Aangeplakte Voornaamwoorden — de Lijdend-Voorwerp-vorm
Aangeplakte voornaamwoorden in de Naṣb-positie — zij worden vastgeplakt aan een werkwoord als lijdend voorwerp. Ze zijn nooit zelfstandig, dat wil zeggen ze staan nooit los zoals de persoonlijke voornaamwoorden die wel altijd los staan.
Gebruik: Als lijdend voorwerp (Maf'ūl Bihi) vastgeplakt aan het werkwoord. Voorbeeld: شَكَرَهُ — Hij dankte hém.
| # | Suffix | Translit. | Vertaling | Persoon / Geslacht / Getal | Voorbeeld op شَكَرَ | Vertaling voorbeeld |
|---|---|---|---|---|---|---|
| ← الْغَائِبُ الْمُذَكَّرُ | Derde Persoon — Mannelijk | ||||||
| 1 | ـهُ | -hu | hem | 3e persoon · mannelijk · enkelvoud | شَكَرَهُ | hij bedankte hem |
| 2 | ـهُمَا | -humā | hen beiden (m.) | 3e persoon · mannelijk · tweevoud | شَكَرَهُمَا | hij bedankte hen beiden (m.) |
| 3 | ـهُمْ | -hum | hen (m.) | 3e persoon · mannelijk · meervoud | شَكَرَهُمْ | hij bedankte hen (m.) |
| ← الْغَائِبَةُ الْمُؤَنَّثَةُ | Derde Persoon — Vrouwelijk | ||||||
| 4 | ـهَا | -hā | haar | 3e persoon · vrouwelijk · enkelvoud | شَكَرَهَا | hij bedankte haar |
| 5 | ـهُمَا | -humā | hen beiden (v.) | 3e persoon · vrouwelijk · tweevoud | شَكَرَهُمَا | hij bedankte hen beiden (v.) |
| 6 | ـهُنَّ | -hunna | hen (v.) | 3e persoon · vrouwelijk · meervoud | شَكَرَهُنَّ | hij bedankte hen (v.) |
| ← الْمُخَاطَبُ الْمُذَكَّرُ | Tweede Persoon — Mannelijk | ||||||
| 7 | ـكَ | -ka | jou (m.) | 2e persoon · mannelijk · enkelvoud | شَكَرَكَ | hij bedankte jou (m.) |
| 8 | ـكُمَا | -kumā | jullie beiden (m.) | 2e persoon · mannelijk · tweevoud | شَكَرَكُمَا | hij bedankte jullie beiden (m.) |
| 9 | ـكُمْ | -kum | jullie (m.) | 2e persoon · mannelijk · meervoud | شَكَرَكُمْ | hij bedankte jullie (m.) |
| ← الْمُخَاطَبَةُ الْمُؤَنَّثَةُ | Tweede Persoon — Vrouwelijk | ||||||
| 10 | ـكِ | -ki | jou (v.) | 2e persoon · vrouwelijk · enkelvoud | شَكَرَكِ | hij bedankte jou (v.) |
| 11 | ـكُمَا | -kumā | jullie beiden (v.) | 2e persoon · vrouwelijk · tweevoud | شَكَرَكُمَا | hij bedankte jullie beiden (v.) |
| 12 | ـكُنَّ | -kunna | jullie (v.) | 2e persoon · vrouwelijk · meervoud | شَكَرَكُنَّ | hij bedankte jullie (v.) |
| ← الْمُتَكَلِّمُ | Eerste Persoon — Mannelijk & Vrouwelijk | ||||||
| 13 | ـنِي | -nī | mij | 1e persoon · m. & v. · enkelvoud | شَكَرَنِي | hij bedankte mij |
| 14 | ـنَا | -nā | ons | 1e persoon · m. & v. · meervoud | شَكَرَنَا | hij bedankte ons |
Belangrijke klankwisseling: De suffix ـهُ (-hu) verandert naar ـهِ (-hi) wanneer het rechtstreeks voorafgegaan wordt door een kasrah. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de vorm voor "jij" (vrouwelijk enkelvoud) van de verleden tijd, die altijd eindigt op een kasrah (ـتِ): شَكَرْتِ + ـهُ wordt dan شَكَرْتِهِ (jij (v.) dankte hem) — niet شَكَرْتِهُ. Hetzelfde geldt voor ـهُمَا → ـهِمَا, ـهُمْ → ـهِمْ en ـهُنَّ → ـهِنَّ.
Naast het lijdend voorwerp op een werkwoord (شَكَرَهُ) hechten dezelfde 14 voornaamwoorden zich ook aan إِنَّ وَأَخَوَاتُهَا — een groepje van zes deeltjes uit de categorie الْحُرُوفُ النَّاسِخَةُ (de "opheffende" deeltjes) ofwel الْأَحْرُفُ الْمُشَبَّهَةُ بِالْفِعْلِ (deeltjes die qua werking op een werkwoord lijken). Zij treden binnen op een naamwoordelijke zin (جُمْلَةٌ اسْمِيَّةٌ) en doen het volgende: het onderwerp (الْمُبْتَدَأ) wordt hun اسْم en komt in de naṣb-status, terwijl het gezegde (الْخَبَر) hun خَبَر blijft en in de rafʿ-status blijft staan.
Nee. In de naḥw bestaat elk woord uit drie hoofdsoorten: اسْم (naamwoord), فِعْل (werkwoord) en حَرْف (deeltje). "Voorzetsel" is niet hetzelfde als حَرْف — het is maar één klein onderdeel ervan, namelijk حَرْفُ الْجَرِّ. حَرْف zelf heeft veel subgroepen, elk met een eigen taak:
Kortom: إِنَّ ís een حَرْف, maar geen حَرْفُ الْجَرِّ — dus geen voorzetsel. Elk voorzetsel is een حَرْف, maar niet elke حَرْف is een voorzetsel.
| Deeltje | Translit. | Betekenis | Voorbeeld (+ ـهُ) |
|---|---|---|---|
| إِنَّ | inna | voorwaar, zeker (bekrachtiging) | إِنَّهُ |
| أَنَّ | anna | dat (in indirecte rede) | أَنَّهُ |
| لَكِنَّ | lākinna | maar | لَكِنَّهُ |
| كَأَنَّ | kaʾanna | alsof | كَأَنَّهُ |
| لَعَلَّ | laʿalla | misschien, hopelijk | لَعَلَّهُ |
| لَيْتَ | layta | was het maar, ik wou dat | لَيْتَهُ |
💡 Is أَنَّ dan minder bekrachtigend dan إِنَّ? Nee — beide dragen dezelfde bekrachtiging (ta'kīd), en komen zelfs van dezelfde wortel. Het verschil zit in de positie in de zin: إِنَّ opent een zelfstandige zin ("Voorwaar, hij is oprecht" — إِنَّهُ صَادِقٌ), terwijl أَنَّ altijd ingebed zit in een grotere zin, bijvoorbeeld als lijdend voorwerp van een werkwoord ("Ik wist dat hij oprecht is" — عَلِمْتُ أَنَّهُ صَادِقٌ). Het Nederlandse woordje "dat" is echter een neutraal voegwoord zónder eigen bekrachtiging — het Nederlands kent geen los woord dat tegelijk verbindt én bekrachtigt. Bij een letterlijke vertaling met "dat" gaat de bekrachtiging van أَنَّ dus verloren, tenzij u er nadrukkelijk een woord als "zeker", "voorwaar" of "zonder twijfel" aan toevoegt (bv. "Ik wist dat hij waarlijk oprecht is"). Taalkundig, in het Arabisch zelf, blijft أَنَّهُ dus net zo bekrachtigend als إِنَّهُ — alleen gaat dat nuance-verschil in een gewone Nederlandse vertaling meestal verloren.
De vorm van het aangehechte voornaamwoord (ـهُ، ـهَا، ـكَ، ـنَا, etc.) ziet er aan de buitenkant precies hetzelfde uit — maar de grammaticale functie erachter is wezenlijk anders. Vergelijk:
| Situatie | Vastgeplakt aan | Grammaticale positie | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| Aan een voorzetsel of bezittelijk naamwoord (Les 6) | een voorzetsel (zoals فِي, مِنْ) of een zelfstandig naamwoord (zoals كِتَابُ) | جَرّ (jarr) — genitiefpositie (na een voorzetsel of als bezitter) | فِيهِ / كِتَابُهُ |
| Aan een werkwoord (hierboven) of aan إِنَّ (de volgende kaart) | een werkwoord (als lijdend voorwerp), of إِنَّ en haar zusters | نَصْب (naṣb) — accusatiefpositie (voor het lijdend voorwerp of ism Inna) | ضَرَبَهُ / إِنَّهُ |
إِنَّ is dus geen voorzetsel. Het voornaamwoord dat aan إِنَّ vastzit staat niet in de جَرّ-positie, maar in de نَصْب-positie — omdat het functioneert als het onderwerp van de Inna-constructie (اسْمُ إِنَّ / ismu Inna — letterlijk "de ism van Inna", oftewel het onderwerp van de Inna-constructie).
| # | Voornaamwoord | إِنَّ + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | إِنَّهُ | innahu | voorwaar hij |
| 2 | هُمَا ♂ | إِنَّهُمَا | innahumā | voorwaar hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | إِنَّهُمْ | innahum | voorwaar hen (m.) |
| 4 | هِيَ | إِنَّهَا | innahā | voorwaar zij |
| 5 | هُمَا ♀ | إِنَّهُمَا | innahumā | voorwaar hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | إِنَّهُنَّ | innahunna | voorwaar hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | إِنَّكَ | innaka | voorwaar jij (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | إِنَّكُمَا | innakumā | voorwaar jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | إِنَّكُمْ | innakum | voorwaar jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | إِنَّكِ | innaki | voorwaar jij (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | إِنَّكُمَا | innakumā | voorwaar jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | إِنَّكُنَّ | innakunna | voorwaar jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | إِنِّي / إِنَّنِي | innī / innanī ⚠️ | voorwaar ik |
| 14 | نَحْنُ | إِنَّا / إِنَّنَا | innā / innanā ⚠️ | voorwaar wij |
⚠️ Bijzonderheid bij de eerste persoon: إِنَّ eindigt al op een verdubbelde نّ (shaddah — het tekentje voor een dubbele medeklinker, hier dus een dubbele ن). Voor "ik" zijn er daardoor twee geldige vormen:
Beide vormen komen voor in de Qurān. Hetzelfde geldt voor "wij": إِنَّا (innā, samengetrokken) naast إِنَّنَا (innanā, voluit). Ditzelfde principe (twee vormen voor "ik"/"wij") geldt voor alle zes de zusters, bijvoorbeeld لَعَلِّي (laʿallī) / لَعَلَّنِي (laʿallanī).
Dezelfde 14 aangeplakte voornaamwoorden plakken ook aan de Fi'l Muḍāri' (tegenwoordige/toekomende tijd). We gebruiken hetzelfde werkwoord als in het vorige tabblad: شَكَرَ — يَشْكُرُ (shakara — yashkuru, "danken"), een Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ werkwoord: het bestaat uit drie letters in hun kale grondvorm (zonder toegevoegde letters ervoor, ertussen of erachter), en de wortel ش‑ك‑ر bevat uitsluitend gewone, sterke medeklinkers — geen wāw, yā' of hamzah, die de vervoeging zouden compliceren.
Belangrijk verschil met Māḍī: als je een lijdend-voorwerp-suffix aanplakt aan de Muḍāri'-vorm, blijft de klinker op het einde van het werkwoord zelf gewoon hetzelfde. Het suffix plakt er simpelweg achteraan, zonder iets aan de vorm van het werkwoord te veranderen.
| # | Voornaamwoord | Muḍāri'-vorm | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | يَشْكُرُ | yashkuru | hij dankt / hij zal danken |
| 2 | هُمَا ♂ | يَشْكُرَانِ | yashkurāni | zij beiden (m.) danken / zullen danken |
| 3 | هُمْ | يَشْكُرُونَ | yashkurūna | zij (m.) danken / zullen danken |
| 4 | هِيَ | تَشْكُرُ | tashkuru | zij dankt / zij zal danken |
| 5 | هُمَا ♀ | تَشْكُرَانِ | tashkurāni | zij beiden (v.) danken / zullen danken |
| 6 | هُنَّ | يَشْكُرْنَ | yashkurna | zij (v.) danken / zullen danken |
| 7 | أَنْتَ | تَشْكُرُ | tashkuru | jij (m.) dankt / jij zal danken |
| 8 | أَنْتُمَا | تَشْكُرَانِ | tashkurāni | jullie beiden danken / zullen danken |
| 9 | أَنْتُمْ | تَشْكُرُونَ | tashkurūna | jullie (m.) danken / zullen danken |
| 10 | أَنْتِ | تَشْكُرِينَ | tashkurīna | jij (v.) dankt / jij zal danken |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | تَشْكُرَانِ | tashkurāni | jullie beiden (v.) danken / zullen danken |
| 12 | أَنْتُنَّ | تَشْكُرْنَ | tashkurna | jullie (v.) danken / zullen danken |
| 13 | أَنَا | أَشْكُرُ | ashkuru | ik dank / ik zal danken |
| 14 | نَحْنُ | نَشْكُرُ | nashkuru | wij danken / wij zullen danken |
Om de aanhechting duidelijk te tonen, plakken we steeds hetzelfde suffix (ـهُ — hem) aan alle 14 sieghas.
| # | Voornaamwoord | Muḍāri' + ـهُ | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | يَشْكُرُهُ | yashkuruhu | hij dankt hem |
| 2 | هُمَا ♂ | يَشْكُرَانِهِ | yashkurānihi ⚠️ | zij beiden (m.) danken hem |
| 3 | هُمْ | يَشْكُرُونَهُ | yashkurūnahu | zij (m.) danken hem |
| 4 | هِيَ | تَشْكُرُهُ | tashkuruhu | zij dankt hem |
| 5 | هُمَا ♀ | تَشْكُرَانِهِ | tashkurānihi ⚠️ | zij beiden (v.) danken hem |
| 6 | هُنَّ | يَشْكُرْنَهُ | yashkurnahu | zij (v.) danken hem |
| 7 | أَنْتَ | تَشْكُرُهُ | tashkuruhu | jij (m.) dankt hem |
| 8 | أَنْتُمَا | تَشْكُرَانِهِ | tashkurānihi ⚠️ | jullie beiden danken hem |
| 9 | أَنْتُمْ | تَشْكُرُونَهُ | tashkurūnahu | jullie (m.) danken hem |
| 10 | أَنْتِ | تَشْكُرِينَهُ | tashkurīnahu | jij (v.) dankt hem |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | تَشْكُرَانِهِ | tashkurānihi ⚠️ | jullie beiden (v.) danken hem |
| 12 | أَنْتُنَّ | تَشْكُرْنَهُ | tashkurnahu | jullie (v.) danken hem |
| 13 | أَنَا | أَشْكُرُهُ | ashkuruhu | ik dank hem |
| 14 | نَحْنُ | نَشْكُرُهُ | nashkuruhu | wij danken hem |
⚠️ Uitzondering — het tweevoud: bij alle vier tweevoud-sieghas (#2, #5, #8 en #11 in de tabel hierboven — geschreven als يَشْكُرَانِ of تَشْكُرَانِ) draagt de laatste نـ van nature een kasrah (niet een fatḥah, zoals bij de meervoudsvormen). Omdat het suffix aan die kasrah wordt vastgeplakt, verandert ـهُ hier — volgens dezelfde klankwisselingsregel als in het vorige tabblad — in ـهِ: يَشْكُرَانِهِ (niet يَشْكُرَانِهُ). Bij de meervoudsvormen (يَشْكُرُونَ، تَشْكُرُونَ) en de vorm voor "jij" (vrouwelijk enkelvoud, تَشْكُرِينَ) draagt de نـ juist een fatḥah, dus daar blijft het gewoon ـهُ.
| Zin | Combinatie | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|
| أَشْكُرُكَ | أَنَا + ـكَ | ashkuruka | ik dank jou (m.) |
| نَشْكُرُكُمْ | نَحْنُ + ـكُمْ | nashkurukum | wij danken jullie (m.) |
| يَشْكُرُهَا | هُوَ + ـهَا | yashkuruhā | hij dankt haar |
| تَشْكُرُنَا | هِيَ / أَنْتَ + ـنَا | tashkurunā | zij dankt ons / jij dankt ons |
| أَشْكُرُهُمَا | أَنَا + ـهُمَا | ashkuruhumā | ik dank hen beiden |
| تَشْكُرِينَنِي | أَنْتِ + ـنِي | tashkurīnanī | jij (v.) dankt mij |
Let op bij ـنِي: plak je het eerste-persoon-suffix ـنِي aan een vorm die zelf al op een نـ eindigt (zoals تَشْكُرِينَ), dan ontstaan er twee opeenvolgende نـ-letters, zoals hierboven in تَشْكُرِينَنِي. Bij de sieghas die op een damma eindigen (هُوَ، هِيَ، أَنْتَ، أَنَا، نَحْنُ) doet dit probleem zich niet voor — daarom gebruiken we die vormen als hoofdvoorbeeld.
Het aangeplakte lijdend-voorwerp-voornaamwoord komt in bijna elke bladzijde van de Qurān voor. Onderstaande verzen zijn zorgvuldig gekozen zodat elke persoon (1e, 2e, 3e; enkelvoud/meervoud) minstens één keer voorbijkomt.
اهْدِنَا الصِّرَاطَ الْمُسْتَقِيمَ
Ihdinā ṣ-ṣirāṭa l-mustaqīm
"Leid ons op het rechte pad."
— Sūrah al-Fātiḥah (1), āyah 6
Analyse: het suffix ـنَا (-nā, "ons") is vastgeplakt aan het gebiedende-wijs-werkwoord اهْدِ (leid) als Maf'ūl Bihi. Dit is het vers dat elke moslim minstens zeventien keer per dag reciteert in de ṣalāh — en elke keer wordt hierin een Ḍamīr Manṣūb Muttaṣil uitgesproken.
رَبَّنَا آتِنَا فِي الدُّنْيَا حَسَنَةً وَفِي الْآخِرَةِ حَسَنَةً وَقِنَا عَذَابَ النَّارِ
Rabbanā ātinā fī d-dunyā ḥasanatan wa-fī l-ākhirati ḥasanatan wa-qinā ʿadhāba n-nār
"Onze Heer, geef ons het goede in dit leven en het goede in het Hiernamaals, en behoed ons voor de bestraffing van het Vuur."
— Sūrah al-Baqarah (2), āyah 201
Analyse: hier staat het suffix ـنَا (-nā, "ons") zelfs twéé keer vastgeplakt — aan آتِ (geef) en aan قِ (behoed). Dit is een van de bekendste smeekbedes uit de Qurān.
إِنَّا أَعْطَيْنَاكَ الْكَوْثَرَ
Innā aʿṭaynāka l-kawthar
"Voorwaar, Wij hebben u de Kawthar gegeven."
— Sūrah al-Kawthar (108), āyah 1
Analyse: het suffix ـكَ (-ka, "jou/u") is vastgeplakt aan أَعْطَيْنَا (Wij gaven) en verwijst naar de geliefde Profeet ﷺ, tot wie dit vers gericht is. De Kawthar is een rivier in het Paradijs die uitsluitend aan hem ﷺ geschonken is.
الَّذِي خَلَقَنِي فَهُوَ يَهْدِينِ
Alladhī khalaqanī fa-huwa yahdīn
"Degene Die mij geschapen heeft, Hij is het Die mij leidt."
— Sūrah ash-Shu'arāʾ (26), āyah 78
Analyse: dit zijn de woorden van de geliefde Profeet Ibrāhīm ﷺ, waarin hij Allah beschrijft aan zijn volk. Het suffix ـنِي (-nī, "mij") is vastgeplakt aan خَلَقَ (Hij schiep). In يَهْدِينِ is hetzelfde suffix ook aanwezig, al ontbreekt hier de laatste ي — een bekend verschijnsel aan het einde van āyāt (Ḥadhf Yā' al-Mutakallim). De ي wordt daar soms weggelaten omwille van de Fawāṣil, de vaste verseindes waarop de Qurān is gebouwd, zonder dat dit iets afdoet aan de betekenis.
الَّذِينَ آتَيْنَاهُمُ الْكِتَابَ يَعْرِفُونَهُ كَمَا يَعْرِفُونَ أَبْنَاءَهُمْ
Alladhīna ātaynāhumu l-kitāba yaʿrifūnahu kamā yaʿrifūna abnāʾahum
"Degenen aan wie Wij het Boek gegeven hebben, kennen hem (de geliefde Profeet ﷺ) zoals zij hun eigen zonen kennen."
— Sūrah al-Baqarah (2), āyah 146
Analyse: hier zie je de constructie uit tabblad 2 terug: het suffix ـهُ (-hu, "hem") is vastgeplakt aan een Fi'l Muḍāri' in de هُمْ-vorm: يَعْرِفُونَ (zij kennen) + ـهُ = يَعْرِفُونَهُ. Volgens de uitleg van de uitleggers verwijst ـهُ hier naar de geliefde Profeet ﷺ, die de Lieden van het Boek konden herkennen aan zijn beschreven kenmerken, zoals ze hun eigen zonen herkennen.
وَإِذْ نَجَّيْنَاكُم مِّنْ آلِ فِرْعَوْنَ يَسُومُونَكُمْ سُوءَ الْعَذَابِ
Wa-idh najjaynākum min āli firʿawna yasūmūnakum sūʾa l-ʿadhāb
"En (gedenk) toen Wij jullie redden van de mensen van Fir'awn, die jullie de ergste bestraffing lieten ondergaan."
— Sūrah al-Baqarah (2), āyah 49
Analyse: in dit vers zie je het suffix ـكُمْ (-kum, "jullie") maar liefst twee keer: eerst aan نَجَّيْنَا (Wij redden) en daarna aan het Fi'l Muḍāri' يَسُومُونَ (zij lieten ondergaan). Beide keren gaat het om Banī Isrāʾīl, tot wie dit vers gericht is.
Dit tabblad bouwt voort op de 164 woorden die u al kent (Blok 1: Module 1 t/m 4, en Blok 2 · Les 1–2). Deze les is grammaticaal van aard (Ḍamā'ir Manṣūbah), dus de nieuwe inhoudswoorden komen vooral uit het Qurān-tabblad hierboven — tien stuks. Aangevuld met de eerstvolgende meest frequente woorden uit de Qurʾān (bron: Quranic Arabic Corpus, corpus.quran.com) komen we op twintig.
🔑 Over Waqā (وَقَى): dit werkwoord is zwak in zowel de eerste als de derde wortelletter (Lafīf Mafrūq), maar het is geen Mazīd-vorm — vandaar dat het, net als قَالَ en هَدَى eerder, gewoon een Baab krijgt op basis van zijn onderliggende klinkerpatroon.
Alleen het Arabisch, de transliteratie en de vertaling — zonder verdere uitleg, om de woorden in één keer te kunnen doorlopen.
| Nr. | Arabisch | Transliteratie | Vertaling |
|---|---|---|---|
| 1 | عَرَفَ | ʿArafa | Hij kende |
| 2 | أَعْطَى | Aʿṭā | Hij gaf |
| 3 | نَجَّى | Najjā | Hij redde |
| 4 | وَقَى | Waqā | Hij behoedde |
| 5 | آتَى | Ātā | Hij gaf |
| 6 | دُنْيَا | Dunyā | Wereld, dit leven |
| 7 | حَسَنَةٌ | Ḥasanatun | Goede daad, gunst |
| 8 | آخِرَةٌ | Ākhiratun | Hiernamaals |
| 9 | ابْنٌ | Ibnun | Zoon |
| 10 | سُوءٌ | Sūʾun | Kwaad, slechtheid |
| 11 | لَمَّا | Lammā | Toen (op het moment dat) |
| 12 | أَيُّهَا | Ayyuhā | O... (aanspreekvorm) |
| 13 | إِلَٰهٌ | Ilāhun | god |
| 14 | غَيْرٌ | Ghayrun | Ander, niet- |
| 15 | أَمْ | Am | Of (bij een keuzevraag) |
| 16 | دُونَ | Dūna | Beneden, zonder |
| 17 | بَعْدَ | Baʿda | Na, later |
| 18 | لَعَلَّ | Laʿalla | Opdat, misschien |
| 19 | بَلْ | Bal | Integendeel, maar |
| 20 | أَجْرٌ | Ajrun | Beloning |
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel ʿ-R-F — komt in deze les voor in het Qurān-tabblad en de Muḍāriʿ-oefeningen.
Muḍāriʿ: يَعْرِفُ (yaʿrifu), fatḥah–kasrah.
Mazīd Fīhi, van de wortel ʿ-Ṭ-W.
Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad — vandaar geen Baab.
Mazīd Fīhi, van de wortel N-J-W (verdubbelde middelste medeklinker).
Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad — vandaar geen Baab.
Thulāthī Mujarrad, wortel W-Q-Y — een Lafīf Mafrūq (zwak in zowel de 1e als de 3e wortelletter).
Aṣl: وَقَيَ / يَوْقِيُ (fatḥah–kasrah) → وَقَى / يَقِي. Ondanks de twee zwakke letters valt dit toch onder Baab Ḍaraba, want het is geen Mazīd-vorm.
Mazīd Fīhi, van de wortel A-T-Y.
Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad — vandaar geen Baab.
Niet te verwarren met آخِرٌ (Ākhirun, «laatste», al bekend) — dit is een ander, afgeleid woord.
Ẓarf Zamān (tijdsbijwoord) — niet te verwarren met لَمْ (al bekend, ontkenning van de verleden tijd).
Het roepwoordje يَا mag nooit direct vóór een woord met het lidwoord الـ staan (dus niet يَا النَّاسُ). أَيُّهَا fungeert dan als verplicht tussenvoegsel: يَا + أَيُّهَا + (الـ)-woord. Dit geldt voor enkelvoud, tweevoud én meervoud, zolang het aangesprokene mannelijk is (of een gemengde groep) — bijv. ﴿يَا أَيُّهَا الْإِنسَانُ﴾ "O mens!" (enkelvoud) en ﴿يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا﴾ "O jullie die geloven!" (meervoud). Voor een vrouwelijk aangesprokene gebruikt men أَيَّتُهَا (ayyatuhā), zoals in ﴿يَا أَيَّتُهَا النَّفْسُ الْمُطْمَئِنَّةُ﴾ "O tot rust gekomen ziel!".
Niet te verwarren met أَوْ (al bekend, «of» als vrije keuze).
Ẓarf Makān (plaatsbijwoord).
Ẓarf Zamān (tijdsbijwoord) — de tegenhanger van قَبْلَ (al bekend).
Ḥarf Nāsikh — een «zusje» van إِنَّ, gevolgd door een Ism in Naṣb.
💡 Koranische vuistregel: in menselijke spraak drukt لَعَلَّ hoop met onzekerheid uit ("misschien, hopelijk") — want mensen kennen de toekomst niet. Maar wanneer Allah لَعَلَّ gebruikt, is er geen twijfel mogelijk (Zijn Kennis is volmaakt): daar betekent het "opdat, zodat" (taʿlīl) — het geeft het zekere, beoogde doel van een opdracht aan. Zoals de geleerden het samenvatten: elke لَعَلَّ in de Qurān draagt de betekenis van كَيْ (kay — "opdat").
Ḥarf Iḍrāb — een correctief partikel dat het voorgaande verwerpt of overtreft.