Arabisch voor Beginners Blok 2 · Les 2 · Ṣarf

تَصْرِيفُ الْفِعْلِ الْمُضَارِعِ

De Vervoeging van de Tegenwoordige/Toekomende Tijd — de 14 sieghah's van de Fiʿl Muḍāriʿ

🌱

Bismillāh — De Tegenwoordige/Toekomende Tijd الْفِعْلُ الْمُضَارِعُ

Dierbare student, In Les 12 doorgrondde je de Fiʿl Māḍī — de voltooide handeling / verleden tijd. Nu wenden we ons tot haar tegenhanger: de Fiʿl Muḍāriʿ, het werkwoord voor een handeling die nú plaatsvindt of nog gaat plaatsvinden: hij doet/zal doen, zij schrijft/zal schrijven, wij gaan/zullen gaan.

Ook hier behandelen we de Thulāthī Mujarrad (drie originele wortelletters), van de categorie Maftūḥ al-ʿAyn — waar de ʿayn al-kalimah een Fatḥah draagt. Het modelpatroon is يَفْعَلُ (yafʿalu), afgeleid van de wortel F-ʿ-L.

🎬 Videoles - wordt nog beschikbaar gesteld binnenkort in sha Allah
🔧

Hoe wordt de Fiʿl Muḍāriʿ gevormd? عَلَامَاتُ الْمُضَارِعِ

De Muḍāriʿ wordt niet vanuit het niets gevormd — hij wordt gebouwd op de Māḍī, en wel op de Wāḥid Mudhakkar Ghāʾib (Derde Persoon, Mannelijk, Enkelvoud) (de hij-vorm) die u al kent. Volg de zes stappen, hier toegepast op de wortel F-T-Ḥ (openen):

StapWat gebeurt erResultaat
1Neem de hij-vorm van de Māḍī: Faa- en Lām-ul Kalimah krijgen een Fatḥah, ʿAyn-ul Kalimah de bijpassende Ḥarakah.فَتَحَ
2Plaats ervoor één van de vier Ḥurūf al-Muḍāraʿah («Atayn»-letters): أ ت ن ي. Hier de Yāʾ.يفَتَحَ
3De toegevoegde letter krijgt een Fatḥah.يَفَتَحَ
4De letter erna (de Faa-ul Kalimah) krijgt een Sukūn.يَفْتَحَ
5De laatste letter krijgt een Ḍammah.يَفْتَحُ
6De overige letters blijven zoals ze zijn (tenzij de Baab een andere Ḥarakah op de ʿAyn vraagt).يَفْتَحُ

🔑 De vier Ḥurūf al-Muḍāraʿah — «Atayn»

Onthoud de vier voorvoegsel-letters samen als één woord: أَتَيْن — Atayn (أ · ت ·ي · ن ). Elke Muḍāriʿ-vorm begint met precies één van deze vier.

🧩

De Drie groepjes van 14 Sieghah's الصِّيَغُ الْأَرْبَعَ عَشْرَةَ

Net als bij de Māḍī telt de volledige vervoeging 14 sieghah's, verdeeld over drie groepjes. Bij de Muḍāriʿ draaien de groepjes echter om een voorvoegsel in plaats van een suffix:

GroepArabischWie?Sieghah's
Ghāʾib (Afwezig)الْغَائِبHij / zij / zij-twee / zij-groep (3e persoon)1 t/m 6
Ḥāḍir (Aanwezig)الْحَاضِرJij / jullie-twee / jullie-groep (2e persoon)7 t/m 12
Mutakallim (Spreker)الْمُتَكَلِّمIk / wij (1e persoon)13 & 14

🔑 Hoe je de tabellen leest

Elke vorm bestaat uit een voorvoegsel (soms ook een suffix) plus de stam. In de transliteratie markeren we het voorvoegsel/suffix, en laten we de stam ongemarkeerd.

Ḥarf al-Muḍāraʿah + Stam F-ʿ-L → Sieghah
🎨

De Drie Categorieën van de ʿAyn-ul Kalimah

Zoals bij de Māḍī, draagt ook bij de Muḍāriʿ de ʿayn al-kalimah (tweede wortelletter) niet bij ieder werkwoord dezelfde Ḥarakah. Drie categorieën:

CategorieArabischVoorbeeldBetekenis
Maftūḥ al-ʿAynمَفْتُوْحُ الْعَيْنِيَفْتَحُ · يَذْهَبُhij opent/zal openen · hij gaat/zal gaan
Maksūr al-ʿAynمَكْسُوْرُ الْعَيْنِيَضْرِبُ · يَجْلِسُhij slaat/zal slaan · hij zit/zal zitten
Maḍmūm al-ʿAynمَضْمُوْمُ الْعَيْنِيَنْصُرُ · يَسْكُنُhij helpt/zal helpen · hij woont/zal wonen

💡 Let op

De categorie van een werkwoord in de Muḍāriʿ hoeft niet dezelfde te zijn als in de Māḍī — dit moet per werkwoord geleerd worden. In deze les vervoegen we consequent volgens het model يَفْعَلُ (Maftūḥ al-ʿAyn); de vervoeging zelf (de 14 sieghah's) verloopt voor alle drie de categorieën identiek.

①

Deel 1 · De Ghāʾib (3e persoon) الْغَائِب

We beginnen bij de basisvorm die je al kent: de Wāḥid Mudhakkar Ghāʾib (hij-vorm), gebouwd met de Yāʾ. Vanuit hier leiden we de overige vijf Ghāʾib-vormen af.

Nr.Sieghah (terminologie)Geslacht & GetalArabischTransliteratieBetekenis
1Wāḥid Mudhakkar GhāʾibMannelijk EnkelvoudيَفْعَلُyafʿaluHij doet/zal doen
2Tathniyah Mudhakkar GhāʾibMannelijk TweevoudيَفْعَلَانِyafʿalāniZij (2 m) doen/zullen doen
3Jamʿ Mudhakkar GhāʾibMannelijk MeervoudيَفْعَلُوْنَyafʿalūnaZij (m, allen) doen/zullen doen
4Wāḥid Muʾannath GhāʾibVrouwelijk EnkelvoudتَفْعَلُtafʿaluZij (v) doet/zal doen
5Tathniyah Muʾannath GhāʾibVrouwelijk TweevoudتَفْعَلَانِtafʿalāniZij (2 v) doen/zullen doen
6Jamʿ Muʾannath GhāʾibVrouwelijk MeervoudيَفْعَلْنَyafʿalnaZij (v) doen/zullen doen (kantelpunt!)
📐

Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد

Hoe leiden we deze zes vormen af van de basis يَفْعَلُ?

  • Sieghah 1 (basis): De Ḥarf al-Muḍāraʿah is een Yāʾ, de laatste letter draagt een Ḍammah. Dit is de woordenboekvorm.
  • Sieghah 2 (+ ānī): Achter de hij-vorm plaats je ..َانِ (-āni, kenmerk van tweevoud). De Ḍammah van de laatste letter vervalt en wordt vervangen door de Fatḥah van de -āni.
  • Sieghah 3 (+ ūna): Achter de hij-vorm plaats je ..ُوْنَ (-ūna, kenmerk van mannelijk meervoud).
  • Sieghah 4 (Yāʾ → Tāʾ): De hij-vorm blijft ongewijzigd, behalve dat de Yāʾ aan het begin wordt vervangen door een Tāʾ — het kenmerk van de vrouwelijke derde persoon.
  • Sieghah 5 (Yāʾ → Tāʾ + ānī): Hetzelfde als Sieghah 4, maar dan op het tweevoud (Sieghah 2) toegepast: ook hier vervangt de Tāʾ de Yāʾ.
  • Sieghah 6 (Sukūn + na): Pak de hij-vorm en geef de laatste letter een Sukūn (dus yafʿal); plak daarachter نَ (-na).

⚠️ Het kantelpunt (Sieghah 6)

Let op: Sieghah 6 keert terug naar de Yāʾ-voorvoegsel (niet Tāʾ zoals Sieghah 4 en 5), en de lām al-kalimah wordt hier sākin. Dus niet yafʿalu, maar yafʿalna. Deze combinatie — Yāʾ terug, stam sākin — is een veelgemaakte fout; oefen hem apart.

②

Deel 2 · De Ḥāḍir (2e persoon) الْحَاضِر

Nu richten we ons tot de persoon die we aanspreken: de Ḥāḍir (jij, jullie-twee, jullie-groep). Dit zijn Sieghah 7 t/m 12.

🪙 De gouden regel

Alle Ḥāḍir-vormen beginnen met de Tāʾ — je neemt steeds de hij-vorm of de Sieghah 6-vorm en vervangt de Yāʾ (of voegt de Tāʾ toe waar de hij-vorm die nog niet heeft). De stam -fʿal- zelf verandert niet.

Nr.Sieghah (terminologie)Geslacht & GetalArabischTransliteratieBetekenis
7Wāḥid Mudhakkar ḤāḍirMannelijk EnkelvoudتَفْعَلُtafʿaluJij (m) doet/zal doen
8Tathniyah Mudhakkar ḤāḍirMannelijk TweevoudتَفْعَلَانِtafʿalāniJullie (2 m) doen/zullen doen
9Jamʿ Mudhakkar ḤāḍirMannelijk MeervoudتَفْعَلُوْنَtafʿalūnaJullie (m) doen/zullen doen
10Wāḥid Muʾannath ḤāḍirVrouwelijk EnkelvoudتَفْعَلِيْنَtafʿalīnaJij (v) doet/zal doen
11Tathniyah Muʾannath ḤāḍirVrouwelijk TweevoudتَفْعَلَانِtafʿalāniJullie (2 v) doen/zullen doen
12Jamʿ Muʾannath ḤāḍirVrouwelijk MeervoudتَفْعَلْنَtafʿalnaJullie (v) doen/zullen doen
📐

Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد

  • Sieghah 7 (basis): Neem de hij-vorm يَفْعَلُ en vervang de Yāʾ door een Tāʾ. Zo wordt yafʿalu tot tafʿalu.
  • Sieghah 8 (+ ānī): Achter Sieghah 7 plaats je ..َانِ (-āni), het kenmerk van tweevoud — de Ḍammah vervalt.
  • Sieghah 9 (+ ūna): Achter Sieghah 7 plaats je ..ُوْنَ (-ūna), het kenmerk van mannelijk meervoud.
  • Sieghah 10 (Ḍammah → īna): Neem Sieghah 7, haal de Ḍammah van de laatste letter weg, en plak ..ِيْنَ (-īna) erachter.
  • Sieghah 11 (+ ānī): Identiek aan Sieghah 8 — in het tweevoud van de 2e persoon bestaat geen onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk.
  • Sieghah 12 (Sukūn + na): Neem de hij-vorm, vervang de Yāʾ door een Tāʾ, geef de laatste letter een Sukūn, en plak نَ (-na) erachter.

⚠️ Let op bij Sieghah 7 en Sieghah 4

تَفْعَلُ (tafʿalu) is volledig identiek aan Sieghah 4 (zij, vrouwelijk enkelvoud, 3e persoon). Alleen de context van het gesprek maakt duidelijk of «jij (m)» of «zij (v)» bedoeld wordt.

🪙 En het tweevoud (Sieghah 8/11)?

In het tweevoud van de tweede persoon bestaat sowieso geen onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk — Sieghah 8 en 11 zijn dus twee namen voor exact dezelfde vorm تَفْعَلَانِ.

③

Deel 3 · De Mutakallim (1e persoon) الْمُتَكَلِّم

De finale: de Mutakallim, de spreker (ik en wij). Dit zijn Sieghah 13 en 14.

💡 Bijzonderheid

Net als bij de Māḍī is er in de eerste persoon geen onderscheid in geslacht, en valt «wij twee» onder dezelfde vorm als «wij groep». Beide vormen ontstaan door de Yāʾ van de hij-vorm te vervangen — hier niet door een Tāʾ, maar door een Hamzah (ik) of een Nūn (wij).

Nr.Sieghah (terminologie)Geslacht & GetalArabischTransliteratieBetekenis
13Wāḥid MutakallimM/V EnkelvoudأَفْعَلُafʿaluIk doe/zal doen
14Jamʿ MutakallimM/V Meervoud (& tweevoud)نَفْعَلُnafʿaluWij doen/zullen doen
📐

Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد

  • Sieghah 13 (Yāʾ → Hamzah): Neem de hij-vorm يَفْعَلُ en vervang de Yāʾ door een Hamzah: yafʿalu → afʿalu.
  • Sieghah 14 (Yāʾ → Nūn): Neem dezelfde hij-vorm en vervang de Yāʾ nu door een Nūn: yafʿalu → nafʿalu.
🎯

Een Belangrijk Contrast

⚠️ 1. Mogelijke verwarring: تَفْعَلُ

Deze ene vorm (tafʿalu) draagt twee mogelijke betekenissen: Sieghah 4 («zij, vrouwelijk enkelvoud») én Sieghah 7 («jij, mannelijk enkelvoud»). Alleen de zinscontext beslist wie bedoeld wordt.

📋

De Volledige Tabel — 14 Sieghah's جَدْوَلُ التَّصْرِيف

Hier staan alle veertien vormen samen, als naslagwerk. De drie groepjes zijn met een goudtint gemarkeerd.

Nr.Geslacht & GetalArabischTransliteratieVoorvoegsel/SuffixBetekenis
الْغَائِب — De Ghāʾib (3e persoon)
1Mannelijk Enkelvoudيَفْعَلُyafʿaluya-…-uHij doet/zal doen
2Mannelijk Tweevoudيَفْعَلَانِyafʿalāniya-…-āniZij (2 m) doen/zullen doen
3Mannelijk Meervoudيَفْعَلُوْنَyafʿalūnaya-…-ūnaZij (m) doen/zullen doen
4Vrouwelijk Enkelvoudتَفْعَلُtafʿaluta-…-uZij (v) doet/zal doen
5Vrouwelijk Tweevoudتَفْعَلَانِtafʿalānita-…-āniZij (2 v) doen/zullen doen
6Vrouwelijk Meervoudيَفْعَلْنَyafʿalnaya-…-naZij (v) doen/zullen doen
الْحَاضِر — De Ḥāḍir (2e persoon)
7Mannelijk Enkelvoudتَفْعَلُtafʿaluta-…-uJij (m) doet/zal doen
8Mannelijk Tweevoudتَفْعَلَانِtafʿalānita-…-āniJullie (2 m) doen/zullen doen
9Mannelijk Meervoudتَفْعَلُوْنَtafʿalūnata-…-ūnaJullie (m) doen/zullen doen
10Vrouwelijk Enkelvoudتَفْعَلِيْنَtafʿalīnata-…-īnaJij (v) doet/zal doen
11Vrouwelijk Tweevoudتَفْعَلَانِtafʿalānita-…-āniJullie (2 v) doen/zullen doen
12Vrouwelijk Meervoudتَفْعَلْنَtafʿalnata-…-naJullie (v) doen/zullen doen
الْمُتَكَلِّم — De Mutakallim (1e persoon)
13M/V Enkelvoudأَفْعَلُafʿalua-…-uIk doe/zal doen
14M/V Meervoudنَفْعَلُnafʿaluna-…-uWij doen/zullen doen
📖

Fiʿl Thulāthiyy Mujarrad Ṣaḥīḥ Sālim الْفِعْلُ الثُّلَاثِيُّ الْمُجَرَّدُ الصَّحِيحُ السَّالِمُ

De twintig werkwoorden hieronder behoren allemaal tot dezelfde nette categorie — precies het type dat je in deze les hebt leren vervoegen:

  • Thulāthiyy — drie stamletters (triliteraal).
  • Mujarrad — onvermeerderd, geen extra letters toegevoegd aan de basisstam.
  • Ṣaḥīḥ Sālim — gezond en zuiver: geen zwakke letters (Wāw/Yāʾ/Alif als stamletter), geen Hamzah als stamletter, en geen verdubbeling (Shaddah) tussen de tweede en derde stamletter.

Hieronder zie je elk werkwoord terug zoals het daadwerkelijk in de Qurʾān voorkomt — de theorie die je in de vorige tabbladen leerde, direct herkenbaar in de openbaring zelf.

📋

Overzichtstabel — 20 Werkwoorden

Nr.WortelMāḍīMuḍāriʿBetekenis
1K-T-BكَتَبَيَكْتُبُSchrijven
2ʿ-B-DعَبَدَيَعْبُدُAanbidden
3Kh-L-QخَلَقَيَخْلُقُScheppen
4S-J-DسَجَدَيَسْجُدُNeerknielen
5Sh-K-RشَكَرَيَشْكُرُDankbaar zijn
6Kh-R-JخَرَجَيَخْرُجُNaar buiten gaan
7D-Kh-LدَخَلَيَدْخُلُBinnengaan
8ʿ-L-MعَلِمَيَعْلَمُWeten / Kennen
9Ḍ-R-BضَرَبَيَضْرِبُSlaan / Stellen (van een gelijkenis)
10J-ʿ-LجَعَلَيَجْعَلُMaken / Plaatsen
11Ḥ-S-BحَسِبَيَحْسَبُDenken / Veronderstellen
12F-T-ḤفَتَحَيَفْتَحُOpenen / Oordelen
13Ḥ-K-MحَكَمَيَحْكُمُOordelen / Reageren
14Dh-H-BذَهَبَيَذْهَبُGaan
15K-S-BكَسَبَيَكْسِبُVerdienen / Verkrijgen
16Ẓ-L-MظَلَمَيَظْلِمُOnrecht aandoen
17Ṣ-B-RصَبَرَيَصْبِرُGeduldig zijn
18N-Ṣ-RنَصَرَيَنْصُرُHelpen / Overwinning schenken
19Ḥ-M-LحَمَلَيَحْمِلُDragen
20Gh-F-RغَفَرَيَغْفِرُVergeven

💡 Let op bij nr. 12

Het voorbeeldvers hieronder gebruikt يَفْتَحُ in de betekenis "oordelen" — een mooie illustratie van hoe Fatḥ behalve "openen" ook "beslissen/oordelen" kan betekenen (zoals ook in Sūrah al-Fātiḥah's naam "de openende/beslissende").

1️⃣

Voorbeelden 1–5

1. كَتَبَ / يَكْتُبُ — Schrijven

فَوَيْلٌ لِّلَّذِينَ يَكْتُبُونَ الْكِتَابَ بِأَيْدِيهِمْ ثُمَّ يَقُولُونَ هَـٰذَا مِنْ عِندِ اللَّهِ

"Wee dan degenen die het Boek met hun eigen handen schrijven en vervolgens zeggen: dit komt van Allah…" — Sūrah al-Baqarah (2:79)

2. عَبَدَ / يَعْبُدُ — Aanbidden

إِيَّاكَ نَعْبُدُ وَإِيَّاكَ نَسْتَعِينُ

"U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp." — Sūrah al-Fātiḥah (1:5)

3. خَلَقَ / يَخْلُقُ — Scheppen

لِّلَّهِ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۚ يَخْلُقُ مَا يَشَاءُ

"Aan Allah behoort de heerschappij over de hemelen en de aarde. Hij schept wat Hij wil." — Sūrah ash-Shūrā (42:49)

4. سَجَدَ / يَسْجُدُ — Neerknielen (prostratie)

وَلِلَّهِ يَسْجُدُ مَن فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ طَوْعًا وَكَرْهًا

"En voor Allah knielt neer wie er in de hemelen en op de aarde is, gewillig of onwillig." — Sūrah ar-Raʿd (13:15)

5. شَكَرَ / يَشْكُرُ — Dankbaar zijn

وَمَن يَشْكُرْ فَإِنَّمَا يَشْكُرُ لِنَفْسِهِ

"En wie dankbaar is, is slechts dankbaar voor zichzelf." — Sūrah Luqmān (31:12)

2️⃣

Voorbeelden 6–10

6. خَرَجَ / يَخْرُجُ — Naar buiten gaan / Tevoorschijn komen

يَخْرُجُ مِن بُطُونِهَا شَرَابٌ مُّخْتَلِفٌ أَلْوَانُهُ فِيهِ شِفَاءٌ لِّلنَّاسِ

"Er komt uit hun (de bijen) buiken een drank voort met velerlei kleuren, waarin genezing is voor de mensen." — Sūrah an-Naḥl (16:69)

7. دَخَلَ / يَدْخُلُ — Binnengaan

وَرَأَيْتَ النَّاسَ يَدْخُلُونَ فِي دِينِ اللَّهِ أَفْوَاجًا

"En je ziet de mensen in drommen de religie van Allah binnengaan." — Sūrah an-Naṣr (110:2)

8. عَلِمَ / يَعْلَمُ — Weten / Kennen

يَعْلَمُ مَا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُمْ

"Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is." — Sūrah al-Baqarah, Āyat al-Kursī (2:255)

9. ضَرَبَ / يَضْرِبُ — Slaan / Stellen (van een gelijkenis)

وَيَضْرِبُ اللَّهُ الْأَمْثَالَ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ

"En Allah stelt de mensen gelijkenissen voor, opdat zij zich laten vermanen." — Sūrah Ibrāhīm (14:25)

10. جَعَلَ / يَجْعَلُ — Maken / Plaatsen

وَيَجْعَلُ الرِّجْسَ عَلَى الَّذِينَ لَا يَعْقِلُونَ

"En Hij legt de onreinheid op degenen die hun verstand niet gebruiken." — Sūrah Yūnus (10:100)

3️⃣

Voorbeelden 11–15

11. حَسِبَ / يَحْسَبُ — Denken / Veronderstellen

يَحْسَبُ أَنَّ مَالَهُ أَخْلَدَهُ

"Hij denkt dat zijn rijkdom hem onsterfelijk maakt." — Sūrah al-Humazah (104:3)

12. فَتَحَ / يَفْتَحُ — Openen / Oordelen

قُلْ يَجْمَعُ بَيْنَنَا رَبُّنَا ثُمَّ يَفْتَحُ بَيْنَنَا بِالْحَقِّ وَهُوَ الْفَتَّاحُ الْعَلِيمُ

"Zeg: onze Heer brengt ons samen, en zal dan tussen ons oordelen met de waarheid — Hij is de Alwetende Oordelaar." — Sūrah Sabaʾ (34:26)

13. حَكَمَ / يَحْكُمُ — Oordelen / Reageren

وَاللَّهُ يَحْكُمُ لَا مُعَقِّبَ لِحُكْمِهِ

"En Allah oordeelt; er is niemand die Zijn oordeel kan herroepen." — Sūrah ar-Raʿd (13:41)

14. ذَهَبَ / يَذْهَبُ — Gaan

فَأَيْنَ تَذْهَبُونَ

"Waarheen gaan jullie dan?" — Sūrah at-Takwīr (81:26)

15. كَسَبَ / يَكْسِبُ — Verdienen / Verkrijgen

وَلَا تَكْسِبُ كُلُّ نَفْسٍ إِلَّا عَلَيْهَا

"En geen enkele ziel verdient iets dan tegen zichzelf." — Sūrah al-Anʿām (6:164)

4️⃣

Voorbeelden 16–20

16. ظَلَمَ / يَظْلِمُ — Onrecht aandoen

إِنَّ اللَّهَ لَا يَظْلِمُ مِثْقَالَ ذَرَّةٍ

"Voorwaar, Allah doet geen onrecht, zelfs niet ter grootte van een stofje." — Sūrah an-Nisāʾ (4:40)

17. صَبَرَ / يَصْبِرُ — Geduldig zijn

وَجَعَلْنَا بَعْضَكُمْ لِبَعْضٍ فِتْنَةً أَتَصْبِرُونَ

"…en Wij hebben sommigen van jullie tot een beproeving voor anderen gemaakt — zullen jullie geduldig zijn?" — Sūrah al-Furqān (25:20)

18. نَصَرَ / يَنْصُرُ — Helpen / Overwinning schenken

وَلَيَنصُرَنَّ اللَّهُ مَن يَنصُرُهُ ۗ إِنَّ اللَّهَ لَقَوِيٌّ عَزِيزٌ

"En Allah zal zeker degene helpen die Hem helpt [oftewel die zich inzet voor Zijn religie] — voorwaar, Allah is Sterk en Almachtig." — Sūrah al-Ḥajj (22:40)

19. حَمَلَ / يَحْمِلُ — Dragen

وَهُمْ يَحْمِلُونَ أَوْزَارَهُمْ عَلَىٰ ظُهُورِهِمْ

"Terwijl zij hun lasten op hun ruggen dragen." — Sūrah al-Anʿām (6:31)

20. غَفَرَ / يَغْفِرُ — Vergeven

يَغْفِرُ لِمَن يَشَاءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَاءُ

"Hij vergeeft wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil." — Sūrah Āl ʿImrān (3:129)

🥋

De Dojo — Test je kennis

Neem de tijd om elke vraag voor jezelf te beantwoorden vóór je het antwoord onthult. Bismillāh.

Dojo 1 • De Ghāʾib (3e persoon)
Vorm en herken de eerste zes vormen.
Vorming (Dh-H-B, ذَهَبَ — hij ging): maak eerst de Māḍī-hij-vorm, dan de Wāḥid Mudhakkar Ghāʾib van de Muḍāriʿ. Vertaal.
ذَهَبَ → يَذْهَبُ
dhahaba (hij ging) → yadhhabu (hij gaat/zal gaan).
Vorming (S-M-ʿ, سَمِعَ — hij hoorde, Maksūr al-ʿAyn in de Māḍī): vorm de Jamʿ Muʾannath Ghāʾib van de Muḍāriʿ («zij, vrouwen, horen/zullen horen»). Hint: begin bij de hij-vorm يَسْمَعُ.
يَسْمَعْنَ
yasmaʿna — Yāʾ-voorvoegsel behouden, lām kalimah oftewel derde originele letter sākin, plus Nūn an-Niswah oftewel de letter Noen die het kenmerk is voor vrouwelijk meervoud.
Identificatie: welke sieghah is تَذْهَبَانِ (tadhhabāni, Dh-H-B)? Noem beide mogelijkheden.
تَذْهَبَانِ
Tathniyah Muʾannath Ghāʾib (zij, 2 vrouwen) — vanwege het Tāʾ-voorvoegsel is dít de 3e-persoon-vrouwelijk-lezing. Let op: dezelfde vorm keert terug bij de Ḥāḍir (jullie twee).
Vertaal naar het Arabisch (Sh-R-B, شَرِبَ — drinken): «Jullie (m, tweevoud) drinken/zullen drinken.» Let op: dit is Ḥāḍir, geen Ghāʾib — een strikvraag!
تَشْرَبَانِ
tashrabāni — «jullie» is altijd 2e persoon (Ḥāḍir), dus Tāʾ-voorvoegsel, niet Yāʾ.
Dojo 2 • De Ḥāḍir (2e persoon)
Houd de Tāʾ-vormen uit elkaar — vooral rond het vrouwelijk enkelvoud.
Vorming (Ḍ-R-B, ضَرَبَ — slaan, Maksūr al-ʿAyn in de Mudaari'): vorm Wāḥid Mudhakkar Ḥāḍir («jij, man, slaat/zal slaan»).
تَضْرِبُ
taḍribu — hij-vorm يَضْرِبُ, Yāʾ vervangen door Tāʾ.
Vorming (Ḍ-R-B): vorm nu Wāḥid Muʾannath Ḥāḍir («jij, vrouw, slaat/zal slaan»). Hint: Ḍammah weg, -īna erachter.
تَضْرِبِيْنَ
taḍribīna — de uitgang voor «jij (vrouw)» is -īna, nooit gewoon -u.
Identificatie: welke sieghah is تَفْهَمِيْنَ (tafhamīna, F-H-M — begrijpen)? Vertaal.
تَفْهَمِيْنَ
Wāḥid Muʾannath Ḥāḍir — «jij (vrouw) begrijpt/zal begrijpen.»
Vertaal naar het Arabisch (S-M-ʿ, سَمِعَ — horen): «Hoor jij (vrouw)?» Let op: gebruik de juiste 2e-persoon-vrouwelijk-uitgang.
تَسْمَعِيْنَ
tasmaʿīna — Wāḥid Muʾannath Ḥāḍir.
Laatste Dojo • Mutakallim & De Grote Mix
De valkuilen: Hamzah vs. Nūn, en de mogelijke verwarring rond تَفْعَلُ.
Vorming (K-T-B, كَتَبَ — schrijven): vorm Wāḥid Mutakallim («ik schrijf/zal schrijven») en Jamʿ Mutakallim («wij schrijven/zullen schrijven»).
أَكْتُبُ • نَكْتُبُ
aktubu (ik — Hamzah) en naktubu (wij — Nūn).
De Grote Mix — vertaal en benoem de sieghah. Let scherp op het voorvoegsel:
يَعْلَمُوْنَ · تَعْلَمُ · أَعْلَمُ · نَعْلَمُ (ʿ-L-M — weten)
• يَعْلَمُوْنَ yaʿlamūna = Zij (m, groep) weten/zullen weten.
• تَعْلَمُ taʿlamu = Zij (v) weet, óf jij (m) weet — context beslist.
• أَعْلَمُ aʿlamu = Ik weet/zal weten.
• نَعْلَمُ naʿlamu = Wij weten/zullen weten.
Vertaal naar het Arabisch (Dh-H-B, ذَهَبَ — gaan): «Zij (vrouwen, groep) gaan/zullen gaan.»
يَذْهَبْنَ
yadhhabna — Jamʿ Muʾannath Ghāʾib. Verwar dit niet met نَذْهَبُ («wij gaan»)!
🧾

Samenvatting van de 14 Sieghah's

groepKernregel
3e persoon (Ghāʾib)Voorvoegsel Yāʾ — behalve de vrouwen-enkelvoud/tweevoud (Sieghah 4/5), die met Tāʾ beginnen. Bij Sieghah 6 keert de Yāʾ terug, mét sākin lām kalimah.
2e persoon (Ḥāḍir)Voorvoegsel altijd Tāʾ. Suffixen: -u, -āni, -ūna, -īna, -āni, -na.
1e persoon (Mutakallim)Voorvoegsel Hamzah (ik) of Nūn (wij) — beide met suffix -u.
⚠️

De Gevaarzone — let op het voorvoegsel!

A. De verwarrende تَفْعَلُ

تَفْعَلُ (tafʿalu) betekent zowel «zij (v) doet/zal doen» (Sieghah 4) als «jij (m) doet/zal doen» (Sieghah 7) — twee compleet verschillende doeners, één identieke vorm. Alleen de context redt je hier.

B. «Zij (vrouwen)» vs. «Wij»

• يَفْعَلْنَ (yafʿalna — Yāʾ-voorvoegsel) = Zij (vrouwen) doen/zullen doen.
• نَفْعَلُ (nafʿalu — Nūn-voorvoegsel) = Wij doen/zullen doen.
Verwar deze niet — het voorvoegsel toont de doener.

C. «Jij (vrouw)» — vergeet de -īna niet

تَفْعَلِيْنَ (tafʿalīna) is de enige Ḥāḍir-vorm met een lange -īna-uitgang. Laat je deze weg, dan klinkt het als «jij (m)/zij (v)» in plaats van «jij (vrouw)».

🤍

Tafakkur & De Weg Vooruit

De Muḍāriʿ is de tijd van Allah's voortdurende en toekomende handelen in de Qurʾān: يَخْلُقُ (Hij schept), يَرْزُقُ (Hij voorziet), يَهْدِي (Hij leidt), يَغْفِرُ (Hij vergeeft). Waar de Māḍī je liet zien wát er gebeurde, laat de Muḍāriʿ je voelen dat het nú, telkens opnieuw gebeurt — Allah's zorg voor Zijn schepping stopt niet bij het voltooid verleden.

Volgende stap

Je beheerst nu zowel de Fiʿl Māḍī als de Fiʿl Muḍāriʿ. De natuurlijke volgende stap is de Fiʿl Amr (de gebiedende wijs) — hoe je vanuit de Muḍāriʿ een bevel of verzoek vormt. In shāʾ Allāh bouwen we daarop voort.

رَّبِّ زِدْنِي عِلْمًا

Rabbi zidnī ʿilman — «Mijn Heer, vermeerder mij in kennis.» (Sūrah Ṭā-Hā 20:114)

📖 Terug naar de cursus 📲 Studeerhulpmiddelen
📥

Extra Materiaal — Downloadbaar Naslagwerk

Als aanvulling op deze les kun je onderstaand document downloaden: een compact, zelfstandig leestraject dat dezelfde stof — de Fiʿl Muḍāriʿ Thulāthiyy Mujarrad Ṣaḥīḥ (bevestigend, actief) — nog een keer helemaal doorloopt, maar dan aan de hand van een ander model-werkwoord: سَجَدَ (sadjada — knielen/zich neerwerpen in aanbidding) in plaats van فَعَلَ.

💡 Waarom een ander model-werkwoord?

Dit is precies de bedoeling: door dezelfde vervoegingsregels op een ander werkwoord toe te passen, toets je of je het patroon echt begrepen hebt — en niet slechts één voorbeeld uit je hoofd hebt geleerd. سَجَدَ heeft bovendien een mooie, rijke betekenis (het neerwerpen in aanbidding, Sudjoed) die het extra de moeite waard maakt.

📋

Wat staat er in het document?

Het document is opgebouwd in drie mini-lessen, precies als de tabbladen hierboven:

OnderdeelInhoud
Les 1 van 3De basis van de Muḍāriʿ (de vier Ḥurūf al-Muḍāraʿah / «Atayna») en de volledige Ghāʾib-vervoeging (3e persoon, 6 vormen) van سَجَدَ → يَسْجُدُ, met Qurʾān-voorbeelden (o.a. Sūrah al-Ḥajj 22:18, al-Aʿrāf 7:206).
Les 2 van 3De volledige Ḥāḍir-vervoeging (2e persoon, 6 vormen), inclusief de veelvoorkomende valkuilen (identieke tweevoud-vormen, jij-m/zij-v-verwarring), met Qurʾān-voorbeelden (o.a. Sūrah al-Kāfirūn 109:2, al-Baqarah 2:28, al-Ghāshiyah 88:11).
Les 3 van 3De Mutakallim-vervoeging (1e persoon, 2 vormen) met Qurʾān-voorbeelden (Sūrah al-Isrāʾ 17:61, al-Fātiḥah 1:5), afgesloten met een volledige mastertabel van alle 14 sieghah's van سَجَدَ in één overzicht — een handig spiekbriefje om naast de tabellen uit deze les te leggen.
📄

Download het document

Sla het op om offline te herhalen, uit te printen, of als extra oefenmateriaal naast de tabbladen hierboven.

📥 Download de PDF (سَجَدَ — 3 lessen)
📖

De Twintig Volgende Meest Frequente Qurʾān-woorden

Dit tabblad bouwt voort op de 144 woorden die u al kent (Module 1 t/m 4, en Blok 2 · Les 1). Het bevat de tien nieuwe werkwoorden die in déze les als voorbeeld zijn gebruikt (in de Dojo- en Qurʾān-Voorbeelden-tabbladen), aangevuld met de eerstvolgende meest frequente woorden uit de Qurʾān (bron: Quranic Arabic Corpus, corpus.quran.com) tot een totaal van twintig.

🔑 Over de categorieën

Tijdsbijwoorden (إِذْ, قَبْلَ) en plaatsbijwoorden (بَيْنَ, عِندَ) zijn hier — grammaticaal correct — als Ism gemarkeerd (Ẓarf), ook al voelen ze aan als voorzetsels. Bij elk werkwoord staat de Baab vermeld; dit keer zijn dat er opvallend veel uit Baab Ḍaraba (ض) — een mooie gelegenheid om dat patroon extra te consolideren.

🔎

Simpele Lijst — Snel Leren بِدُونِ تَفْصِيل

Alleen het Arabisch, de transliteratie en de vertaling — zonder verdere uitleg, om de woorden in één keer te kunnen doorlopen.

Nr.ArabischTransliteratieVertaling
1حَسِبَḤasibaHij dacht, hij veronderstelde
2حَكَمَḤakamaHij oordeelde, hij regeerde
3حَمَلَḤamalaHij droeg, hij nam op zich
4سَجَدَSajadaHij knielde neer, hij prosterneerde (Sudjoed)
5شَرِبَSharibaHij dronk
6صَبَرَṢabaraHij was geduldig, hij volhardde
7ضَرَبَḌarabaHij sloeg; hij gaf (een voorbeeld)
8ظَلَمَẒalamaHij deed onrecht, hij verdrukte
9فَعَلَFaʿalaHij deed
10كَسَبَKasabaHij verdiende, hij verwierf
11بَيْنَBaynaTussen
12حَقٌّḤaqqunWaarheid, recht
13إِذْIdhToen (op het moment dat)
14أُولَٰٓئِكَUlāʾikaDie, diegenen (meervoud, op afstand)
15قَبْلَQablaVoor, vóór (in tijd)
16مُؤْمِنٌMuʾminunGelovige
17لَوْLawAls, indien (irrealis — een niet-werkelijke voorwaarde)
18سَبِيلٌSabīlunPad, weg
19عِندَʿIndaBij
20بَعْضٌBaʿḍunSommige, een deel (van)
📚

Volledige Uitleg per Woord مَعَ أَمْثِلَةٍ مِنَ الْقُرْآنِ

1 حَسِبَ Ḥasiba — Hij dacht, hij veronderstelde
FiʿlḤasiba (ح) — modelwerkwoord

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḥ-S-B — het modelwerkwoord van Baab Ḥasiba zelf, al vaker genoemd in eerdere lessen.

Muḍāriʿ: يَحْسِبُ (yaḥsibu), kasrah–kasrah.

أَحَسِبَ النَّاسُ أَن يُتْرَكُوا أَن يَقُولُوا آمَنَّا وَهُمْ لَا يُفْتَنُونَ
«Denken de mensen dat zij met rust gelaten worden om te zeggen: 'Wij geloven', zonder op de proef gesteld te worden?» Sūrah al-ʿAnkabūt 29:2 أَحَسِبَ = Hamzat al-Istifhām (vraag) + حَسِبَ. نَاسٌ en آمَنَّا (van آمَنَ) komen hier ook voor, beide al bekend.
2 حَكَمَ Ḥakama — Hij oordeelde, hij regeerde
FiʿlNaṣara (ن)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḥ-K-M.

Muḍāriʿ: يَحْكُمُ (yaḥkumu), fatḥah–ḍammah.

وَمَن لَّمْ يَحْكُم بِمَا أَنزَلَ اللَّهُ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْكَافِرُونَ
«En wie niet oordeelt volgens wat Allah heeft neergezonden — dat zijn de ongelovigen.» Sūrah al-Māʾidah 5:44 لَمْ, أَنزَلَ en de wortel van كَفَرَ staan hier allemaal samen, al bekend.
3 حَمَلَ Ḥamala — Hij droeg, hij nam op zich
FiʿlḌaraba (ض)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḥ-M-L.

Muḍāriʿ: يَحْمِلُ (yaḥmilu), fatḥah–kasrah.

إِنَّا عَرَضْنَا الْأَمَانَةَ عَلَى السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَالْجِبَالِ فَأَبَيْنَ أَن يَحْمِلْنَهَا وَأَشْفَقْنَ مِنْهَا وَحَمَلَهَا الْإِنسَانُ
«Voorwaar, Wij boden het Vertrouwen aan de hemelen, de aarde en de bergen aan, maar zij weigerden het te dragen en waren er bevreesd voor; en de mens nam het op zich.» Sūrah al-Aḥzāb 33:72 De beroemde Āyat al-Amānah.
4 سَجَدَ Sajada — Hij knielde neer, hij prosterneerde (Sudjoed)
FiʿlNaṣara (ن)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel S-J-D — het modelwerkwoord van het downloadbare aanvullende document bij deze les.

Muḍāriʿ: يَسْجُدُ (yasjudu), fatḥah–ḍammah.

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ
«En toen Wij tegen de engelen zeiden: 'Kniel neer voor Ādam' — zij knielden neer, behalve Iblīs.» Sūrah al-Baqarah 2:34 إِذْ (woord 13 hieronder) en إِلَّا komen hier ook voor, beide al bekend.
5 شَرِبَ Shariba — Hij dronk
FiʿlSamiʿa (س)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Sh-R-B.

Muḍāriʿ: يَشْرَبُ (yashrabu), kasrah–fatḥah.

فَشَرِبُوا مِنْهُ إِلَّا قَلِيلًا مِّنْهُمْ
«Toen dronken zij ervan, behalve een klein aantal van hen.» Sūrah al-Baqarah 2:249 Uit het verhaal van Ṭālūt en de rivier.
6 صَبَرَ Ṣabara — Hij was geduldig, hij volhardde
FiʿlḌaraba (ض)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ṣ-B-R.

Muḍāriʿ: يَصْبِرُ (yaṣbiru), fatḥah–kasrah.

وَمَا يُلَقَّاهَا إِلَّا الَّذِينَ صَبَرُوا وَمَا يُلَقَّاهَا إِلَّا ذُو حَظٍّ عَظِيمٍ
«En het wordt niemand geschonken, behalve degenen die geduldig waren; en het wordt niemand geschonken, behalve de bezitter van een geweldig aandeel.» Sūrah Fuṣṣilat 41:35 إِلَّا en الَّذِي komen hier ook voor, beide al bekend.
7 ضَرَبَ Ḍaraba — Hij sloeg; hij gaf (een voorbeeld)
FiʿlḌaraba (ض) — modelwerkwoord

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḍ-R-B — het modelwerkwoord van Baab Ḍaraba zelf. Idiomatisch: ضَرَبَ مَثَلًا = «een gelijkenis geven».

Muḍāriʿ: يَضْرِبُ (yaḍribu), fatḥah–kasrah.

أَلَمْ تَرَ كَيْفَ ضَرَبَ اللَّهُ مَثَلًا كَلِمَةً طَيِّبَةً كَشَجَرَةٍ طَيِّبَةٍ
«Heb jij niet gezien hoe Allah een gelijkenis geeft: een goed woord is als een goede boom?» Sūrah Ibrāhīm 14:24 كَلِمَةٌ, طَيِّبٌ en شَجَرَةٌ staan hier allemaal samen, al bekend.
8 ظَلَمَ Ẓalama — Hij deed onrecht, hij verdrukte
FiʿlḌaraba (ض)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ẓ-L-M.

Muḍāriʿ: يَظْلِمُ (yaẓlimu), fatḥah–kasrah.

وَمَا ظَلَمُونَا وَلَٰكِن كَانُوا أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ
«En zij deden Ons geen onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan.» Sūrah al-Baqarah 2:57 لَٰكِنَّ, كَانَ en نَفْسٌ staan hier allemaal samen, al bekend.
9 فَعَلَ Faʿala — Hij deed
FiʿlFataḥa (ف)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel F-ʿ-L — dit is de wortel waarnaar de hele les verwijst als grammaticaal model (فَعَلَ / يَفْعَلُ), maar als los woord komt het ook zelfstandig in de Qurʾān voor.

Muḍāriʿ: يَفْعَلُ (yafʿalu), fatḥah–fatḥah.

وَمَن يَفْعَلْ ذَٰلِكَ فَقَدْ ظَلَمَ نَفْسَهُ
«En wie dat doet, heeft zichzelf zeker onrecht aangedaan.» Sūrah al-Baqarah 2:231 ذَٰلِكَ, قَدْ, ظَلَمَ (woord 8 hierboven) en نَفْسٌ staan hier allemaal samen — allemaal al bekend.
10 كَسَبَ Kasaba — Hij verdiende, hij verwierf
FiʿlḌaraba (ض)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel K-S-B.

Muḍāriʿ: يَكْسِبُ (yaksibu), fatḥah–kasrah.

لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا مَا اكْتَسَبَتْ
«Voor haar is wat zij verdiende, en tegen haar is wat zij verwierf.» Sūrah al-Baqarah 2:286 Het beroemde slotvers van Sūrah al-Baqarah.
11 بَيْنَ Bayna — Tussen
Ism

Ẓarf Makān (plaatsbijwoord) — grammaticaal een Ism, ook al fungeert het als voorzetsel-achtig woord.

إِنَّمَا الْمُؤْمِنُونَ إِخْوَةٌ فَأَصْلِحُوا بَيْنَ أَخَوَيْكُمْ
«De gelovigen zijn immers broeders, dus verzoen tussen jullie twee broeders.» Sūrah al-Ḥujurāt 49:10 الْمُؤْمِنُونَ komt hier voor, van مُؤْمِنٌ (woord 16 hieronder).
12 حَقٌّ Ḥaqqun — Waarheid, recht
Ism
وَلَا تَلْبِسُوا الْحَقَّ بِالْبَاطِلِ وَتَكْتُمُوا الْحَقَّ وَأَنتُمْ تَعْلَمُونَ
«En vermeng de waarheid niet met de valsheid, en verberg de waarheid niet, terwijl jullie het weten.» Sūrah al-Baqarah 2:42
13 إِذْ Idh — Toen (op het moment dat)
Ism

Ẓarf Zamān (tijdsbijwoord) — grammaticaal een Ism.

وَإِذْ قَالَ رَبُّكَ لِلْمَلَائِكَةِ إِنِّي جَاعِلٌ فِي الْأَرْضِ خَلِيفَةً
«En toen jouw Heer tegen de engelen zei: 'Voorwaar, Ik ga op de aarde een gevolmachtigde aanstellen.'» Sūrah al-Baqarah 2:30 قَالَ, رَبٌّ en أَرْضٌ staan hier allemaal samen, al bekend.
14 أُولَٰٓئِكَ Ulāʾika — Die, diegenen (meervoud, op afstand)
Ism

Ism Ishārah — meervoudsvorm van het aanwijzend voornaamwoord (vergelijk ذَٰلِكَ, al bekend, voor het enkelvoud).

أُولَٰئِكَ عَلَىٰ هُدًى مِّن رَّبِّهِمْ ۖ وَأُولَٰئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ
«Zij zijn het die de Leiding van hun Heer volgen, en zij zijn degenen die welslagen.» Sūrah al-Baqarah 2:5
15 قَبْلَ Qabla — Voor, vóór (in tijd)
Ism

Ẓarf Zamān (tijdsbijwoord) — grammaticaal een Ism.

وَالَّذِينَ يُؤْمِنُونَ بِمَا أُنزِلَ إِلَيْكَ وَمَا أُنزِلَ مِن قَبْلِكَ
«En degenen die geloven in wat aan jou is neergezonden en wat vóór jou is neergezonden.» Sūrah al-Baqarah 2:4 الَّذِي en أَنزَلَ komen hier ook voor, beide al bekend.
16 مُؤْمِنٌ Muʾminun — Gelovige
Ism

Ism Fāʿil (actief deelwoord van آمَنَ, al bekend) dat als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt.

وَالْمُؤْمِنُونَ وَالْمُؤْمِنَاتُ بَعْضُهُمْ أَوْلِيَاءُ بَعْضٍ
«En de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn elkaars beschermers.» Sūrah at-Tawbah 9:71 بَعْضٌ (woord 20 hieronder) komt hier zelfs tweemaal voor, in één vers.
17 لَوْ Law — Als, indien (irrealis — een niet-werkelijke voorwaarde)
Ḥarf

Ḥarf Sharṭ Ghayr Jāzim — anders dan إِنْ (al bekend) drukt لَوْ een voorwaarde uit die in werkelijkheid niet is vervuld.

وَلَوْ عَلِمَ اللَّهُ فِيهِمْ خَيْرًا لَّأَسْمَعَهُمْ
«En als Allah in hen iets goeds had geweten, zou Hij hen zeker hebben laten horen.» Sūrah al-Anfāl 8:23 عَلِمَ en خَيْرٌ komen hier ook voor, beide al bekend.
18 سَبِيلٌ Sabīlun — Pad, weg
Ism
وَلَا تَقُولُوا لِمَن يُقْتَلُ فِي سَبِيلِ اللَّهِ أَمْوَاتٌ ۚ بَلْ أَحْيَاءٌ
«En zeg niet over degenen die gedood worden op de weg van Allah: 'Doden' — nee, zij zijn levend.» Sūrah al-Baqarah 2:154 De beroemde uitdrukking «fī sabīlillāh».
19 عِندَ ʿInda — Bij
Ism

Ẓarf Makān (plaatsbijwoord) — grammaticaal een Ism.

إِنَّ الدِّينَ عِندَ اللَّهِ الْإِسْلَامُ
«Voorwaar, de religie bij Allah is de Islam.» Sūrah Āl ʿImrān 3:19 إِنَّ en دِينٌ komen hier ook voor, beide al bekend.
20 بَعْضٌ Baʿḍun — Sommige, een deel (van)
Ism
وَالْمُؤْمِنُونَ وَالْمُؤْمِنَاتُ بَعْضُهُمْ أَوْلِيَاءُ بَعْضٍ
«En de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn elkaars beschermers.» Sūrah at-Tawbah 9:71 Zelfde vers als مُؤْمِنٌ hierboven — بَعْضٌ komt er zelfs tweemaal in voor.