in het meervoud gezet, en je hebt ze in alle drie de naamvallen verbogen. Samen zijn dat 36 vormen van één werkwoord. Je hoeft deze vormen niet uit het hoofd te leren, want je kent de stappen waarmee je ze bouwt.
Als je deze opdrachten elke dag een klein beetje doet, dan beheers je de stof van deze les vóór de volgende les, in shāʾ Allāh.
De woorden رَاجِعُونَ, الصَّابِرِينَ en الْمَغْضُوبِ عَلَيْهِمْ heb je al vaak gereciteerd en gehoord. Vanaf vandaag begrijp je ook hoe deze woorden zijn opgebouwd, en kun je zulke woorden zelf bouwen. Moge Allah deze kennis tot een licht maken in je ṣalāh en in je leven, in het hier en nu alsook in het Hiernamaals. Āmīn.