Bismillāh — De Laatste Twee Abwaab بَابُ كَرُمَ وَبَابُ حَسِبَ
In Les 4 heeft u kennis gemaakt met het concept van de Baab — de vaste combinatie van de klinker op de ʿAyn al-Kalimah (de tweede wortel-letter) in zowel de Māḍī als de Muḍāriʿ — en heeft u de eerste vier Abwaab geleerd: Naṣara, Ḍaraba, Fataḥa en Samiʿa.
Vandaag sluiten wij dit onderdeel van de Ṣarf volledig af met de laatste twee Abwaab: Karuma–Yakrumu (ḍammah–ḍammah) en Ḥasiba–Yaḥsibu (kasrah–kasrah). Met deze les kent u alle zes Abwaab van de Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ — en daarmee heeft u het gereedschap in handen om zélfstandig, zonder hulp, elk regelmatig Arabisch werkwoord die tot deze categorie behoort, te vervoegen.
Even Herhalen: Wat is een Baab?
Alle Thulāthī Mujarrad-werkwoorden (drie-wortelhebbende werkwoorden zonder toegevoegde letters aan de stam) vallen, bezien vanuit het perspectief van de ḥarakah van de ʿAyn al-Kalimah in zowel de Māḍī als de Muḍāriʿ, in zes families. Zo'n familie noemen wij in het Arabisch een Baab — letterlijk poort, ook wel hoofdstuk.
Een Baab is dus niets anders dan: de vaste combinatie van de klinker op de tweede wortelletter in de Māḍī, sámen met de klinker op de tweede wortelletter in de Muḍāriʿ. Vandaag rondt u die cirkel van zes af.
🔑 Ter vergelijking
Zoals u in het Nederlands per zelfstandig naamwoord uit het hoofd moet leren of het een de-woord of een het-woord is, zo moet u in het Arabisch per werkwoord uit het hoofd leren tot welke Baab het behoort. Er is geen kortere weg. Maar wie alle zes Abwaab eenmaal kent, kan met slechts twee gegevens — de Māḍī-vorm en de bijbehorende Baab — elk denkbaar werkwoord van dit type zelfstandig vervoegen, in alle veertien sieghah's, in beide tijden.
De Laatste Twee Abwaab van Vandaag
Vandaag sluiten wij de zes Abwaab af met de twee laatste: Karuma–Yakrumu en Ḥasiba–Yaḥsibu.
| # | Baab (naam) | Māḍī | Muḍāriʿ | Combinatie | Terminologie |
|---|---|---|---|---|---|
| 5 | Karuma | كَرُمَ | يَكْرُمُ | ḍammah – ḍammah | Maḍmūm al-ʿAyn (Māḍī) / Maḍmūm al-ʿAyn (Muḍāriʿ) |
| 6 | Ḥasiba | حَسِبَ | يَحْسِبُ | kasrah – kasrah | Maksūr al-ʿAyn (Māḍī) / Maksūr al-ʿAyn (Muḍāriʿ) |
Baab 5 — Karuma يَكْرُمُ
De tweede wortel-letter heeft in zowel de Māḍī als de Muḍāriʿ een ḍammah. Voorbeeld: كَرُمَ – يَكْرُمُ (Karuma – Yakrumu, hij was/werd edelmoedig / hij is of zal edelmoedig zijn).
Twee voorbeelden uit de les: صَغُرَ – يَصْغُرُ (Ṣaghura – Yaṣghuru, hij werd klein / hij wordt of zal klein worden) en كَبُرَ – يَكْبُرُ (Kabura – Yakburu, hij werd groot / hij wordt of zal groot worden).
⚠️ Let op: Ḥasuna, niet Ḥasiba
In de les kwam ook حَسُنَتْ جَمِيعُ خِصَالِهِ voorbij ("al zijn karaktereigenschappen — خَصْلَةٌ — werden/waren mooi/schoon") en تَحْسُنُ قِرَاءَتُكَ لِلْقُرْآنِ ("jouw Qurʾān-قِرَاءَةٌ — recitatie — wordt mooi/goed"). Dit werkwoord is حَسُنَ – يَحْسُنُ (Ḥasuna – Yaḥsunu, mooi/goed zijn), van de wortel Ḥ - S - N — niet te verwarren met حَسِبَ (Ḥasiba, Ḥ -S - B, denken/veronderstellen) uit Baab 6 hieronder. Twee bijna identiek klinkende wortels maar twee verschillende Abwaab: Ḥasuna is ḍammah–ḍammah en behoort dus tot Baab Karuma, Ḥasiba is kasrah–kasrah en behoort tot Baab Ḥasiba. Bovendien zijn de wortelletters niet helemaal dezelfde.
Baab 6 — Ḥasiba يَحْسِبُ
De tweede wortel-letter heeft in zowel de Māḍī als de Muḍāriʿ een kasrah — de enige Baab waarin beide vormen een kasrah dragen. Voorbeeld: حَسِبَ – يَحْسِبُ (Ḥasiba – Yaḥsibu, hij dacht/veronderstelde / hij denkt of zal denken).
⚠️ Let op: geen Muḥāsabah
In de les kwam ook حَاسَبَ – يُحَاسِبُ (Ḥāsaba – Yuḥāsibu, "hij bracht in rekening / hij berechtte") langs, met maṣdar مُحَاسَبَةٌ (Muḥāsabah, "zelfrekenschap"). Dit is een verwant woord van dezelfde wortel Ḥ - S - B, maar géén Thulāthī Mujarrad meer — het is een Mazīd Fīhi (verlengde) werkwoordsvorm, van een ander patroon dan Baab Ḥasiba, iets wat we nog later gaan leren in een les over Abwaab Mazīd Fīhi. Houd deze twee dus uit elkaar: Ḥasiba (denken) is Thulāthī Mujarrad, Ḥāsaba (verrekenen/berechten) is Mazīd Fīhi.
Het Volledige Overzicht الْأَبْوَابُ السِّتَّة كَامِلَةً
Nu u alle zes Abwaab van de Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ kent, volgt hieronder het complete overzicht in één tabel — inclusief de letter waarmee elke Baab in een woordenboek wordt aangeduid, en enkele van de Khaṣāʾiṣ (kenmerken/eigenheden) van de Abwaab.
De volgorde hieronder is de klassieke frequentie-volgorde: van de Baab met de meeste werkwoorden naar de Baab met de minste. Baab Naṣara geldt traditioneel als de meest voorkomende Baab — en wordt om die reden in veel klassieke grammatica-literatuur als "eerste Baab" aangeduid.
📌 Let op: volgorde in de video versus hier in de tekst
In de video's van Les 4 en Les 5 zijn de zes Abwaab behandeld in de volgorde Fataḥa, Naṣara, Ḍaraba, Samiʿa, Ḥasiba, Karuma — de volgorde die destijds tijdens het live lesgeven uit het hoofd werd aangehouden, zonder dat daar een specifiek systeem of bron aan ten grondslag lag. De volgorde hieronder — Naṣara, Ḍaraba, Fataḥa, Samiʿa, Karuma, Ḥasiba — volgt wél een bekende, veelgebruikte klassieke indeling, gebaseerd op frequentie. Beide volgordes zijn inhoudelijk correct — alleen de rangschikking verschilt. Bij twijfel tijdens het oefenen: houd de volgorde in de tekst en tabellen op deze pagina aan.
| # | Baab | Māḍī | Muḍāriʿ | Combinatie | Woordenboekletter |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Naṣara | نَصَرَ | يَنْصُرُ | fatḥah – ḍammah | (ن) |
| 2 | Ḍaraba | ضَرَبَ | يَضْرِبُ | fatḥah – kasrah | (ض) |
| 3 | Fataḥa | فَتَحَ | يَفْتَحُ | fatḥah – fatḥah | (ف) |
| 4 | Samiʿa | سَمِعَ | يَسْمَعُ | kasrah – fatḥah | (س) |
| 5 | Karuma | كَرُمَ | يَكْرُمُ | ḍammah – ḍammah | (ك) |
| 6 | Ḥasiba | حَسِبَ | يَحْسِبُ | kasrah – kasrah | (ح) |
💡 Hoe u de woordenboekletter leest
De letter tussen haakjes verwijst naar de eerste letter van het modelwerkwoord van die Baab — ن van Naṣara, ض van Ḍaraba, ف van Fataḥa, س van Samiʿa, ك van Karuma, ح van Ḥasiba. Sommige woordenboeken vermelden in plaats daarvan alleen de Muḍāriʿ-klinker (a, u of i), omdat de Māḍī-vorm zelf al voluit staat vermeld.
⚠️ Let op: andere boeken, andere volgorde of voorbeeldwerkwoord
Niet elk Ṣarf-boek volgt precies deze volgorde of deze modelwerkwoorden. Sommige boeken plaatsen bijvoorbeeld Baab Samiʿa (kasrah–fatḥah) vóór Baab Fataḥa (fatḥah–fatḥah); en in plaats van سَمِعَ (Samiʿa) gebruiken sommige auteurs عَلِمَ (ʿAlima) als modelwerkwoord voor datzelfde patroon. Dit is geen tegenstrijdigheid: het gaat telkens om precies dezelfde klinkercombinatie (kasrah in de Māḍī, fatḥah in de Muḍāriʿ) — alleen met een ander voorbeeldwerkwoord of een andere volgorde in de tabel. Kom je dus in een ander boek een afwijkende indeling tegen, dan is dat geen fout, maar gewoon een andere didactische keuze.
💡 Een ezelsbruggetje — en de reden voor onze volgorde
In sommige Ṣarf-boeken worden de zes klinkercombinaties onthouden met dit korte rijmpje: فَتْحُ ضَمٍّ، فَتْحُ كَسْرٍ، فَتْحَتَانِ، كَسْرُ فَتْحٍ، ضَمُّ ضَمٍّ، كَسْرَتَانِ — "fatḥ-ḍamm, fatḥ-kasr, twee fatḥahs, kasr-fatḥ, ḍamm-ḍamm, twee kasrahs." Dit rijmpje volgt precies de volgorde die wij hierboven aanhouden — Naṣara, Ḍaraba, Fataḥa, Samiʿa, Karuma, Ḥasiba — en weerspiegelt de frequentie-volgorde: de drie fatḥah-Abwaab [in de verleden tijd] het eerst (met Naṣara als meest voorkomende, dan Ḍaraba, dan Fataḥa), gevolgd door Samiʿa en Karuma, met de zeldzame kasrah-kasrah-combinatie (Ḥasiba) als allerlaatste.
Khaṣāʾiṣ — Belangrijkste Kenmerken/specifieke betekenissen per Baab
Naast de klinkercombinatie heeft elke Baab ook een eigen "karakter" — een tendens in het soort werkwoorden dat er meestal onder valt. Dit zijn enkele algemene vuistregels, geen absolute wetten; er bestaan uitzonderingen.
| Baab | Belangrijkste Khaṣāʾiṣ (kenmerken) |
|---|---|
| 1. Naṣara | Overwegend Mutaʿaddī (overgankelijk, heeft een lijdend voorwerp nodig) — bijv. kataba (iets schrijven), khalaqa (iets scheppen), ʿabada (iemand aanbidden). Geldt traditioneel als de meest voorkomende Baab — vandaar de naam "eerste Baab" in de klassieke frequentie-volgorde. |
| 2. Ḍaraba | Eveneens overwegend Mutaʿaddī, vaak fysieke of actieve handelingen. |
| 3. Fataḥa | Een grote Baab, zonder specifieke gemeenschappelijke betekenisgroep — zowel Lāzim (onovergankelijk) als Mutaʿaddī (overgankelijk) werkwoorden komen hier voor. |
| 4. Samiʿa | Bevat veel werkwoorden van innerlijke waarneming, zintuiglijke ervaring of emotie — bijv. samiʿa (horen), ʿalima (weten). |
| 5. Karuma | Vrijwel uitsluitend Lāzim (onovergankelijk) — drukt een aangeboren eigenschap of blijvende toestand uit (edelmoedig, groot, klein, mooi zijn). Het bijbehorende bijvoeglijk naamwoord volgt vaak — niet altijd — het patroon Faʿīl: karuma → karīm, kabura → kabīr, ṣaghura → ṣaghīr. |
| 6. Ḥasiba | De kleinste van de zes Abwaab — een beperkte, vrijwel gesloten groep werkwoorden. |
🔭 Een van de nuttige voordelen hiervan
Wanneer u een onbekend werkwoord tegenkomt zonder woordenboek bij de hand, kan de Khaṣṣah van een Baab u soms een aanwijzing geven: klinkt het als een blijvende eigenschap (mooi, groot, edel)? Dan is de kans reëel dat het Baab Karuma is. Betreft het een innerlijke waarneming? Dan is Samiʿa een goede eerste gok. Dit is nooit een garantie — alleen het woordenboek of het uit-het-hoofd-leren geeft zekerheid — maar het scherpt uw taalgevoel. Dit zijn slechts enkele van de specifieke betekenissen/Khaṣṣiyyaat van de Abwaab. We zullen deze Khaṣṣiyyaat later uitgebreid bestuderen, in sha Allah.
Voorbeeldoefening: حَسِبَ (ح) ← يَحْسِبُ
In het woordenboek staat bij حَسِبَ (Ḥasiba, hij dacht/veronderstelde) de letter ح — Baab Ḥasiba. Zo vormt u hieruit de Muḍāriʿ, stap voor stap:
| Stap | Wat gebeurt er | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ voor de hij-vorm van de Māḍī: een يَ (yaʾ met fatḥah). | يَحَسِبَ |
| 2 | De eerste wortelletter krijgt een sukūn. | يَحْسِبَ |
| 3 | De tweede wortelletter krijgt — omdat dit werkwoord tot Baab Ḥasiba behoort — een kasrah (dezelfde klinker als in de Māḍī, dus ongewijzigd). | يَحْسِبَ |
| 4 | De laatste letter (ب) krijgt een ḍammah. | يَحْسِبُ |
Yaḥsibu — hij denkt/veronderstelt of zal denken/veronderstellen.
Voorbeeldoefening: صَغُرَ (ك) ← يَصْغُرُ
In het woordenboek staat bij صَغُرَ (Ṣaghura, hij werd klein) de letter ك — Baab Karuma. Zo vormt u hieruit de Muḍāriʿ:
| Stap | Wat gebeurt er | Illustratie |
|---|---|---|
| 1 | Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ voor de hij-vorm van de Māḍī: een يَ (yaʾ met fatḥah). | يَصَغُرَ |
| 2 | De eerste wortelletter krijgt een sukūn. | يَصْغُرَ |
| 3 | De tweede wortelletter krijgt — omdat dit werkwoord tot Baab Karuma behoort — een ḍammah (dezelfde klinker als in de Māḍī, dus ongewijzigd). | يَصْغُرَ |
| 4 | De laatste letter (ر) krijgt een ḍammah. | يَصْغُرُ |
Yaṣghuru — hij wordt klein / zal klein worden.
Hoe Woordenboeken de Baab Aanduiden
Een Arabisch woordenboek geeft altijd aan tot welke Baab een werkwoord behoort — anders zou u de Muḍāriʿ niet kunnen vormen. Dit gebeurt op voornamelijk twee manieren, afhankelijk van het woordenboek:
- Met een letter tussen haakjes, die verwijst naar de eerste letter van het modelwerkwoord van de Baab: ن voor Naṣara, ض voor Ḍaraba, ف voor Fataḥa, س voor Samiʿa, ك voor Karuma, ح voor Ḥasiba.
- Met alleen de Muḍāriʿ-klinker tussen haakjes (a, u of i) — de Māḍī-vorm staat namelijk al voluit vermeld, dus alleen de onbekende variabele (de Muḍāriʿ-klinker) hoeft nog te worden aangegeven.
Faʿīl als Adjectief bij Baab Karuma
Werkwoorden van Baab Karuma drukken doorgaans een blijvende eigenschap uit, en het bijbehorende bijvoeglijk naamwoord neemt vaak — niet altijd — het patroon فَعِيل (Faʿīl) aan:
| Werkwoord (Baab Karuma) | Betekenis | Bijvoeglijk naamwoord (Faʿīl) |
|---|---|---|
| كَرُمَ | edelmoedig zijn/worden | كَرِيمٌ |
| كَبُرَ | groot zijn/worden | كَبِيرٌ |
| صَغُرَ | klein zijn/worden | صَغِيرٌ |
Dit patroon is een handige vuistregel omdat het vaak voorkomt, maar het gaat niet altijd op dus het is geen absolute wet — بَعُدَ (baʿuda, ver zijn) geeft bijvoorbeeld بَعِيدٌ (baʿīd, eveneens Faʿīl), terwijl شَجُعَ (shaju'a, dapper/moedig zijn) het bijvoeglijk naamwoord شُجَاعٌ (shujaa', op het patroon Fuʿaal) geeft. Gebruik het als geheugensteun, niet als garantie.
De Werkwoorden van Baab 5 & 6 in de Qurʾān
Hieronder vindt u de werkwoorden van deze les terug zoals ze daadwerkelijk in de Qurʾān voorkomen, met exacte soerah- en āyah-verwijzing.
| Baab | Vorm | Vindplaats |
|---|---|---|
| Karuma | كَبُرَتْ | Sūrah al-Kahf (18:5) |
| Ḥasiba | حَسِبْتُمْ | Sūrah al-Baqarah (2:214) |
| Fataḥa | تَذْهَبُونَ | Sūrah at-Takwīr (81:26) |
| Naṣara | خَلَقَ | Sūrah al-Mulk (67:2) |
| Naṣara | كَفَرُوا | Sūrah al-Mulk (67:6) |
| Samiʿa | سَمِعُوا | Sūrah al-Mulk (67:7) |
💡 Noot bij de tabel
De laatste drie regels komen alle drie uit hetzelfde korte fragment van Sūrah al-Mulk (67:2, 6-7) dat in de les werd bestudeerd — een mooi voorbeeld van hoe verschillende Abwaab dicht bij elkaar in één soerah voorkomen. Bij حَسِبْتُمْ hoort nog een bijzonderheid — zie de toelichting hieronder bij de Voorbeeldverzen.
Voorbeeldverzen
حَسِبَ / يَحْسِبُ — Denken, veronderstellen
"Of dachten jullie het Paradijs binnen te gaan zonder dat jullie is overkomen wat degenen vóór jullie is overkomen [aan beproevingen]?" — Sūrah al-Baqarah (2:214)
💡 Bijzonderheid: حَسِبَ hoort eigenlijk bij twee Abwaab
حَسِبَ is een van de werkwoorden die door de erkende Qurʾān-reciteerders op twee manieren zijn overgeleverd: يَحْسِبُ (kasrah — Baab Ḥasiba, zoals hierboven) én يَحْسَبُ (fatḥah — Baab Samiʿa). Beide uitspraken zijn correct en erkend; dit werkwoord "hoort" dus eigenlijk bij twee Abwaab tegelijk.
كَرُمَ / يَكْرُمُ — Baab Karuma: كَبُرَ, groot zijn/worden
"Zij hebben er geen kennis van, en hun voorvaderen evenmin. Groot is het woord dat uit hun monden komt." — Sūrah al-Kahf (18:5)
ذَهَبَ / يَذْهَبُ — Baab Fataḥa: gaan
"Dus waarheen gaan jullie (in jullie verwerping van deze Openbaring)?" — Sūrah at-Takwīr (81:26)
خَلَقَ / يَخْلُقُ — Scheppen
"Degene Die de dood en het leven heeft geschapen, om jullie te beproeven wie van jullie het beste is in daden." — Sūrah al-Mulk (67:2)
كَفَرَ / يَكْفُرُ — Ongelovig zijn, bedekken/ontkennen
"En voor degenen die hun Heer ontkenden is de bestraffing van de Hel — en dat is een slechte bestemming." — Sūrah al-Mulk (67:6)
سَمِعَ / يَسْمَعُ — Horen
"Wanneer zij daarin geworpen worden, zullen zij een afschuwelijk gehijg horen, terwijl zij (de Hel) kookt." — Sūrah al-Mulk (67:7)
Grammaticaal Inzicht: Verleden Tijd na إِذَا
Let goed op het laatste vers hierboven, Sūrah al-Mulk (67:7): سَمِعُوا (samiʿū) staat grammaticaal in de Māḍī (verleden tijd), maar de vertaling luidt "zullen zij horen" — toekomende tijd.
⚠️ De regel: إِذَا + Māḍī
Wanneer een werkwoord in de Māḍī wordt voorafgegaan door een voorwaardelijk partikel zoals إِذَا (idhā, "wanneer/als") of إِنْ (in, "als"), duidt die Māḍī-vorm een gebeurtenis aan die nog moet plaatsvinden — dus een toekomstige betekenis, ondanks de verleden-tijd-vorm. Dit is simpelweg de standaardconstructie van voorwaardelijke zinnen in het Arabisch: de vórm is Māḍī, maar de bedóeling is Muḍāriʿ.
💡 Een verwant, maar apart verschijnsel
Los van إِذَا kent de Qurʾān nóg een reden om de Māḍī voor de toekomst te gebruiken — dit keer zónder enig voorwaardelijk deeltje. Wanneer een toekomstige gebeurtenis zó zeker is dat er geen twijfel over bestaat — zoals het Laatste Uur — gebruikt de Qurʾān daarvoor soms de Māḍī-vorm, alsof het al gebeurd is. Voorbeelden: أَتَى أَمْرُ اللَّهِ ("Allahs bevel is gekomen", Sūrah an-Naḥl 16:1) en وَنُفِخَ فِي الصُّورِ ("en er zal in de bazuin geblazen worden", Sūrah az-Zumar 39:68) — beide zónder إِذَا, en beide over een gebeurtenis die nog moet komen. De klassieke geleerden noemen dit tanzīlan li-taḥaqquqi l-wuqūʿi manzilata l-wuqūʿ — "de zekerheid van het gebeuren gelijkstellen aan het daadwerkelijk gebeurd-zijn." Dit is dus een ánder verschijnsel dan de إِذَا-constructie hierboven, ook al lijkt het effect erop.
Deel 1 — Herken de Baab
Bekijk elk werkwoord en probeer zelf te bepalen tot welke Baab het behoort, vóórdat u op "Toon Antwoord" klikt.
Deel 2 — Vertaal naar het Arabisch
Vertaal onderstaande korte zinnen (hij-vorm, Māḍī) naar het Arabisch, met de werkwoorden die u al kent.
💡 Dit is een eerste, beperkte set
Deze vertaaloefening gebruikt bewust alleen de hij-vorm en werkwoorden die letterlijk in Les 4 en 5 zijn behandeld. Voor een uitgebreidere set — met zelfstandige naamwoorden en zinnen uit eerdere lessen — heb ik zicht nodig op de woordenschat van Les 1 t/m 3.
Samenvatting: Drie Sleuteltechnieken, Zes Abwaab Compleet
Wat u nu, na deze vijf lessen, in handen heeft, zijn drie technieken die samen elk regelmatig Arabisch werkwoord (van de Thulāthī Mujarrad-categorie) voor u ontsluiten:
| Les | Wat u leerde |
|---|---|
| Les 1 | De veertien sieghah's (persoonsvormen) van de Māḍī uit het hoofd kennen, zodat u vanuit de hij-vorm elke persoonsvorm kunt afleiden. |
| Les 2 | Weten hoe u vanuit de Māḍī-hij-vorm de Muḍāriʿ-hij-vorm opbouwt (ʿAlāmat al-Muḍāriʿ + sukūn + eind-ḍammah). |
| Les 4 & 5 | Weten tot welke van de zes Abwaab een werkwoord behoort, zodat u de klinker op de ʿAyn al-Kalimah — de enige nog onbekende variabele — correct kunt invullen. |
Wie deze drie dingen goed beheerst, kan met wat oefening honderden werkwoorden vervoegen — niet alleen in de hij-vorm, maar via de hij-vorm ook in alle overige sieghah's, in beide tijden. Met deze les is de cirkel van de zes Abwaab rond: Naṣara, Ḍaraba, Fataḥa, Samiʿa, Karuma en Ḥasiba.
Vooruitblik
Ga naar het tabblad "✏️ Oefeningen" hierboven om met alle zes Abwaab door elkaar te oefenen: eerst het herkennen van de Baab bij een gegeven werkwoord, daarna het zelf ophalen van het juiste werkwoord bij een Nederlandse zin. Gebruik het overzichtstabblad van deze les als naslagwerk wanneer u vastloopt.
De Twintig Volgende Meest Frequente Qurʾān-woorden
Dit tabblad bouwt voort op de 204 woorden die u al kent (Module 1 t/m 4, en Blok 2 · Les 1–4). Het bevat tien nieuwe inhoudswoorden die in déze les als voorbeeld zijn gebruikt (in de Baab 5 & 6- en Qurʾān-Verwijzingen-tabbladen), aangevuld met de eerstvolgende meest frequente woorden uit de Qurʾān (bron: Quranic Arabic Corpus, corpus.quran.com) tot een totaal van twintig.
🔑 Eerlijkheid over ontbrekende Qurʾān-vindplaatsen
Voor drie woorden (كَرُمَ, صَغُرَ, مُحَاسَبَةٌ) is geen directe Qurʾān-vindplaats in precies deze vorm gevonden — dat wordt bij elk van hen expliciet vermeld, met een verwijzing naar het verwante woord dat wél in de Qurʾān voorkomt, in plaats van een onjuiste vindplaats te verzinnen. Voor twee andere woorden (خَصْلَةٌ, قِرَاءَةٌ) is in plaats daarvan de eigen voorbeeldzin uit deze les gebruikt, duidelijk gemarkeerd als zodanig — dat zijn dus geen Qurʾān-verzen.
Simpele Lijst — Snel Leren بِدُونِ تَفْصِيل
Alleen het Arabisch, de transliteratie en de vertaling — zonder verdere uitleg, om de woorden in één keer te kunnen doorlopen.
| Nr. | Arabisch | Transliteratie | Vertaling |
|---|---|---|---|
| 1 | كَرُمَ | Karuma | Hij was/werd edelmoedig |
| 2 | كَبُرَ | Kabura | Hij werd groot |
| 3 | صَغُرَ | Ṣaghura | Hij werd klein |
| 4 | حَسُنَ | Ḥasuna | Hij was/werd mooi, goed |
| 5 | حَاسَبَ | Ḥāsaba | Hij rekende af (met), maakte de balans op |
| 6 | خَصْلَةٌ | Khaṣlatun | Karaktertrek, eigenschap |
| 7 | قِرَاءَةٌ | Qirāʾatun | Lezing, recitatie |
| 8 | مُحَاسَبَةٌ | Muḥāsabatun | Afrekening, verantwoording |
| 9 | أَتَى | Atā | Hij kwam |
| 10 | نَفَخَ | Nafakha | Hij blies |
| 11 | هُدًى | Hudan | Leiding |
| 12 | فَضْلٌ | Faḍlun | Gunst, genade |
| 13 | صَلَاةٌ | Ṣalātun | Gebed |
| 14 | لَيْلٌ | Laylun | Nacht |
| 15 | شَيْطَانٌ | Shayṭānun | Satan, duivel |
| 16 | كَيْفَ | Kayfa | Hoe? |
| 17 | أَصْحَابٌ | Aṣḥābun | Metgezellen, lieden (van) |
| 18 | أَكْثَرُ | Akthar | Meeste, meerderheid |
| 19 | حَيَاةٌ | Ḥayātun | Leven |
| 20 | ذِكْرٌ | Dhikrun | Vermelding, gedachtenis |
Volledige Uitleg per Woord مَعَ أَمْثِلَةٍ مِنَ الْقُرْآنِ
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel K-R-M — het modelwerkwoord van Baab Karuma zelf.
Muḍāriʿ: يَكْرُمُ (yakrumu), ḍammah–ḍammah. Het bijvoeglijk naamwoord dat erbij hoort is كَرِيمٌ, al bekend.
📌 Als bare Māḍī-vorm komt dit werkwoord niet rechtstreeks zo in de Qurʾān voor — de Qurʾān gebruikt overwegend de afgeleide vorm كَرَّمَ (Mazīd Fīhi, bv. Sūrah al-Isrāʾ 17:70) of het bijvoeglijk naamwoord كَرِيمٌ, al bekend.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel K-B-R.
Muḍāriʿ: يَكْبُرُ (yakburu), ḍammah–ḍammah.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ṣ-Gh-R.
Muḍāriʿ: يَصْغُرُ (yaṣghuru), ḍammah–ḍammah. Het bijvoeglijk naamwoord dat erbij hoort is صَغِيرٌ, al bekend.
📌 Als bare Māḍī-vorm komt dit werkwoord niet rechtstreeks zo in de Qurʾān voor; de Qurʾān gebruikt overwegend het bijvoeglijk naamwoord صَغِيرٌ, al bekend.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel Ḥ-S-N — expliciet in de les onderscheiden van حَسِبَ (al bekend), dat ondanks de gelijkende klank tot een andere Baab behoort.
Muḍāriʿ: يَحْسُنُ (yaḥsunu), ḍammah–ḍammah.
Mazīd Fīhi, van de wortel Ḥ-S-B (dezelfde wortel als حَسِبَ, al bekend, maar in een verlengde vorm).
Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad — vandaar geen Baab.
Verbaal zelfstandig naamwoord (Maṣdar) van قَرَأَ, al bekend.
Verbaal zelfstandig naamwoord (Maṣdar) van de Mazīd Fīhi-vorm حَاسَبَ hierboven.
📌 Dit exacte woord komt niet rechtstreeks zo in de Qurʾān voor; de Qurʾān gebruikt voor dit begrip meestal het werkwoord يُحَاسِبْ (zie حَاسَبَ hierboven, Sūrah al-Baqarah 2:284) of het zelfstandig naamwoord حِسَابٌ.
Thulāthī Mujarrad, wortel A-T-Y — Nāqiṣ (zwakke derde wortelletter).
Aṣl: أَتَيَ / يَأْتِيُ (fatḥah–kasrah) → أَتَى / يَأْتِي. Ondanks de zwakke letter valt dit toch onder Baab Ḍaraba, want het is geen Mazīd-vorm.
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ, wortel N-F-Kh.
Muḍāriʿ: يَنْفُخُ (yanfukhu), fatḥah–ḍammah.
Ḥarf Istifhām — vraagpartikel.
Meervoud; enkelvoud: صَاحِبٌ.
Vergrotende trap (Ism Tafḍīl) van كَثِيرٌ.
Verbaal zelfstandig naamwoord van ذَكَرَ, al bekend.