Aangeplakte Voornaamwoorden — de Bezittelijke/Voorzetsel-vorm
Dezelfde 14 aangeplakte voornaamwoorden die u al kent uit Les 3 (شَكَرَهُ — hij dankte hém), plakken ook aan een zelfstandig naamwoord vast — maar daar betekenen ze iets anders: geen lijdend voorwerp, maar een bezittelijk voornaamwoord. كِتَابُهُ is niet "hij boekte hem", maar «zíjn boek».
Gebruik: als Muḍāf ilayhi (het tweede lid van een Iḍāfah, al bekend uit Blok 1, Module 4) vastgeplakt aan een (zelfstandig) naamwoord. Voorbeeld: كِتَابُهُ — zíjn boek.
Op een werkwoord is "mij": ـنِي (bv. شَكَرَنِي — hij dankte mij). Op een naamwoord is "mijn": gewoon ـِي (kasrah + yāʾ, zónder de letter Noen/نـ): كِتَابِي — mijn boek; (niet كِتَابُنِي). Dit is het enige suffix van de 14 dat op een naamwoord anders is dan op een werkwoord.
| # | Suffix | Translit. | Vertaling | Persoon / Geslacht / Getal | Voorbeeld op كِتَابٌ |
|---|---|---|---|---|---|
| ← الْغَائِبُ الْمُذَكَّرُ | Derde Persoon — Mannelijk | |||||
| 1 | ـهُ | -hu | zijn | 3e persoon · mannelijk · enkelvoud | كِتَابُهُ |
| 2 | ـهُمَا | -humā | hun beider (m.) | 3e persoon · mannelijk · tweevoud | كِتَابُهُمَا |
| 3 | ـهُمْ | -hum | hun (m.) | 3e persoon · mannelijk · meervoud | كِتَابُهُمْ |
| ← الْغَائِبَةُ الْمُؤَنَّثَةُ | Derde Persoon — Vrouwelijk | |||||
| 4 | ـهَا | -hā | haar | 3e persoon · vrouwelijk · enkelvoud | كِتَابُهَا |
| 5 | ـهُمَا | -humā | hun beider (v.) | 3e persoon · vrouwelijk · tweevoud | كِتَابُهُمَا |
| 6 | ـهُنَّ | -hunna | hun (v.) | 3e persoon · vrouwelijk · meervoud | كِتَابُهُنَّ |
| ← الْمُخَاطَبُ الْمُذَكَّرُ | Tweede Persoon — Mannelijk | |||||
| 7 | ـكَ | -ka | jouw (m.) | 2e persoon · mannelijk · enkelvoud | كِتَابُكَ |
| 8 | ـكُمَا | -kumā | jullie beider (m.) | 2e persoon · mannelijk · tweevoud | كِتَابُكُمَا |
| 9 | ـكُمْ | -kum | jullie (m.) | 2e persoon · mannelijk · meervoud | كِتَابُكُمْ |
| ← الْمُخَاطَبَةُ الْمُؤَنَّثَةُ | Tweede Persoon — Vrouwelijk | |||||
| 10 | ـكِ | -ki | jouw (v.) | 2e persoon · vrouwelijk · enkelvoud | كِتَابُكِ |
| 11 | ـكُمَا | -kumā | jullie beider (v.) | 2e persoon · vrouwelijk · tweevoud | كِتَابُكُمَا |
| 12 | ـكُنَّ | -kunna | jullie (v.) | 2e persoon · vrouwelijk · meervoud | كِتَابُكُنَّ |
| ← الْمُتَكَلِّمُ | Eerste Persoon — Mannelijk & Vrouwelijk — ⚠️ LET OP, HET ENKELVOUD VAN DEZE SET IS ANDERS DAN ZIJN EQUIVALENT VAN DE NAAMWOORDEN UIT LES 3. HIER ONTBREEKT DE LETTER NOEN | |||||
| 13 | ـِي | -ī | mijn | 1e persoon · m. & v. · enkelvoud | كِتَابِي |
| 14 | ـنَا | -nā | onze | 1e persoon · m. & v. · meervoud | كِتَابُنَا |
Belangrijke klankwisseling — net als in Les 3: de suffix ـهُ (-hu) verandert naar ـهِ (-hi) wanneer het rechtstreeks voorafgegaan wordt door een kasrah of een yāʾ die zelf ook weer wordt voorafgegaan door een kasrah- of fathah-hebbende letter. Bijvoorbeeld na Majrūr-uitgangen (bv. bij een naamwoord na een voorzetsel): كِتَابِهِ (zijn boek — bijv. na een voorzetsel) i.p.v. كِتَابِهُ. Deze regel had u al gehad in Les 3, hier wordt hij nu toegepast op bezittelijke voornaamwoorden.
Een naamwoord met een aangeplakt bezittelijk voornaamwoord vormt een Iḍāfah (behandeld in Blok 1, Module 4): het eerste lid (كِتَابُ) verliest zijn Tanwīn en het lidwoord الـ, en het tweede lid is hier het (bezittelijke) voornaamwoord zelf. Vandaar: كِتَابٌ → كِتَابُهُ, nooit الْكِتَابُهُ. Het bezittelijke voornaamwoord Hu bevindt zich hier in de kasrah-positie, oftewel de Jarr naamval, maar in dit geval blijft het een dammah behouden omdat hij altijd deze vaste vorm krijgt, tenzij het voorafgegaan wordt door een kasrah-hebbende letter of de letter Yaa met een Sukoen die weer voorafgegaan wordt door en kasrah- of fathah-hebbende letter. In dat geval krijgt het bezittelijke voornaamwoord Hu een kasrah. Dit gebeurt met alle bezittelijke voornaamwoorden van de 3e persoon met uitzondering van de vrouwelijke enkelvoudsvorm Haa.
Dezelfde 14 suffixen plakken ook aan een voorzetsel (Ḥarf Jarr) vast, als voorwerp van dat voorzetsel — en dat voorwerp staat dan in de جَرّ ( het is dus dan majrūr). Alle حُرُوفُ الْجَرِّ zijn kasrah-gevend: zij plaatsen het woord erna, of het aangehechte voornaamwoord, altijd in de جَرّ-status. In deze les gebruiken we als model بِ (bi, "met, door") om te laten zien hoe het aangehechte voornaamwoord ook aan voorzetsels vastplakt.
Belangrijk: net als op een zelfstandig naamwoord, is de vorm voor de eerste-persoon enkelvoud hier ـِي (zonder de letter Noen / نـ) — dus niet: ـنِي wat de vorm van dat voornaamwoord is wanner het zich hecht aan een werkwoord, en dus lijdend voorwerp is. Bij بِ, ons model, is dit verder helemaal regelmatig — verderop in dit tabblad ziet u wel een paar voorzetsels (zoals مِنْ) waarbij er wél iets bijzonders met de klank gebeurt voor sommige vormen.
Volgens de regels van Naḥw vallen de bezittelijke voornaamwoorden op een zelfstandig naamwoord (vorig tabblad) én deze voorzetsel-suffixen onder dezelfde grammaticale categorie: الضَّمَائِرُ الْمُتَّصِلَةُ الْمَجْرُورَةُ (ḍamāʾir muttaṣilah majrūrah) — aangehechte voornaamwoorden in de jarr-positie. Het is precies dezelfde reeks vormen (ـهُ، ـهَا، ـِي، etc.); alleen de عَامِل (wat de jarr veroorzaakt) verschilt: bij een naamwoord is dat de Iḍāfah (het voorzetsel-suffix is dan مُضَاف إِلَيْهِ), bij een voorzetsel is dat de Ḥarf Jarr zelf. Vandaar dat beide tabbladen dezelfde naam dragen: "Ḍamā'ir Majrūrah Muttaṣilah".
💡 Let op: "voorzetsel" (Ḥarf Jarr) is maar één van de vele subgroepen binnen حَرْف — niet alle حَرْف-woorden zijn voorzetsels. إِنَّ bijvoorbeeld is wél een حَرْف, maar géén voorzetsel (zie Les 3, tabblad Ḍamā'ir Manṣūbah, voor de volledige uitleg).
| # | Voornaamwoord | بِ + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | بِهِ | bihi | door hem |
| 2 | هُمَا ♂ | بِهِمَا | bihimā | door hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | بِهِمْ | bihim | door hen (m.) |
| 4 | هِيَ | بِهَا | bihā | door haar |
| 5 | هُمَا ♀ | بِهِمَا | bihimā | door hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | بِهِنَّ | bihinna | door hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | بِكَ | bika | door jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | بِكُمَا | bikumā | door jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | بِكُمْ | bikum | door jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | بِكِ | biki | door jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | بِكُمَا | bikumā | door jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | بِكُنَّ | bikunna | door jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | بِي | bī | door mij |
| 14 | نَحْنُ | بِنَا | binā | door ons |
Volledig regelmatig bij alle 14 suffixen — geen enkele klankwisseling. Dat maakt بِ uitstekend geschikt als model voor de aangeplakte voornaamwoorden op voorzetsels; verderop in dit tabblad ziet u voorzetsels mét eigen bijzonderheden, zoals مِنْ.
Niet elk voorzetsel gedraagt zich hetzelfde. Hieronder de ـهُ-vorm (hem) van een aantal al bekende voorzetsels — let vooral op لِ en عَلَى/إِلَى, die een eigen klankverandering hebben.
| Voorzetsel | + ـهُ | Translit. | Bijzonderheid |
|---|---|---|---|
| فِي | فِيهِ | fīhi | Regelmatig — gewoon ـهِ na de lange ī. |
| مِنْ | مِنْهُ | minhu | Regelmatig bij ـهُ — de bijzonderheid van مِنْ zit bij ـِي/ـنَا (zie verderop). |
| عَنْ | عَنْهُ | ʿanhu | Regelmatig, maar عَنِّي/عَنَّا bij ـِي/ـنَا (zelfde eigenaardigheid als bij het vorige voorzetsel). |
| مَعَ | مَعَهُ | maʿahu | Regelmatig behalve bij de 1ste persoon enkelvoudsvorm waar de letter 'Ayn een kasrah krijgt om de lange ie-klank mogelijk te maken. |
| لِ | لَهُ | lahu ⚠️ | De kasrah van لِ wordt een fatḥah zodra er een suffix aan vastplakt — behalve bij ـِي: لِي (lī, "voor mij"), niet لَي. |
| عَلَى | عَلَيْهِ | ʿalayhi ⚠️ | De laatste alif maqṣūrah wordt een يْ zodra er een suffix aan vastplakt. |
| إِلَى | إِلَيْهِ | ilayhi ⚠️ | Zelfde verschijnsel als bij عَلَى. |
Hierboven zag u het overzicht met alleen de ـهُ-vorm. Hieronder volgt van elk van deze zeven voorzetsels de volledige lijst van alle 14 suffixen — op precies dezelfde manier als u bij بِ heeft gezien.
| # | Voornaamwoord | لِ + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | لَهُ | lahu ⚠️ | voor hem |
| 2 | هُمَا ♂ | لَهُمَا | lahumā ⚠️ | voor hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | لَهُمْ | lahum ⚠️ | voor hen (m.) |
| 4 | هِيَ | لَهَا | lahā ⚠️ | voor haar |
| 5 | هُمَا ♀ | لَهُمَا | lahumā ⚠️ | voor hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | لَهُنَّ | lahunna ⚠️ | voor hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | لَكَ | laka ⚠️ | voor jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | لَكُمَا | lakumā ⚠️ | voor jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | لَكُمْ | lakum ⚠️ | voor jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | لَكِ | laki ⚠️ | voor jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | لَكُمَا | lakumā ⚠️ | voor jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | لَكُنَّ | lakunna ⚠️ | voor jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | لِي | lī ⚠️ | voor mij |
| 14 | نَحْنُ | لَنَا | lanā | voor ons |
⚠️ Bij alle vormen behalve ـِي verandert de kasrah van لِ in een fatḥah. Alleen لِي (voor mij) behoudt de kasrah.
| # | Voornaamwoord | عَلَى + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | عَلَيْهِ | ʿalayhi ⚠️ | op hem |
| 2 | هُمَا ♂ | عَلَيْهِمَا | ʿalayhimā ⚠️ | op hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | عَلَيْهِمْ | ʿalayhim ⚠️ | op hen (m.) |
| 4 | هِيَ | عَلَيْهَا | ʿalayhā ⚠️ | op haar |
| 5 | هُمَا ♀ | عَلَيْهِمَا | ʿalayhimā ⚠️ | op hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | عَلَيْهِنَّ | ʿalayhinna ⚠️ | op hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | عَلَيْكَ | ʿalayka ⚠️ | op jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | عَلَيْكُمَا | ʿalaykumā ⚠️ | op jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | عَلَيْكُمْ | ʿalaykum ⚠️ | op jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | عَلَيْكِ | ʿalayki ⚠️ | op jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | عَلَيْكُمَا | ʿalaykumā ⚠️ | op jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | عَلَيْكُنَّ | ʿalaykunna ⚠️ | op jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | عَلَيَّ | ʿalayya ⚠️ | op mij |
| 14 | نَحْنُ | عَلَيْنَا | ʿalaynā ⚠️ | op ons |
⚠️ De laatste alif maqṣūrah van عَلَى wordt bij élk suffix een يْ. Bij ـِي (mij) versmelt die يْ met het suffix tot een verdubbelde يّ: عَلَيَّ en de laatste letter Yaa krijgt een fathah: (ʿalayya), niet عَلَيِي.
| # | Voornaamwoord | إِلَى + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | إِلَيْهِ | ilayhi ⚠️ | naar hem |
| 2 | هُمَا ♂ | إِلَيْهِمَا | ilayhimā ⚠️ | naar hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | إِلَيْهِمْ | ilayhim ⚠️ | naar hen (m.) |
| 4 | هِيَ | إِلَيْهَا | ilayhā ⚠️ | naar haar |
| 5 | هُمَا ♀ | إِلَيْهِمَا | ilayhimā ⚠️ | naar hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | إِلَيْهِنَّ | ilayhinna ⚠️ | naar hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | إِلَيْكَ | ilayka ⚠️ | naar jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | إِلَيْكُمَا | ilaykumā ⚠️ | naar jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | إِلَيْكُمْ | ilaykum ⚠️ | naar jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | إِلَيْكِ | ilayki ⚠️ | naar jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | إِلَيْكُمَا | ilaykumā ⚠️ | naar jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | إِلَيْكُنَّ | ilaykunna ⚠️ | naar jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | إِلَيَّ | ilayya ⚠️ | naar mij |
| 14 | نَحْنُ | إِلَيْنَا | ilaynā ⚠️ | naar ons |
⚠️ Exact hetzelfde verschijnsel als bij عَلَى hierboven — إِلَيَّ (ilayya), niet إِلَيِي.
| # | Voornaamwoord | فِي + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | فِيهِ | fīhi | in hem |
| 2 | هُمَا ♂ | فِيهِمَا | fīhimā | in hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | فِيهِمْ | fīhim | in hen (m.) |
| 4 | هِيَ | فِيهَا | fīhā | in haar |
| 5 | هُمَا ♀ | فِيهِمَا | fīhimā | in hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | فِيهِنَّ | fīhinna | in hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | فِيكَ | fīka | in jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | فِيكُمَا | fīkumā | in jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | فِيكُمْ | fīkum | in jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | فِيكِ | fīki | in jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | فِيكُمَا | fīkumā | in jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | فِيكُنَّ | fīkunna | in jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | فِيَّ | fiyya ⚠️ | in mij |
| 14 | نَحْنُ | فِينَا | fīnā | in ons |
⚠️ Regelmatig, behalve bij ـِي (mij): de lange ī van فِي versmelt met het suffix tot een verdubbelde يّ: فِيَّ (fiyya), niet فِيِي.
| # | Voornaamwoord | مِنْ + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | مِنْهُ | minhu | van hem |
| 2 | هُمَا ♂ | مِنْهُمَا | minhumā | van hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | مِنْهُمْ | minhum | van hen (m.) |
| 4 | هِيَ | مِنْهَا | minhā | van haar |
| 5 | هُمَا ♀ | مِنْهُمَا | minhumā | van hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | مِنْهُنَّ | minhunna | van hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | مِنْكَ | minka | van jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | مِنْكُمَا | minkumā | van jullie beiden |
| 9 | أَنْتُمْ | مِنْكُمْ | minkum | van jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | مِنْكِ | minki | van jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | مِنْكُمَا | minkumā | van jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | مِنْكُنَّ | minkunna | van jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | مِنِّي | minnī ⚠️ | van / uit mij (vandaan) |
| 14 | نَحْنُ | مِنَّا | minnā ⚠️ | van / uit ons (vandaan) |
⚠️ Bijzondere samensmelting bij مِنْ (en عَنْ): wanneer het voorzetsel مِنْ (min) wordt gekoppeld aan de voornaamwoorden voor "ik" en "wij", ontstaat een verdubbelde نّ (shaddah) — maar de twee gevallen ontstaan niet op dezelfde manier. Bij نَحْنُ (ons) eindigt het voorzetsel op een stille نْ (sākinah) en begint het voornaamwoord met een نَ: مِنْ + نَا → de twee opeenvolgende nūns smelten samen (idghām) tot مِنَّا (minnā). Bij أَنَا (mij) ligt het anders: het achtervoegsel ـِي begint zelf niet met een نـ, maar om de rustende klinker (sukūn) van het voorzetsel te bewaren, voegt het Arabisch verplicht een beschermende نُون الْوِقَايَة (nūn al-wiqāyah) in: مِنْ + نِ + ي → pas dán smelten de twee nūns samen tot مِنِّي (minnī). Ditzelfde principe geldt voor het voorzetsel عَنْ (ʿan, over/vanuit/weg van): عَنِّي (ʿannī), عَنَّا (ʿannā).
| # | Voornaamwoord | عَنْ + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | عَنْهُ | ʿanhu | over hem |
| 2 | هُمَا ♂ | عَنْهُمَا | ʿanhumā | over hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | عَنْهُمْ | ʿanhum | over hen (m.) |
| 4 | هِيَ | عَنْهَا | ʿanhā | over haar |
| 5 | هُمَا ♀ | عَنْهُمَا | ʿanhumā | over hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | عَنْهُنَّ | ʿanhunna | over hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | عَنْكَ | ʿanka | over jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | عَنْكُمَا | ʿankumā | over jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | عَنْكُمْ | ʿankum | over jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | عَنْكِ | ʿanki | over jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | عَنْكُمَا | ʿankumā | over jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | عَنْكُنَّ | ʿankunna | over jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | عَنِّي | ʿannī ⚠️ | over mij |
| 14 | نَحْنُ | عَنَّا | ʿannā ⚠️ | over ons |
⚠️ Dezelfde verdubbelde-نّ-samensmelting als bij مِنْ: عَنِّي (ʿannī), عَنَّا (ʿannā) — nooit عَنْنِي of عَنْنَا.
| # | Voornaamwoord | مَعَ + Suffix | Translit. | Vertaling |
|---|---|---|---|---|
| 1 | هُوَ | مَعَهُ | maʿahu | samen met hem |
| 2 | هُمَا ♂ | مَعَهُمَا | maʿahumā | samen met hen beiden (m.) |
| 3 | هُمْ | مَعَهُمْ | maʿahum | samen met hen (m.) |
| 4 | هِيَ | مَعَهَا | maʿahā | samen met haar |
| 5 | هُمَا ♀ | مَعَهُمَا | maʿahumā | samen met hen beiden (v.) |
| 6 | هُنَّ | مَعَهُنَّ | maʿahunna | samen met hen (v.) |
| 7 | أَنْتَ | مَعَكَ | maʿaka | samen met jou (m.) |
| 8 | أَنْتُمَا | مَعَكُمَا | maʿakumā | samen met jullie beiden (m.) |
| 9 | أَنْتُمْ | مَعَكُمْ | maʿakum | samen met jullie (m.) |
| 10 | أَنْتِ | مَعَكِ | maʿaki | samen met jou (v.) |
| 11 | أَنْتُمَا ♀ | مَعَكُمَا | maʿakumā | samen met jullie beiden (v.) |
| 12 | أَنْتُنَّ | مَعَكُنَّ | maʿakunna | samen met jullie (v.) |
| 13 | أَنَا | مَعِي | maʿī ⚠️ | samen met mij |
| 14 | نَحْنُ | مَعَنَا | maʿanā | samen met ons |
Bijzonderheid bij أَنَا (mij): Het grondwoord مَعَ (maʿa) is bijna volledig regelmatig. Bij het voornaamwoord van de eerste persoon (ـِي) verandert de fatḥah op de ع (ʿayn) in een kasrah (مَعِي / maʿī) om de uitspraak van de yā' (dus de lange ie-klank) mogelijk te maken. In klassiek Arabisch en in de heilige Quraan kan de yā' ook een fatḥah dragen: مَعِيَ (maʿiya).
In de onderstaande zinnen staan uitsluitend woorden die u al kent, gecombineerd met de ḍamā'ir majrūrah muttaṣilah van het vorige tabblad — zowel de bezittelijke vorm (op een naamwoord) als de voorzetsel-vorm. Vertaal eerst zelf, klik dan op de knop voor het antwoord — inclusief een stapsgewijze uitleg van elke keuze.
| Arabisch | Transliteratie | Nederlands |
|---|---|---|
| كِتَابٌ | Kitābun | boek |
| قَلْبٌ | Qalbun | hart |
| رَبٌّ | Rabbun | Heer |
| جَدِيدٌ | Jadīdun | nieuw |
| صَغِيرٌ | Ṣaghīrun | klein |
| رَحِيمٌ | Raḥīmun | Barmhartig |
| فَضْلٌ | Faḍlun | gunst |
| عَلِيمٌ | ʿAlīmun | Alwetend |
| آمَنَ | Āmana | geloven |
| جَنَّةٌ | Jannatun | Paradijs |
| رَحْمَةٌ | Raḥmatun | genade |
Het aangeplakte Majrūr-voornaamwoord — op naamwoorden én op voorzetsels — is een van de meest voorkomende constructies in de Edele Qurʾān. Onderstaande verzen tonen de belangrijkste klankwisselingen in hun context.
صِرَاطَ الَّذِينَ أَنْعَمْتَ عَلَيْهِمْ
Ṣirāṭa lladhīna anʿamta ʿalayhim
"Het pad van degenen aan wie U gunsten hebt geschonken."
— Sūrah al-Fātiḥah (1), āyah 7
Analyse: عَلَيْهِمْ is عَلَى + ـهُمْ — precies de klankwisseling van عَلَى (alif maqṣūrah → يْ) die in deze les behandeld is. Dit is het vers dat elke moslim minstens zeventien keer per dag reciteert.
وَإِذَا سَأَلَكَ عِبَادِي عَنِّي فَإِنِّي قَرِيبٌ
Wa-idhā saʾalaka ʿibādī ʿannī fa-innī qarīb
"En wanneer Mijn dienaren jou over Mij vragen: voorwaar, Ik ben nabij."
— Sūrah al-Baqarah (2), āyah 186
Analyse: عَنِّي is عَنْ + ـِي — precies de verdubbelde-نّ-klankwisseling die u bij مِنِّي heeft geleerd. Idhā, qarīb en ʿibād (meervoud van ʿabd) zijn al bekend.
تَبَارَكَ الَّذِي بِيَدِهِ الْمُلْكُ
Tabāraka lladhī biyadihi l-mulk
"Gezegend is Degene in Wiens hand de heerschappij is."
— Sūrah al-Mulk (67), āyah 1
Analyse: بِيَدِهِ is بِ + يَدٌ (al bekend) + ـهِ — een bezittelijk suffix op een naamwoord dat zélf na een voorzetsel staat. Mulk is al bekend uit Les 4. Hier is het woord bi-yadihi als metafoor gebruikt om aan te geven dat Hij de Eigenaar en Bezitter is van het ware Koninkrijk.
وَلَمْ يَكُن لَّهُ كُفُوًا أَحَدٌ
Wa-lam yakun lahu kufuwan aḥad
"En niemand is aan Hem gelijkwaardig."
— Sūrah al-Ikhlāṣ (112), āyah 4
Analyse: لَهُ is لِ + ـهُ, met precies de klinkerwisseling (kasrah → fatḥah) die in dit tabblad behandeld is.
ذَٰلِكَ الْكِتَابُ لَا رَيْبَ فِيهِ
Dhālika l-kitābu lā rayba fīhi
"Dit is het verheven Boek waarover geen enkele twijfel bestaat."
— Sūrah al-Baqarah (2), āyah 2
Analyse: فِيهِ is فِي + ـهِ — een regelmatige combinatie, zonder bijzondere klankwisseling. Dhālika en kitāb komen hier ook voor, beide al bekend.
Dit tabblad bouwt voort op de 224 woorden die u al kent (Blok 1: Module 1 t/m 4, en Blok 2 · Les 1–5). Deze les is grammaticaal van aard (Ḍamā'ir Majrūrah), net als Les 3 — de nieuwe inhoudswoorden zijn daarom vooral gehaald uit de Qurʾān-verzen die al in het Qurʾān-Verwijzingen-tabblad staan: acht stuks. Aangevuld met de twaalf eerstvolgende meest frequente woorden uit de Qurʾān (bron: Quranic Arabic Corpus, corpus.quran.com) komen we op twintig.
Veel van de gekozen frequentiewoorden bevatten toevallig zélf weer een Majrūr-suffix in hun voorbeeldvers (زَوْجُكَ, إِخْوَتِكَ, مِثْلِهِ, عَبْدِنَا, قُلُوبِهِمْ, فِيهَا, رَبِّكَ) — een mooie extra herhaling van de stof van deze les, bovenop het leren van het woord zelf.
Alleen het Arabisch, de transliteratie en de vertaling — zonder verdere uitleg, om de woorden in één keer te kunnen doorlopen.
| Nr. | Arabisch | Transliteratie | Vertaling |
|---|---|---|---|
| 1 | أَحَدٌ | Aḥadun | Eén, iemand |
| 2 | رَيْبٌ | Raybun | Twijfel |
| 3 | سَأَلَ | Saʾala | Hij vroeg |
| 4 | دَعَا | Daʿā | Hij riep, smeekte |
| 5 | أَجَابَ | Ajāba | Hij antwoordde |
| 6 | تَبَارَكَ | Tabāraka | Hij is de Bron van (alle) zegeningen |
| 7 | كُفُؤٌ | Kufuʾun | Gelijkwaardige |
| 8 | مَرَضٌ | Maraḍun | Ziekte |
| 9 | زَوْجٌ | Zawjun | Echtgenoot, paar |
| 10 | أَخٌ | Akhun | Broer |
| 11 | مِثْلٌ | Mithlun | Gelijk aan, zoals |
| 12 | نَبِيٌّ | Nabiyyun | Profeet |
| 13 | خَالِدٌ | Khālidun | Eeuwig blijvend(e) |
| 14 | فِرْعَوْنُ | Firʿawnu | Fir'awn (Farao) |
| 15 | عَالَمِينَ | ʿĀlamīna | Werelden |
| 16 | أَلِيمٌ | Alīmun | Pijnlijk |
| 17 | إِنسَانٌ | Insānun | Mens |
| 18 | عَمَلٌ | ʿAmalun | Daad, werk |
| 19 | وَجْهٌ | Wajhun | Gezicht, Wezen/Zelf, Tevredenheid |
| 20 | قِيَامَةٌ | Qiyāmatun | Opstanding |
Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ (Mahmūz al-ʿAyn), wortel S-A-L.
Muḍāriʿ: يَسْأَلُ (yasʾalu), fatḥah–fatḥah.
Thulāthī Mujarrad, wortel D-ʿ-W — Nāqiṣ (zwakke derde wortelletter).
Aṣl: دَعَوَ / يَدْعُوُ (fatḥah–ḍammah) → دَعَا / يَدْعُو. Ondanks de zwakke letter valt dit toch onder Baab Naṣara, want het is geen Mazīd-vorm.
Mazīd Fīhi, van de wortel J-W-B.
Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad.
Mazīd Fīhi, van de wortel B-R-K.
Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad.
Meervoud van عَالَمٌ.
Niet te verwarren met نَاسٌ (al bekend, «mensen» in het algemeen) — إِنسَانٌ benadrukt het individu, «de mens».
Verbaal zelfstandig naamwoord (Maṣdar) van عَمِلَ, al bekend.
In de heilige Quraan komt dit woord [volgens mijn onderzoek via maktabah shamela, walLaahu a'lam] 70 keer voor en altijd in vaste combinatie met yawm: يَوْمُ الْقِيَامَةِ (de Dag der Opstanding).