Bismillāh — De Tegenwoordige/Toekomende Tijd الْفِعْلُ الْمُضَارِعُ
Dierbare student, In Les 12 doorgrondde je de Fiʿl Māḍī — de voltooide handeling / verleden tijd. Nu wenden we ons tot haar tegenhanger: de Fiʿl Muḍāriʿ, het werkwoord voor een handeling die nú plaatsvindt of nog gaat plaatsvinden: hij doet/zal doen, zij schrijft/zal schrijven, wij gaan/zullen gaan.
Ook hier behandelen we de Thulāthī Mujarrad (drie originele wortelletters), van de categorie Maftūḥ al-ʿAyn — waar de ʿayn al-kalimah een Fatḥah draagt. Het modelpatroon is يَفْعَلُ (yafʿalu), afgeleid van de wortel F-ʿ-L.
Hoe wordt de Fiʿl Muḍāriʿ gevormd? عَلَامَاتُ الْمُضَارِعِ
De Muḍāriʿ wordt niet vanuit het niets gevormd — hij wordt gebouwd op de Māḍī, en wel op de Wāḥid Mudhakkar Ghāʾib (Derde Persoon, Mannelijk, Enkelvoud) (de hij-vorm) die u al kent. Volg de zes stappen, hier toegepast op de wortel F-T-Ḥ (openen):
| Stap | Wat gebeurt er | Resultaat |
|---|---|---|
| 1 | Neem de hij-vorm van de Māḍī: Faa- en Lām-ul Kalimah krijgen een Fatḥah, ʿAyn-ul Kalimah de bijpassende Ḥarakah. | فَتَحَ |
| 2 | Plaats ervoor één van de vier Ḥurūf al-Muḍāraʿah («Atayn»-letters): أ ت ن ي. Hier de Yāʾ. | يفَتَحَ |
| 3 | De toegevoegde letter krijgt een Fatḥah. | يَفَتَحَ |
| 4 | De letter erna (de Faa-ul Kalimah) krijgt een Sukūn. | يَفْتَحَ |
| 5 | De laatste letter krijgt een Ḍammah. | يَفْتَحُ |
| 6 | De overige letters blijven zoals ze zijn (tenzij de Baab een andere Ḥarakah op de ʿAyn vraagt). | يَفْتَحُ |
🔑 De vier Ḥurūf al-Muḍāraʿah — «Atayn»
Onthoud de vier voorvoegsel-letters samen als één woord: أَتَيْن — Atayn (أ · ت ·ي · ن ). Elke Muḍāriʿ-vorm begint met precies één van deze vier.
De Drie groepjes van 14 Sieghah's الصِّيَغُ الْأَرْبَعَ عَشْرَةَ
Net als bij de Māḍī telt de volledige vervoeging 14 sieghah's, verdeeld over drie groepjes. Bij de Muḍāriʿ draaien de groepjes echter om een voorvoegsel in plaats van een suffix:
| Groep | Arabisch | Wie? | Sieghah's |
|---|---|---|---|
| Ghāʾib (Afwezig) | الْغَائِب | Hij / zij / zij-twee / zij-groep (3e persoon) | 1 t/m 6 |
| Ḥāḍir (Aanwezig) | الْحَاضِر | Jij / jullie-twee / jullie-groep (2e persoon) | 7 t/m 12 |
| Mutakallim (Spreker) | الْمُتَكَلِّم | Ik / wij (1e persoon) | 13 & 14 |
🔑 Hoe je de tabellen leest
Elke vorm bestaat uit een voorvoegsel (soms ook een suffix) plus de stam. In de transliteratie markeren we het voorvoegsel/suffix, en laten we de stam ongemarkeerd.
De Drie Categorieën van de ʿAyn-ul Kalimah
Zoals bij de Māḍī, draagt ook bij de Muḍāriʿ de ʿayn al-kalimah (tweede wortelletter) niet bij ieder werkwoord dezelfde Ḥarakah. Drie categorieën:
| Categorie | Arabisch | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|---|
| Maftūḥ al-ʿAyn | مَفْتُوْحُ الْعَيْنِ | يَفْتَحُ · يَذْهَبُ | hij opent/zal openen · hij gaat/zal gaan |
| Maksūr al-ʿAyn | مَكْسُوْرُ الْعَيْنِ | يَضْرِبُ · يَجْلِسُ | hij slaat/zal slaan · hij zit/zal zitten |
| Maḍmūm al-ʿAyn | مَضْمُوْمُ الْعَيْنِ | يَنْصُرُ · يَسْكُنُ | hij helpt/zal helpen · hij woont/zal wonen |
💡 Let op
De categorie van een werkwoord in de Muḍāriʿ hoeft niet dezelfde te zijn als in de Māḍī — dit moet per werkwoord geleerd worden. In deze les vervoegen we consequent volgens het model يَفْعَلُ (Maftūḥ al-ʿAyn); de vervoeging zelf (de 14 sieghah's) verloopt voor alle drie de categorieën identiek.
Deel 1 · De Ghāʾib (3e persoon) الْغَائِب
We beginnen bij de basisvorm die je al kent: de Wāḥid Mudhakkar Ghāʾib (hij-vorm), gebouwd met de Yāʾ. Vanuit hier leiden we de overige vijf Ghāʾib-vormen af.
| Nr. | Sieghah (terminologie) | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Wāḥid Mudhakkar Ghāʾib | Mannelijk Enkelvoud | يَفْعَلُ | yafʿalu | Hij doet/zal doen |
| 2 | Tathniyah Mudhakkar Ghāʾib | Mannelijk Tweevoud | يَفْعَلَانِ | yafʿalāni | Zij (2 m) doen/zullen doen |
| 3 | Jamʿ Mudhakkar Ghāʾib | Mannelijk Meervoud | يَفْعَلُوْنَ | yafʿalūna | Zij (m, allen) doen/zullen doen |
| 4 | Wāḥid Muʾannath Ghāʾib | Vrouwelijk Enkelvoud | تَفْعَلُ | tafʿalu | Zij (v) doet/zal doen |
| 5 | Tathniyah Muʾannath Ghāʾib | Vrouwelijk Tweevoud | تَفْعَلَانِ | tafʿalāni | Zij (2 v) doen/zullen doen |
| 6 | Jamʿ Muʾannath Ghāʾib | Vrouwelijk Meervoud | يَفْعَلْنَ | yafʿalna | Zij (v) doen/zullen doen (kantelpunt!) |
Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد
Hoe leiden we deze zes vormen af van de basis يَفْعَلُ?
- Sieghah 1 (basis): De Ḥarf al-Muḍāraʿah is een Yāʾ, de laatste letter draagt een Ḍammah. Dit is de woordenboekvorm.
- Sieghah 2 (+ ānī): Achter de hij-vorm plaats je ..َانِ (-āni, kenmerk van tweevoud). De Ḍammah van de laatste letter vervalt en wordt vervangen door de Fatḥah van de -āni.
- Sieghah 3 (+ ūna): Achter de hij-vorm plaats je ..ُوْنَ (-ūna, kenmerk van mannelijk meervoud).
- Sieghah 4 (Yāʾ → Tāʾ): De hij-vorm blijft ongewijzigd, behalve dat de Yāʾ aan het begin wordt vervangen door een Tāʾ — het kenmerk van de vrouwelijke derde persoon.
- Sieghah 5 (Yāʾ → Tāʾ + ānī): Hetzelfde als Sieghah 4, maar dan op het tweevoud (Sieghah 2) toegepast: ook hier vervangt de Tāʾ de Yāʾ.
- Sieghah 6 (Sukūn + na): Pak de hij-vorm en geef de laatste letter een Sukūn (dus yafʿal); plak daarachter نَ (-na).
⚠️ Het kantelpunt (Sieghah 6)
Let op: Sieghah 6 keert terug naar de Yāʾ-voorvoegsel (niet Tāʾ zoals Sieghah 4 en 5), en de lām al-kalimah wordt hier sākin. Dus niet yafʿalu, maar yafʿalna. Deze combinatie — Yāʾ terug, stam sākin — is een veelgemaakte fout; oefen hem apart.
Deel 2 · De Ḥāḍir (2e persoon) الْحَاضِر
Nu richten we ons tot de persoon die we aanspreken: de Ḥāḍir (jij, jullie-twee, jullie-groep). Dit zijn Sieghah 7 t/m 12.
🪙 De gouden regel
Alle Ḥāḍir-vormen beginnen met de Tāʾ — je neemt steeds de hij-vorm of de Sieghah 6-vorm en vervangt de Yāʾ (of voegt de Tāʾ toe waar de hij-vorm die nog niet heeft). De stam -fʿal- zelf verandert niet.
| Nr. | Sieghah (terminologie) | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| 7 | Wāḥid Mudhakkar Ḥāḍir | Mannelijk Enkelvoud | تَفْعَلُ | tafʿalu | Jij (m) doet/zal doen |
| 8 | Tathniyah Mudhakkar Ḥāḍir | Mannelijk Tweevoud | تَفْعَلَانِ | tafʿalāni | Jullie (2 m) doen/zullen doen |
| 9 | Jamʿ Mudhakkar Ḥāḍir | Mannelijk Meervoud | تَفْعَلُوْنَ | tafʿalūna | Jullie (m) doen/zullen doen |
| 10 | Wāḥid Muʾannath Ḥāḍir | Vrouwelijk Enkelvoud | تَفْعَلِيْنَ | tafʿalīna | Jij (v) doet/zal doen |
| 11 | Tathniyah Muʾannath Ḥāḍir | Vrouwelijk Tweevoud | تَفْعَلَانِ | tafʿalāni | Jullie (2 v) doen/zullen doen |
| 12 | Jamʿ Muʾannath Ḥāḍir | Vrouwelijk Meervoud | تَفْعَلْنَ | tafʿalna | Jullie (v) doen/zullen doen |
Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد
- Sieghah 7 (basis): Neem de hij-vorm يَفْعَلُ en vervang de Yāʾ door een Tāʾ. Zo wordt yafʿalu tot tafʿalu.
- Sieghah 8 (+ ānī): Achter Sieghah 7 plaats je ..َانِ (-āni), het kenmerk van tweevoud — de Ḍammah vervalt.
- Sieghah 9 (+ ūna): Achter Sieghah 7 plaats je ..ُوْنَ (-ūna), het kenmerk van mannelijk meervoud.
- Sieghah 10 (Ḍammah → īna): Neem Sieghah 7, haal de Ḍammah van de laatste letter weg, en plak ..ِيْنَ (-īna) erachter.
- Sieghah 11 (+ ānī): Identiek aan Sieghah 8 — in het tweevoud van de 2e persoon bestaat geen onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk.
- Sieghah 12 (Sukūn + na): Neem de hij-vorm, vervang de Yāʾ door een Tāʾ, geef de laatste letter een Sukūn, en plak نَ (-na) erachter.
⚠️ Let op bij Sieghah 7 en Sieghah 4
تَفْعَلُ (tafʿalu) is volledig identiek aan Sieghah 4 (zij, vrouwelijk enkelvoud, 3e persoon). Alleen de context van het gesprek maakt duidelijk of «jij (m)» of «zij (v)» bedoeld wordt.
🪙 En het tweevoud (Sieghah 8/11)?
In het tweevoud van de tweede persoon bestaat sowieso geen onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk — Sieghah 8 en 11 zijn dus twee namen voor exact dezelfde vorm تَفْعَلَانِ.
Deel 3 · De Mutakallim (1e persoon) الْمُتَكَلِّم
De finale: de Mutakallim, de spreker (ik en wij). Dit zijn Sieghah 13 en 14.
💡 Bijzonderheid
Net als bij de Māḍī is er in de eerste persoon geen onderscheid in geslacht, en valt «wij twee» onder dezelfde vorm als «wij groep». Beide vormen ontstaan door de Yāʾ van de hij-vorm te vervangen — hier niet door een Tāʾ, maar door een Hamzah (ik) of een Nūn (wij).
| Nr. | Sieghah (terminologie) | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| 13 | Wāḥid Mutakallim | M/V Enkelvoud | أَفْعَلُ | afʿalu | Ik doe/zal doen |
| 14 | Jamʿ Mutakallim | M/V Meervoud (& tweevoud) | نَفْعَلُ | nafʿalu | Wij doen/zullen doen |
Uitleg & Kenmerken الْقَوَاعِد
- Sieghah 13 (Yāʾ → Hamzah): Neem de hij-vorm يَفْعَلُ en vervang de Yāʾ door een Hamzah: yafʿalu → afʿalu.
- Sieghah 14 (Yāʾ → Nūn): Neem dezelfde hij-vorm en vervang de Yāʾ nu door een Nūn: yafʿalu → nafʿalu.
Een Belangrijk Contrast
⚠️ 1. Mogelijke verwarring: تَفْعَلُ
Deze ene vorm (tafʿalu) draagt twee mogelijke betekenissen: Sieghah 4 («zij, vrouwelijk enkelvoud») én Sieghah 7 («jij, mannelijk enkelvoud»). Alleen de zinscontext beslist wie bedoeld wordt.
De Volledige Tabel — 14 Sieghah's جَدْوَلُ التَّصْرِيف
Hier staan alle veertien vormen samen, als naslagwerk. De drie groepjes zijn met een goudtint gemarkeerd.
| Nr. | Geslacht & Getal | Arabisch | Transliteratie | Voorvoegsel/Suffix | Betekenis |
|---|---|---|---|---|---|
| الْغَائِب — De Ghāʾib (3e persoon) | |||||
| 1 | Mannelijk Enkelvoud | يَفْعَلُ | yafʿalu | ya-…-u | Hij doet/zal doen |
| 2 | Mannelijk Tweevoud | يَفْعَلَانِ | yafʿalāni | ya-…-āni | Zij (2 m) doen/zullen doen |
| 3 | Mannelijk Meervoud | يَفْعَلُوْنَ | yafʿalūna | ya-…-ūna | Zij (m) doen/zullen doen |
| 4 | Vrouwelijk Enkelvoud | تَفْعَلُ | tafʿalu | ta-…-u | Zij (v) doet/zal doen |
| 5 | Vrouwelijk Tweevoud | تَفْعَلَانِ | tafʿalāni | ta-…-āni | Zij (2 v) doen/zullen doen |
| 6 | Vrouwelijk Meervoud | يَفْعَلْنَ | yafʿalna | ya-…-na | Zij (v) doen/zullen doen |
| الْحَاضِر — De Ḥāḍir (2e persoon) | |||||
| 7 | Mannelijk Enkelvoud | تَفْعَلُ | tafʿalu | ta-…-u | Jij (m) doet/zal doen |
| 8 | Mannelijk Tweevoud | تَفْعَلَانِ | tafʿalāni | ta-…-āni | Jullie (2 m) doen/zullen doen |
| 9 | Mannelijk Meervoud | تَفْعَلُوْنَ | tafʿalūna | ta-…-ūna | Jullie (m) doen/zullen doen |
| 10 | Vrouwelijk Enkelvoud | تَفْعَلِيْنَ | tafʿalīna | ta-…-īna | Jij (v) doet/zal doen |
| 11 | Vrouwelijk Tweevoud | تَفْعَلَانِ | tafʿalāni | ta-…-āni | Jullie (2 v) doen/zullen doen |
| 12 | Vrouwelijk Meervoud | تَفْعَلْنَ | tafʿalna | ta-…-na | Jullie (v) doen/zullen doen |
| الْمُتَكَلِّم — De Mutakallim (1e persoon) | |||||
| 13 | M/V Enkelvoud | أَفْعَلُ | afʿalu | a-…-u | Ik doe/zal doen |
| 14 | M/V Meervoud | نَفْعَلُ | nafʿalu | na-…-u | Wij doen/zullen doen |
Fiʿl Thulāthiyy Mujarrad Ṣaḥīḥ Sālim الْفِعْلُ الثُّلَاثِيُّ الْمُجَرَّدُ الصَّحِيحُ السَّالِمُ
De twintig werkwoorden hieronder behoren allemaal tot dezelfde nette categorie — precies het type dat je in deze les hebt leren vervoegen:
- Thulāthiyy — drie stamletters (triliteraal).
- Mujarrad — onvermeerderd, geen extra letters toegevoegd aan de basisstam.
- Ṣaḥīḥ Sālim — gezond en zuiver: geen zwakke letters (Wāw/Yāʾ/Alif als stamletter), geen Hamzah als stamletter, en geen verdubbeling (Shaddah) tussen de tweede en derde stamletter.
Hieronder zie je elk werkwoord terug zoals het daadwerkelijk in de Qurʾān voorkomt — de theorie die je in de vorige tabbladen leerde, direct herkenbaar in de openbaring zelf.
Overzichtstabel — 20 Werkwoorden
| Nr. | Wortel | Māḍī | Muḍāriʿ | Betekenis |
|---|---|---|---|---|
| 1 | K-T-B | كَتَبَ | يَكْتُبُ | Schrijven |
| 2 | ʿ-B-D | عَبَدَ | يَعْبُدُ | Aanbidden |
| 3 | Kh-L-Q | خَلَقَ | يَخْلُقُ | Scheppen |
| 4 | S-J-D | سَجَدَ | يَسْجُدُ | Neerknielen |
| 5 | Sh-K-R | شَكَرَ | يَشْكُرُ | Dankbaar zijn |
| 6 | Kh-R-J | خَرَجَ | يَخْرُجُ | Naar buiten gaan |
| 7 | D-Kh-L | دَخَلَ | يَدْخُلُ | Binnengaan |
| 8 | ʿ-L-M | عَلِمَ | يَعْلَمُ | Weten / Kennen |
| 9 | Ḍ-R-B | ضَرَبَ | يَضْرِبُ | Slaan / Stellen (van een gelijkenis) |
| 10 | J-ʿ-L | جَعَلَ | يَجْعَلُ | Maken / Plaatsen |
| 11 | Ḥ-S-B | حَسِبَ | يَحْسَبُ | Denken / Veronderstellen |
| 12 | F-T-Ḥ | فَتَحَ | يَفْتَحُ | Openen / Oordelen |
| 13 | Ḥ-K-M | حَكَمَ | يَحْكُمُ | Oordelen / Reageren |
| 14 | Dh-H-B | ذَهَبَ | يَذْهَبُ | Gaan |
| 15 | K-S-B | كَسَبَ | يَكْسِبُ | Verdienen / Verkrijgen |
| 16 | Ẓ-L-M | ظَلَمَ | يَظْلِمُ | Onrecht aandoen |
| 17 | Ṣ-B-R | صَبَرَ | يَصْبِرُ | Geduldig zijn |
| 18 | N-Ṣ-R | نَصَرَ | يَنْصُرُ | Helpen / Overwinning schenken |
| 19 | Ḥ-M-L | حَمَلَ | يَحْمِلُ | Dragen |
| 20 | Gh-F-R | غَفَرَ | يَغْفِرُ | Vergeven |
💡 Let op bij nr. 12
Het voorbeeldvers hieronder gebruikt يَفْتَحُ in de betekenis "oordelen" — een mooie illustratie van hoe Fatḥ behalve "openen" ook "beslissen/oordelen" kan betekenen (zoals ook in Sūrah al-Fātiḥah's naam "de openende/beslissende").
Voorbeelden 1–5
1. كَتَبَ / يَكْتُبُ — Schrijven
"Wee dan degenen die het Boek met hun eigen handen schrijven en vervolgens zeggen: dit komt van Allah…" — Sūrah al-Baqarah (2:79)
2. عَبَدَ / يَعْبُدُ — Aanbidden
"U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp." — Sūrah al-Fātiḥah (1:5)
3. خَلَقَ / يَخْلُقُ — Scheppen
"Aan Allah behoort de heerschappij over de hemelen en de aarde. Hij schept wat Hij wil." — Sūrah ash-Shūrā (42:49)
4. سَجَدَ / يَسْجُدُ — Neerknielen (prostratie)
"En voor Allah knielt neer wie er in de hemelen en op de aarde is, gewillig of onwillig." — Sūrah ar-Raʿd (13:15)
5. شَكَرَ / يَشْكُرُ — Dankbaar zijn
"En wie dankbaar is, is slechts dankbaar voor zichzelf." — Sūrah Luqmān (31:12)
Voorbeelden 6–10
6. خَرَجَ / يَخْرُجُ — Naar buiten gaan / Tevoorschijn komen
"Er komt uit hun (de bijen) buiken een drank voort met velerlei kleuren, waarin genezing is voor de mensen." — Sūrah an-Naḥl (16:69)
7. دَخَلَ / يَدْخُلُ — Binnengaan
"En je ziet de mensen in drommen de religie van Allah binnengaan." — Sūrah an-Naṣr (110:2)
8. عَلِمَ / يَعْلَمُ — Weten / Kennen
"Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is." — Sūrah al-Baqarah, Āyat al-Kursī (2:255)
9. ضَرَبَ / يَضْرِبُ — Slaan / Stellen (van een gelijkenis)
"En Allah stelt de mensen gelijkenissen voor, opdat zij zich laten vermanen." — Sūrah Ibrāhīm (14:25)
10. جَعَلَ / يَجْعَلُ — Maken / Plaatsen
"En Hij legt de onreinheid op degenen die hun verstand niet gebruiken." — Sūrah Yūnus (10:100)
Voorbeelden 11–15
11. حَسِبَ / يَحْسَبُ — Denken / Veronderstellen
"Hij denkt dat zijn rijkdom hem onsterfelijk maakt." — Sūrah al-Humazah (104:3)
12. فَتَحَ / يَفْتَحُ — Openen / Oordelen
"Zeg: onze Heer brengt ons samen, en zal dan tussen ons oordelen met de waarheid — Hij is de Alwetende Oordelaar." — Sūrah Sabaʾ (34:26)
13. حَكَمَ / يَحْكُمُ — Oordelen / Reageren
"En Allah oordeelt; er is niemand die Zijn oordeel kan herroepen." — Sūrah ar-Raʿd (13:41)
14. ذَهَبَ / يَذْهَبُ — Gaan
"Waarheen gaan jullie dan?" — Sūrah at-Takwīr (81:26)
15. كَسَبَ / يَكْسِبُ — Verdienen / Verkrijgen
"En geen enkele ziel verdient iets dan tegen zichzelf." — Sūrah al-Anʿām (6:164)
Voorbeelden 16–20
16. ظَلَمَ / يَظْلِمُ — Onrecht aandoen
"Voorwaar, Allah doet geen onrecht, zelfs niet ter grootte van een stofje." — Sūrah an-Nisāʾ (4:40)
17. صَبَرَ / يَصْبِرُ — Geduldig zijn
"…en Wij hebben sommigen van jullie tot een beproeving voor anderen gemaakt — zullen jullie geduldig zijn?" — Sūrah al-Furqān (25:20)
18. نَصَرَ / يَنْصُرُ — Helpen / Overwinning schenken
"En Allah zal zeker degene helpen die Hem helpt [oftewel die zich inzet voor Zijn religie] — voorwaar, Allah is Sterk en Almachtig." — Sūrah al-Ḥajj (22:40)
19. حَمَلَ / يَحْمِلُ — Dragen
"Terwijl zij hun lasten op hun ruggen dragen." — Sūrah al-Anʿām (6:31)
20. غَفَرَ / يَغْفِرُ — Vergeven
"Hij vergeeft wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil." — Sūrah Āl ʿImrān (3:129)
De Dojo — Test je kennis
Neem de tijd om elke vraag voor jezelf te beantwoorden vóór je het antwoord onthult. Bismillāh.
يَعْلَمُوْنَ · تَعْلَمُ · أَعْلَمُ · نَعْلَمُ (ʿ-L-M — weten)
• تَعْلَمُ taʿlamu = Zij (v) weet, óf jij (m) weet — context beslist.
• أَعْلَمُ aʿlamu = Ik weet/zal weten.
• نَعْلَمُ naʿlamu = Wij weten/zullen weten.
Samenvatting van de 14 Sieghah's
| groep | Kernregel |
|---|---|
| 3e persoon (Ghāʾib) | Voorvoegsel Yāʾ — behalve de vrouwen-enkelvoud/tweevoud (Sieghah 4/5), die met Tāʾ beginnen. Bij Sieghah 6 keert de Yāʾ terug, mét sākin lām kalimah. |
| 2e persoon (Ḥāḍir) | Voorvoegsel altijd Tāʾ. Suffixen: -u, -āni, -ūna, -īna, -āni, -na. |
| 1e persoon (Mutakallim) | Voorvoegsel Hamzah (ik) of Nūn (wij) — beide met suffix -u. |
De Gevaarzone — let op het voorvoegsel!
A. De verwarrende تَفْعَلُ
تَفْعَلُ (tafʿalu) betekent zowel «zij (v) doet/zal doen» (Sieghah 4) als «jij (m) doet/zal doen» (Sieghah 7) — twee compleet verschillende doeners, één identieke vorm. Alleen de context redt je hier.
B. «Zij (vrouwen)» vs. «Wij»
• يَفْعَلْنَ (yafʿalna — Yāʾ-voorvoegsel) = Zij (vrouwen) doen/zullen doen.
• نَفْعَلُ (nafʿalu — Nūn-voorvoegsel) = Wij doen/zullen doen.
Verwar deze niet — het voorvoegsel toont de doener.
C. «Jij (vrouw)» — vergeet de -īna niet
تَفْعَلِيْنَ (tafʿalīna) is de enige Ḥāḍir-vorm met een lange -īna-uitgang. Laat je deze weg, dan klinkt het als «jij (m)/zij (v)» in plaats van «jij (vrouw)».
Tafakkur & De Weg Vooruit
De Muḍāriʿ is de tijd van Allah's voortdurende en toekomende handelen in de Qurʾān: يَخْلُقُ (Hij schept), يَرْزُقُ (Hij voorziet), يَهْدِي (Hij leidt), يَغْفِرُ (Hij vergeeft). Waar de Māḍī je liet zien wát er gebeurde, laat de Muḍāriʿ je voelen dat het nú, telkens opnieuw gebeurt — Allah's zorg voor Zijn schepping stopt niet bij het voltooid verleden.
Volgende stap
Je beheerst nu zowel de Fiʿl Māḍī als de Fiʿl Muḍāriʿ. De natuurlijke volgende stap is de Fiʿl Amr (de gebiedende wijs) — hoe je vanuit de Muḍāriʿ een bevel of verzoek vormt. In shāʾ Allāh bouwen we daarop voort.
Rabbi zidnī ʿilman — «Mijn Heer, vermeerder mij in kennis.» (Sūrah Ṭā-Hā 20:114)
Extra Materiaal — Downloadbaar Naslagwerk
Als aanvulling op deze les kun je onderstaand document downloaden: een compact, zelfstandig leestraject dat dezelfde stof — de Fiʿl Muḍāriʿ Thulāthiyy Mujarrad Ṣaḥīḥ (bevestigend, actief) — nog een keer helemaal doorloopt, maar dan aan de hand van een ander model-werkwoord: سَجَدَ (sadjada — knielen/zich neerwerpen in aanbidding) in plaats van فَعَلَ.
💡 Waarom een ander model-werkwoord?
Dit is precies de bedoeling: door dezelfde vervoegingsregels op een ander werkwoord toe te passen, toets je of je het patroon echt begrepen hebt — en niet slechts één voorbeeld uit je hoofd hebt geleerd. سَجَدَ heeft bovendien een mooie, rijke betekenis (het neerwerpen in aanbidding, Sudjoed) die het extra de moeite waard maakt.
Wat staat er in het document?
Het document is opgebouwd in drie mini-lessen, precies als de tabbladen hierboven:
| Onderdeel | Inhoud |
|---|---|
| Les 1 van 3 | De basis van de Muḍāriʿ (de vier Ḥurūf al-Muḍāraʿah / «Atayna») en de volledige Ghāʾib-vervoeging (3e persoon, 6 vormen) van سَجَدَ → يَسْجُدُ, met Qurʾān-voorbeelden (o.a. Sūrah al-Ḥajj 22:18, al-Aʿrāf 7:206). |
| Les 2 van 3 | De volledige Ḥāḍir-vervoeging (2e persoon, 6 vormen), inclusief de veelvoorkomende valkuilen (identieke tweevoud-vormen, jij-m/zij-v-verwarring), met Qurʾān-voorbeelden (o.a. Sūrah al-Kāfirūn 109:2, al-Baqarah 2:28, al-Ghāshiyah 88:11). |
| Les 3 van 3 | De Mutakallim-vervoeging (1e persoon, 2 vormen) met Qurʾān-voorbeelden (Sūrah al-Isrāʾ 17:61, al-Fātiḥah 1:5), afgesloten met een volledige mastertabel van alle 14 sieghah's van سَجَدَ in één overzicht — een handig spiekbriefje om naast de tabellen uit deze les te leggen. |
Download het document
Sla het op om offline te herhalen, uit te printen, of als extra oefenmateriaal naast de tabbladen hierboven.
📥 Download de PDF (سَجَدَ — 3 lessen)De Twintig Volgende Meest Frequente Qurʾān-woorden
Dit tabblad bouwt voort op de 144 woorden die u al kent (Module 1 t/m 4, en Blok 2 · Les 1). Het bevat de tien nieuwe werkwoorden die in déze les als voorbeeld zijn gebruikt (in de Dojo- en Qurʾān-Voorbeelden-tabbladen), aangevuld met de eerstvolgende meest frequente woorden uit de Qurʾān (bron: Quranic Arabic Corpus, corpus.quran.com) tot een totaal van twintig.
🔑 Over de categorieën
Tijdsbijwoorden (إِذْ, قَبْلَ) en plaatsbijwoorden (بَيْنَ, عِندَ) zijn hier — grammaticaal correct — als Ism gemarkeerd (Ẓarf), ook al voelen ze aan als voorzetsels. Bij elk werkwoord staat de Baab vermeld; dit keer zijn dat er opvallend veel uit Baab Ḍaraba (ض) — een mooie gelegenheid om dat patroon extra te consolideren.
Simpele Lijst — Snel Leren بِدُونِ تَفْصِيل
Alleen het Arabisch, de transliteratie en de vertaling — zonder verdere uitleg, om de woorden in één keer te kunnen doorlopen.
| Nr. | Arabisch | Transliteratie | Vertaling |
|---|---|---|---|
| 1 | حَسِبَ | Ḥasiba | Hij dacht, hij veronderstelde |
| 2 | حَكَمَ | Ḥakama | Hij oordeelde, hij regeerde |
| 3 | حَمَلَ | Ḥamala | Hij droeg, hij nam op zich |
| 4 | سَجَدَ | Sajada | Hij knielde neer, hij prosterneerde (Sudjoed) |
| 5 | شَرِبَ | Shariba | Hij dronk |
| 6 | صَبَرَ | Ṣabara | Hij was geduldig, hij volhardde |
| 7 | ضَرَبَ | Ḍaraba | Hij sloeg; hij gaf (een voorbeeld) |
| 8 | ظَلَمَ | Ẓalama | Hij deed onrecht, hij verdrukte |
| 9 | فَعَلَ | Faʿala | Hij deed |
| 10 | كَسَبَ | Kasaba | Hij verdiende, hij verwierf |
| 11 | بَيْنَ | Bayna | Tussen |
| 12 | حَقٌّ | Ḥaqqun | Waarheid, recht |
| 13 | إِذْ | Idh | Toen (op het moment dat) |
| 14 | أُولَٰٓئِكَ | Ulāʾika | Die, diegenen (meervoud, op afstand) |
| 15 | قَبْلَ | Qabla | Voor, vóór (in tijd) |
| 16 | مُؤْمِنٌ | Muʾminun | Gelovige |
| 17 | لَوْ | Law | Als, indien (irrealis — een niet-werkelijke voorwaarde) |
| 18 | سَبِيلٌ | Sabīlun | Pad, weg |
| 19 | عِندَ | ʿInda | Bij |
| 20 | بَعْضٌ | Baʿḍun | Sommige, een deel (van) |
Volledige Uitleg per Woord مَعَ أَمْثِلَةٍ مِنَ الْقُرْآنِ
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḥ-S-B — het modelwerkwoord van Baab Ḥasiba zelf, al vaker genoemd in eerdere lessen.
Muḍāriʿ: يَحْسِبُ (yaḥsibu), kasrah–kasrah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḥ-K-M.
Muḍāriʿ: يَحْكُمُ (yaḥkumu), fatḥah–ḍammah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḥ-M-L.
Muḍāriʿ: يَحْمِلُ (yaḥmilu), fatḥah–kasrah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel S-J-D — het modelwerkwoord van het downloadbare aanvullende document bij deze les.
Muḍāriʿ: يَسْجُدُ (yasjudu), fatḥah–ḍammah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Sh-R-B.
Muḍāriʿ: يَشْرَبُ (yashrabu), kasrah–fatḥah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ṣ-B-R.
Muḍāriʿ: يَصْبِرُ (yaṣbiru), fatḥah–kasrah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḍ-R-B — het modelwerkwoord van Baab Ḍaraba zelf. Idiomatisch: ضَرَبَ مَثَلًا = «een gelijkenis geven».
Muḍāriʿ: يَضْرِبُ (yaḍribu), fatḥah–kasrah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ẓ-L-M.
Muḍāriʿ: يَظْلِمُ (yaẓlimu), fatḥah–kasrah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel F-ʿ-L — dit is de wortel waarnaar de hele les verwijst als grammaticaal model (فَعَلَ / يَفْعَلُ), maar als los woord komt het ook zelfstandig in de Qurʾān voor.
Muḍāriʿ: يَفْعَلُ (yafʿalu), fatḥah–fatḥah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel K-S-B.
Muḍāriʿ: يَكْسِبُ (yaksibu), fatḥah–kasrah.
Ẓarf Makān (plaatsbijwoord) — grammaticaal een Ism, ook al fungeert het als voorzetsel-achtig woord.
Ẓarf Zamān (tijdsbijwoord) — grammaticaal een Ism.
Ism Ishārah — meervoudsvorm van het aanwijzend voornaamwoord (vergelijk ذَٰلِكَ, al bekend, voor het enkelvoud).
Ẓarf Zamān (tijdsbijwoord) — grammaticaal een Ism.
Ism Fāʿil (actief deelwoord van آمَنَ, al bekend) dat als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt.
Ḥarf Sharṭ Ghayr Jāzim — anders dan إِنْ (al bekend) drukt لَوْ een voorwaarde uit die in werkelijkheid niet is vervuld.
Ẓarf Makān (plaatsbijwoord) — grammaticaal een Ism.