Blok 2 · Les 6

الضَّمَائِرُ الْمَجْرُورَةُ الْمُتَّصِلَةُ

Aangeplakte Voornaamwoorden — de Bezittelijke/Voorzetsel-vorm

🏠 Op Naamwoorden 🔗 Op Voorzetsels 📖 Qurān-voorbeelden
Video les
🏠

Ḍamā'ir Majrūrah Muttaṣilah — op Naamwoorden الضَّمَائِرُ الْمَجْرُورَةُ الْمُتَّصِلَةُ

Dezelfde 14 aangeplakte voornaamwoorden die u al kent uit Les 3 (شَكَرَهُ — hij dankte hém), plakken ook aan een zelfstandig naamwoord vast — maar daar betekenen ze iets anders: geen lijdend voorwerp, maar een bezittelijk voornaamwoord. كِتَابُهُ is niet "hij boekte hem", maar «zíjn boek».

Gebruik: als Muḍāf ilayhi (het tweede lid van een Iḍāfah, al bekend uit Blok 1, Module 4) vastgeplakt aan een (zelfstandig) naamwoord. Voorbeeld: كِتَابُهُ — zíjn boek.

⚠️ Belangrijk verschil met Les 3 — de ik-vorm

Op een werkwoord is "mij": ـنِي (bv. شَكَرَنِي — hij dankte mij). Op een naamwoord is "mijn": gewoon ـِي (kasrah + yāʾ, zónder de letter Noen/نـ): كِتَابِي — mijn boek; (niet كِتَابُنِي). Dit is het enige suffix van de 14 dat op een naamwoord anders is dan op een werkwoord.

📋

Alle 14 Suffixen op het woord: كِتَابٌ

# Suffix Translit. Vertaling Persoon / Geslacht / Getal Voorbeeld op كِتَابٌ
← الْغَائِبُ الْمُذَكَّرُ  |  Derde Persoon — Mannelijk
1 ـهُ -hu zijn 3e persoon · mannelijk · enkelvoud كِتَابُهُ
2 ـهُمَا -humā hun beider (m.) 3e persoon · mannelijk · tweevoud كِتَابُهُمَا
3 ـهُمْ -hum hun (m.) 3e persoon · mannelijk · meervoud كِتَابُهُمْ
← الْغَائِبَةُ الْمُؤَنَّثَةُ  |  Derde Persoon — Vrouwelijk
4 ـهَا -hā haar 3e persoon · vrouwelijk · enkelvoud كِتَابُهَا
5 ـهُمَا -humā hun beider (v.) 3e persoon · vrouwelijk · tweevoud كِتَابُهُمَا
6 ـهُنَّ -hunna hun (v.) 3e persoon · vrouwelijk · meervoud كِتَابُهُنَّ
← الْمُخَاطَبُ الْمُذَكَّرُ  |  Tweede Persoon — Mannelijk
7 ـكَ -ka jouw (m.) 2e persoon · mannelijk · enkelvoud كِتَابُكَ
8 ـكُمَا -kumā jullie beider (m.) 2e persoon · mannelijk · tweevoud كِتَابُكُمَا
9 ـكُمْ -kum jullie (m.) 2e persoon · mannelijk · meervoud كِتَابُكُمْ
← الْمُخَاطَبَةُ الْمُؤَنَّثَةُ  |  Tweede Persoon — Vrouwelijk
10 ـكِ -ki jouw (v.) 2e persoon · vrouwelijk · enkelvoud كِتَابُكِ
11 ـكُمَا -kumā jullie beider (v.) 2e persoon · vrouwelijk · tweevoud كِتَابُكُمَا
12 ـكُنَّ -kunna jullie (v.) 2e persoon · vrouwelijk · meervoud كِتَابُكُنَّ
← الْمُتَكَلِّمُ  |  Eerste Persoon — Mannelijk & Vrouwelijk — ⚠️ LET OP, HET ENKELVOUD VAN DEZE SET IS ANDERS DAN ZIJN EQUIVALENT VAN DE NAAMWOORDEN UIT LES 3. HIER ONTBREEKT DE LETTER NOEN
13 ـِي -ī mijn 1e persoon · m. & v. · enkelvoud كِتَابِي
14 ـنَا -nā onze 1e persoon · m. & v. · meervoud كِتَابُنَا

Belangrijke klankwisseling — net als in Les 3: de suffix ـهُ (-hu) verandert naar ـهِ (-hi) wanneer het rechtstreeks voorafgegaan wordt door een kasrah of een yāʾ die zelf ook weer wordt voorafgegaan door een kasrah- of fathah-hebbende letter. Bijvoorbeeld na Majrūr-uitgangen (bv. bij een naamwoord na een voorzetsel): كِتَابِهِ (zijn boek — bijv. na een voorzetsel) i.p.v. كِتَابِهُ. Deze regel had u al gehad in Les 3, hier wordt hij nu toegepast op bezittelijke voornaamwoorden.

💡 Belangrijk: dit is een Iḍāfah

Een naamwoord met een aangeplakt bezittelijk voornaamwoord vormt een Iḍāfah (behandeld in Blok 1, Module 4): het eerste lid (كِتَابُ) verliest zijn Tanwīn en het lidwoord الـ, en het tweede lid is hier het (bezittelijke) voornaamwoord zelf. Vandaar: كِتَابٌ → كِتَابُهُ, nooit الْكِتَابُهُ. Het bezittelijke voornaamwoord Hu bevindt zich hier in de kasrah-positie, oftewel de Jarr naamval, maar in dit geval blijft het een dammah behouden omdat hij altijd deze vaste vorm krijgt, tenzij het voorafgegaan wordt door een kasrah-hebbende letter of de letter Yaa met een Sukoen die weer voorafgegaan wordt door en kasrah- of fathah-hebbende letter. In dat geval krijgt het bezittelijke voornaamwoord Hu een kasrah. Dit gebeurt met alle bezittelijke voornaamwoorden van de 3e persoon met uitzondering van de vrouwelijke enkelvoudsvorm Haa.

🎯

Oefeningen — Basis تَدْرِيبَاتٌ أَسَاسِيَّةٌ

Voeg het juiste bezittelijk suffix toe
Doel: Het aangeplakte voornaamwoord als bezittelijk voornaamwoord correct toepassen op كِتَابٌ
1. "zijn boek" → كِتَابٌ + ـهُ
كِتَابُهُ
2. "haar boek" → كِتَابٌ + ـهَا
كِتَابُهَا
3. ⚠️ "mijn boek" — let op, dit is géén ـنِي zoals op een werkwoord! → كِتَابٌ + ـِي
كِتَابِي — niet كِتَابُنِي!
4. "ons boek" → كِتَابٌ + ـنَا
كِتَابُنَا
5. "jullie boek (mannelijk meervoud)" → كِتَابٌ + ـكُمْ
كِتَابُكُمْ
6. "hun boek (vrouwelijk meervoud)" → كِتَابٌ + ـهُنَّ
كِتَابُهُنَّ
🌿

Oefeningen — Verdieping تَدْرِيبَاتٌ مُتَقَدِّمَةٌ

Andere naamwoorden, foutenanalyse & een blik vooruit
Doel: het bezittelijk suffix herkennen en toepassen op verschillende, al bekende naamwoorden
7. "zijn Heer" (رَبٌّ, al bekend) → رَبٌّ + ـهُ
رَبُّهُ
8. "mijn hart" (قَلْبٌ, al bekend) → قَلْبٌ + ـِي
قَلْبِي
9. Verbeter de fout — het lidwoord الـ kan niet samen met een bezittelijk suffix: الْكِتَابُهُ
كِتَابُهُ
Een Iḍāfah met een aangeplakt voornaamwoord krijgt nooit het lidwoord الـ — het voornaamwoord zelf maakt het naamwoord al bepaald.
10. "hun Heer (mannelijk meervoud)" → رَبٌّ + ـهُمْ
رَبُّهُمْ
11. "jouw hart (vrouwelijk)" → قَلْبٌ + ـكِ
قَلْبُكِ
12. 📖 Vooruitblik op het Qurān-tabblad — vertaal: "hun boek"
كِتَابُهُمْ
🔗

Ḍamā'ir Majrūrah Muttaṣilah — op Voorzetsels مَعَ حُرُوفِ الْجَرِّ

Dezelfde 14 suffixen plakken ook aan een voorzetsel (Ḥarf Jarr) vast, als voorwerp van dat voorzetsel — en dat voorwerp staat dan in de جَرّ ( het is dus dan majrūr). Alle حُرُوفُ الْجَرِّ zijn kasrah-gevend: zij plaatsen het woord erna, of het aangehechte voornaamwoord, altijd in de جَرّ-status. In deze les gebruiken we als model بِ (bi, "met, door") om te laten zien hoe het aangehechte voornaamwoord ook aan voorzetsels vastplakt.

Belangrijk: net als op een zelfstandig naamwoord, is de vorm voor de eerste-persoon enkelvoud hier ـِي (zonder de letter Noen / نـ) — dus niet: ـنِي wat de vorm van dat voornaamwoord is wanner het zich hecht aan een werkwoord, en dus lijdend voorwerp is. Bij بِ, ons model, is dit verder helemaal regelmatig — verderop in dit tabblad ziet u wel een paar voorzetsels (zoals مِنْ) waarbij er wél iets bijzonders met de klank gebeurt voor sommige vormen.

📖 Naḥw: één overkoepelende categorie

Volgens de regels van Naḥw vallen de bezittelijke voornaamwoorden op een zelfstandig naamwoord (vorig tabblad) én deze voorzetsel-suffixen onder dezelfde grammaticale categorie: الضَّمَائِرُ الْمُتَّصِلَةُ الْمَجْرُورَةُ (ḍamāʾir muttaṣilah majrūrah) — aangehechte voornaamwoorden in de jarr-positie. Het is precies dezelfde reeks vormen (ـهُ، ـهَا، ـِي، etc.); alleen de عَامِل (wat de jarr veroorzaakt) verschilt: bij een naamwoord is dat de Iḍāfah (het voorzetsel-suffix is dan مُضَاف إِلَيْهِ), bij een voorzetsel is dat de Ḥarf Jarr zelf. Vandaar dat beide tabbladen dezelfde naam dragen: "Ḍamā'ir Majrūrah Muttaṣilah".

💡 Let op: "voorzetsel" (Ḥarf Jarr) is maar één van de vele subgroepen binnen حَرْف — niet alle حَرْف-woorden zijn voorzetsels. إِنَّ bijvoorbeeld is wél een حَرْف, maar géén voorzetsel (zie Les 3, tabblad Ḍamā'ir Manṣūbah, voor de volledige uitleg).

📋

Alle 14 Suffixen op بِ جَدْوَلٌ كَامِلٌ — bi, "met, door"

#Voornaamwoordبِ + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَبِهِbihidoor hem
2هُمَا ♂بِهِمَاbihimādoor hen beiden (m.)
3هُمْبِهِمْbihimdoor hen (m.)
4هِيَبِهَاbihādoor haar
5هُمَا ♀بِهِمَاbihimādoor hen beiden (v.)
6هُنَّبِهِنَّbihinnadoor hen (v.)
7أَنْتَبِكَbikadoor jou (m.)
8أَنْتُمَابِكُمَاbikumādoor jullie beiden (m.)
9أَنْتُمْبِكُمْbikumdoor jullie (m.)
10أَنْتِبِكِbikidoor jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀بِكُمَاbikumādoor jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّبِكُنَّbikunnadoor jullie (v.)
13أَنَابِيbīdoor mij
14نَحْنُبِنَاbinādoor ons

Volledig regelmatig bij alle 14 suffixen — geen enkele klankwisseling. Dat maakt بِ uitstekend geschikt als model voor de aangeplakte voornaamwoorden op voorzetsels; verderop in dit tabblad ziet u voorzetsels mét eigen bijzonderheden, zoals مِنْ.

🎨

Andere Voorzetsels + ـهُ حُرُوفُ جَرٍّ أُخْرَى

Niet elk voorzetsel gedraagt zich hetzelfde. Hieronder de ـهُ-vorm (hem) van een aantal al bekende voorzetsels — let vooral op لِ en عَلَى/إِلَى, die een eigen klankverandering hebben.

Voorzetsel+ ـهُTranslit.Bijzonderheid
فِيفِيهِfīhiRegelmatig — gewoon ـهِ na de lange ī.
مِنْمِنْهُminhuRegelmatig bij ـهُ — de bijzonderheid van مِنْ zit bij ـِي/ـنَا (zie verderop).
عَنْعَنْهُʿanhuRegelmatig, maar عَنِّي/عَنَّا bij ـِي/ـنَا (zelfde eigenaardigheid als bij het vorige voorzetsel).
مَعَمَعَهُmaʿahuRegelmatig behalve bij de 1ste persoon enkelvoudsvorm waar de letter 'Ayn een kasrah krijgt om de lange ie-klank mogelijk te maken.
لِلَهُlahu ⚠️De kasrah van لِ wordt een fatḥah zodra er een suffix aan vastplakt — behalve bij ـِي: لِي (lī, "voor mij"), niet لَي.
عَلَىعَلَيْهِʿalayhi ⚠️De laatste alif maqṣūrah wordt een يْ zodra er een suffix aan vastplakt.
إِلَىإِلَيْهِilayhi ⚠️Zelfde verschijnsel als bij عَلَى.
📚

Elk Voorzetsel Volledig Uitgewerkt جَدَاوِلُ كَامِلَةٌ لِكُلِّ حَرْفِ جَرٍّ

Hierboven zag u het overzicht met alleen de ـهُ-vorm. Hieronder volgt van elk van deze zeven voorzetsels de volledige lijst van alle 14 suffixen — op precies dezelfde manier als u bij بِ heeft gezien.

🎁

Alle 14 Suffixen op لِ جَدْوَلٌ كَامِلٌ — li, "voor, aan"

#Voornaamwoordلِ + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَلَهُlahu ⚠️voor hem
2هُمَا ♂لَهُمَاlahumā ⚠️voor hen beiden (m.)
3هُمْلَهُمْlahum ⚠️voor hen (m.)
4هِيَلَهَاlahā ⚠️voor haar
5هُمَا ♀لَهُمَاlahumā ⚠️voor hen beiden (v.)
6هُنَّلَهُنَّlahunna ⚠️voor hen (v.)
7أَنْتَلَكَlaka ⚠️voor jou (m.)
8أَنْتُمَالَكُمَاlakumā ⚠️voor jullie beiden (m.)
9أَنْتُمْلَكُمْlakum ⚠️voor jullie (m.)
10أَنْتِلَكِlaki ⚠️voor jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀لَكُمَاlakumā ⚠️voor jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّلَكُنَّlakunna ⚠️voor jullie (v.)
13أَنَالِيlī ⚠️voor mij
14نَحْنُلَنَاlanāvoor ons

⚠️ Bij alle vormen behalve ـِي verandert de kasrah van لِ in een fatḥah. Alleen لِي (voor mij) behoudt de kasrah.

⬆️

Alle 14 Suffixen op عَلَى جَدْوَلٌ كَامِلٌ — ʿalā, "op"

#Voornaamwoordعَلَى + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَعَلَيْهِʿalayhi ⚠️op hem
2هُمَا ♂عَلَيْهِمَاʿalayhimā ⚠️op hen beiden (m.)
3هُمْعَلَيْهِمْʿalayhim ⚠️op hen (m.)
4هِيَعَلَيْهَاʿalayhā ⚠️op haar
5هُمَا ♀عَلَيْهِمَاʿalayhimā ⚠️op hen beiden (v.)
6هُنَّعَلَيْهِنَّʿalayhinna ⚠️op hen (v.)
7أَنْتَعَلَيْكَʿalayka ⚠️op jou (m.)
8أَنْتُمَاعَلَيْكُمَاʿalaykumā ⚠️op jullie beiden (m.)
9أَنْتُمْعَلَيْكُمْʿalaykum ⚠️op jullie (m.)
10أَنْتِعَلَيْكِʿalayki ⚠️op jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀عَلَيْكُمَاʿalaykumā ⚠️op jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّعَلَيْكُنَّʿalaykunna ⚠️op jullie (v.)
13أَنَاعَلَيَّʿalayya ⚠️op mij
14نَحْنُعَلَيْنَاʿalaynā ⚠️op ons

⚠️ De laatste alif maqṣūrah van عَلَى wordt bij élk suffix een يْ. Bij ـِي (mij) versmelt die يْ met het suffix tot een verdubbelde يّ: عَلَيَّ en de laatste letter Yaa krijgt een fathah: (ʿalayya), niet عَلَيِي.

➡️

Alle 14 Suffixen op إِلَى جَدْوَلٌ كَامِلٌ — ilā, "naar"

#Voornaamwoordإِلَى + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَإِلَيْهِilayhi ⚠️naar hem
2هُمَا ♂إِلَيْهِمَاilayhimā ⚠️naar hen beiden (m.)
3هُمْإِلَيْهِمْilayhim ⚠️naar hen (m.)
4هِيَإِلَيْهَاilayhā ⚠️naar haar
5هُمَا ♀إِلَيْهِمَاilayhimā ⚠️naar hen beiden (v.)
6هُنَّإِلَيْهِنَّilayhinna ⚠️naar hen (v.)
7أَنْتَإِلَيْكَilayka ⚠️naar jou (m.)
8أَنْتُمَاإِلَيْكُمَاilaykumā ⚠️naar jullie beiden (m.)
9أَنْتُمْإِلَيْكُمْilaykum ⚠️naar jullie (m.)
10أَنْتِإِلَيْكِilayki ⚠️naar jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀إِلَيْكُمَاilaykumā ⚠️naar jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّإِلَيْكُنَّilaykunna ⚠️naar jullie (v.)
13أَنَاإِلَيَّilayya ⚠️naar mij
14نَحْنُإِلَيْنَاilaynā ⚠️naar ons

⚠️ Exact hetzelfde verschijnsel als bij عَلَى hierboven — إِلَيَّ (ilayya), niet إِلَيِي.

📦

Alle 14 Suffixen op فِي جَدْوَلٌ كَامِلٌ — fī, "in"

#Voornaamwoordفِي + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَفِيهِfīhiin hem
2هُمَا ♂فِيهِمَاfīhimāin hen beiden (m.)
3هُمْفِيهِمْfīhimin hen (m.)
4هِيَفِيهَاfīhāin haar
5هُمَا ♀فِيهِمَاfīhimāin hen beiden (v.)
6هُنَّفِيهِنَّfīhinnain hen (v.)
7أَنْتَفِيكَfīkain jou (m.)
8أَنْتُمَافِيكُمَاfīkumāin jullie beiden (m.)
9أَنْتُمْفِيكُمْfīkumin jullie (m.)
10أَنْتِفِيكِfīkiin jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀فِيكُمَاfīkumāin jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّفِيكُنَّfīkunnain jullie (v.)
13أَنَافِيَّfiyya ⚠️in mij
14نَحْنُفِينَاfīnāin ons

⚠️ Regelmatig, behalve bij ـِي (mij): de lange ī van فِي versmelt met het suffix tot een verdubbelde يّ: فِيَّ (fiyya), niet فِيِي.

📋

Alle 14 Suffixen op مِنْ جَدْوَلٌ كَامِلٌ — min, "van"

#Voornaamwoordمِنْ + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَمِنْهُminhuvan hem
2هُمَا ♂مِنْهُمَاminhumāvan hen beiden (m.)
3هُمْمِنْهُمْminhumvan hen (m.)
4هِيَمِنْهَاminhāvan haar
5هُمَا ♀مِنْهُمَاminhumāvan hen beiden (v.)
6هُنَّمِنْهُنَّminhunnavan hen (v.)
7أَنْتَمِنْكَminkavan jou (m.)
8أَنْتُمَامِنْكُمَاminkumāvan jullie beiden
9أَنْتُمْمِنْكُمْminkumvan jullie (m.)
10أَنْتِمِنْكِminkivan jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀مِنْكُمَاminkumāvan jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّمِنْكُنَّminkunnavan jullie (v.)
13أَنَامِنِّيminnī ⚠️van / uit mij (vandaan)
14نَحْنُمِنَّاminnā ⚠️van / uit ons (vandaan)

⚠️ Bijzondere samensmelting bij مِنْ (en عَنْ): wanneer het voorzetsel مِنْ (min) wordt gekoppeld aan de voornaamwoorden voor "ik" en "wij", ontstaat een verdubbelde نّ (shaddah) — maar de twee gevallen ontstaan niet op dezelfde manier. Bij نَحْنُ (ons) eindigt het voorzetsel op een stille نْ (sākinah) en begint het voornaamwoord met een نَ: مِنْ + نَا → de twee opeenvolgende nūns smelten samen (idghām) tot مِنَّا (minnā). Bij أَنَا (mij) ligt het anders: het achtervoegsel ـِي begint zelf niet met een نـ, maar om de rustende klinker (sukūn) van het voorzetsel te bewaren, voegt het Arabisch verplicht een beschermende نُون الْوِقَايَة (nūn al-wiqāyah) in: مِنْ + نِ + ي → pas dán smelten de twee nūns samen tot مِنِّي (minnī). Ditzelfde principe geldt voor het voorzetsel عَنْ (ʿan, over/vanuit/weg van): عَنِّي (ʿannī), عَنَّا (ʿannā).

↩️

Alle 14 Suffixen op عَنْ جَدْوَلٌ كَامِلٌ — ʿan, "over, van (weg van)"

#Voornaamwoordعَنْ + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَعَنْهُʿanhuover hem
2هُمَا ♂عَنْهُمَاʿanhumāover hen beiden (m.)
3هُمْعَنْهُمْʿanhumover hen (m.)
4هِيَعَنْهَاʿanhāover haar
5هُمَا ♀عَنْهُمَاʿanhumāover hen beiden (v.)
6هُنَّعَنْهُنَّʿanhunnaover hen (v.)
7أَنْتَعَنْكَʿankaover jou (m.)
8أَنْتُمَاعَنْكُمَاʿankumāover jullie beiden (m.)
9أَنْتُمْعَنْكُمْʿankumover jullie (m.)
10أَنْتِعَنْكِʿankiover jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀عَنْكُمَاʿankumāover jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّعَنْكُنَّʿankunnaover jullie (v.)
13أَنَاعَنِّيʿannī ⚠️over mij
14نَحْنُعَنَّاʿannā ⚠️over ons

⚠️ Dezelfde verdubbelde-نّ-samensmelting als bij مِنْ: عَنِّي (ʿannī), عَنَّا (ʿannā) — nooit عَنْنِي of عَنْنَا.

🤝

Alle 14 Suffixen op مَعَ جَدْوَلٌ كَامِلٌ — maʿa, "met (samen met)"

#Voornaamwoordمَعَ + SuffixTranslit.Vertaling
1هُوَمَعَهُmaʿahusamen met hem
2هُمَا ♂مَعَهُمَاmaʿahumāsamen met hen beiden (m.)
3هُمْمَعَهُمْmaʿahumsamen met hen (m.)
4هِيَمَعَهَاmaʿahāsamen met haar
5هُمَا ♀مَعَهُمَاmaʿahumāsamen met hen beiden (v.)
6هُنَّمَعَهُنَّmaʿahunnasamen met hen (v.)
7أَنْتَمَعَكَmaʿakasamen met jou (m.)
8أَنْتُمَامَعَكُمَاmaʿakumāsamen met jullie beiden (m.)
9أَنْتُمْمَعَكُمْmaʿakumsamen met jullie (m.)
10أَنْتِمَعَكِmaʿakisamen met jou (v.)
11أَنْتُمَا ♀مَعَكُمَاmaʿakumāsamen met jullie beiden (v.)
12أَنْتُنَّمَعَكُنَّmaʿakunnasamen met jullie (v.)
13أَنَامَعِيmaʿī ⚠️samen met mij
14نَحْنُمَعَنَاmaʿanāsamen met ons

Bijzonderheid bij أَنَا (mij): Het grondwoord مَعَ (maʿa) is bijna volledig regelmatig. Bij het voornaamwoord van de eerste persoon (ـِي) verandert de fatḥah op de ع (ʿayn) in een kasrah (مَعِي / maʿī) om de uitspraak van de yā' (dus de lange ie-klank) mogelijk te maken. In klassiek Arabisch en in de heilige Quraan kan de yā' ook een fatḥah dragen: مَعِيَ (maʿiya).

🎯

Oefeningen تَدْرِيبَاتٌ

Combineer Voorzetsels + Ḍamā'ir Majrūrah
Doel: het juiste suffix aanplakken aan verschillende voorzetsels, inclusief de klankwisselingen
1. "van hem" → مِنْ + ـهُ
مِنْهُ
2. ⚠️ "van mij" → مِنْ + ـِي (let op de verdubbelde نّ!)
مِنِّي — niet مِنِي!
3. ⚠️ "voor hem" → لِ + ـهُ (let op de klinkerwisseling van لِ)
لَهُ — niet لِهُ!
4. "voor mij" → لِ + ـِي
لِي
5. ⚠️ "op hen (mannelijk)" → عَلَى + ـهُمْ
عَلَيْهِمْ
6. "met haar" (مَعَ) → مَعَ + ـهَا
مَعَهَا
7. "van ons" → مِنْ + ـنَا
مِنَّا — niet مِنْنَا!
8. 📖 Vooruitblik op het Qurān-tabblad — vertaal: "over hen (mannelijk)" met عَلَى
عَلَيْهِمْ
✏️

Oefeningen — Nederlands naar Arabisch مِنَ الْهُولَنْدِيَّةِ إِلَى الْعَرَبِيَّةِ

In de onderstaande zinnen staan uitsluitend woorden die u al kent, gecombineerd met de ḍamā'ir majrūrah muttaṣilah van het vorige tabblad — zowel de bezittelijke vorm (op een naamwoord) als de voorzetsel-vorm. Vertaal eerst zelf, klik dan op de knop voor het antwoord — inclusief een stapsgewijze uitleg van elke keuze.

📖

Woordenlijst voor deze Oefeningen قَائِمَةُ الْمُفْرَدَاتِ

ArabischTransliteratieNederlands
كِتَابٌKitābunboek
قَلْبٌQalbunhart
رَبٌّRabbunHeer
جَدِيدٌJadīdunnieuw
صَغِيرٌṢaghīrunklein
رَحِيمٌRaḥīmunBarmhartig
فَضْلٌFaḍlungunst
عَلِيمٌʿAlīmunAlwetend
آمَنَĀmanageloven
جَنَّةٌJannatunParadijs
رَحْمَةٌRaḥmatungenade
🎯

Vertaal de Zin تَرْجِمِ الْجُمْلَةَ

Nederlands → Arabisch, met volledige uitleg
Doel: diep inzicht in wélk suffix waar hoort en waaróm — niet alleen het antwoord onthouden
1. "Zijn boek is nieuw."
كِتَابُهُ جَدِيدٌ
Stap voor stap:
  1. «boek» = كِتَابٌ (al bekend).
  2. «zijn» is een bezittelijk suffix: plak ـهُ aan het naamwoord, en laat de Tanwīn (ـٌ) daarbij vallen: كِتَابٌ → كِتَابُهُ.
  3. «nieuw» = جَدِيدٌ (al bekend) — dit is het predicaat (Khabar) en behóudt gewoon zijn eigen Tanwīn, want het maakt geen deel uit van de Iḍāfah.
  4. Samengevoegd: كِتَابُهُ جَدِيدٌ.
2. "Mijn huis is klein."
بَيْتِيْ صَغِيرٌ
Stap voor stap:
  1. «huis» = بَيْتٌ (al bekend).
  2. ⚠️ «mijn» op een náámwoord is ـِي (kasrah + yāʾ) — niet ـنِي, dat suffix is uitsluitend voor werkwoorden (Les 3).
  3. Tanwīn valt weg, suffix plakt aan: بَيْتٌ → بَيْتِيْ.
  4. «klein» = صَغِيرٌ (al bekend), als los predicaat (khabar) met eigen Tanwīn.
  5. Samengevoegd: بَيْتِيْ صَغِيرٌ.
3. "Onze Heer is Barmhartig."
رَبُّنَا رَحِيمٌ
Stap voor stap:
  1. «Heer» = رَبٌّ (al bekend).
  2. «onze» = ـنَا, plakt op dezelfde manier aan een naamwoord als op een werkwoord (dit suffix is bij beide vormen — Manṣūb en Majrūr — identiek).
  3. رَبٌّ → رَبُّنَا (Tanwīn valt weg).
  4. «Barmhartig» = رَحِيمٌ (al bekend, al-Asmāʾ al-Ḥusnā uit Les 1), als los predicaat (khabar).
  5. Samengevoegd: رَبُّنَا رَحِيمٌ.
4. "Enkel van U (afkomstig) is de gunst."
مِنْكَ الْفَضْلُ
Stap voor stap:
  1. «van jou (m.)» = مِنْ + ـكَ = مِنْكَ (al geleerd in het vorige tabblad hierboven).
  2. «de gunst/gratie» = الْفَضْلُ (al bekend, met lidwoord — dit is een gewoon, zelfstandig naamwoord, geen Iḍāfah).
  3. Wanneer de voorzetsel-constructie naar voren wordt geschoven en dan vóór het onderwerp komt te staan zoals hier dan is dat om exclusiviteit aan te geven voor de betekenis van de voorzetsel-constructie. Dus in dit voorbeeld wil dit zeggen: "Van U alleen is de gratie/gunst afkomstig (en van niemand anders)". : مِنْكَ الْفَضْلُ — letterlijk «van-jou de-gunst».
5. "Zijn Heer is Alwetend."
رَبُّهُ عَلِيمٌ
Stap voor stap:
  1. «Heer» + «zijn» = رَبٌّ + ـهُ = رَبُّهُ.
  2. «Alwetend» = عَلِيمٌ (al bekend, al-Asmāʾ al-Ḥusnā), als los predicaat (gezegde/khabar) met Tanwīn.
  3. Samengevoegd: رَبُّهُ عَلِيمٌ.
6. "Wij geloofden in Hem / Wij hebben het geloof in Hem omarmt."
آمَنَّا بِهِ
Stap voor stap:
  1. «wij geloofden» = آمَنَّا (Māḍī, نَحْنُ-vorm van آمَنَ, al bekend — Mazīd Fīhi, dus niet behorend tot een van de zes Abwaab van de Thulaathiy Mujarrad).
  2. «in» = بِ (al bekend voorzetsel).
  3. «Hem» als voorwerp van het voorzetsel = ـهُ, plakt direct aan: بِ → بِهِ — let op de klankwisseling ـهُ → ـهِ na de kasrah van بِ (dezelfde regel als in Les 3).
  4. Samengevoegd: آمَنَّا بِهِ.
7. "(Exclusief) voor jullie is het Paradijs."
لَكُمُ الْجَنَّةُ
Stap voor stap:
  1. «voor» = لِ (al bekend).
  2. ⚠️ Zodra لِ een suffix krijgt, verandert de kasrah in een fatḥah: لِ + ـكُمْ → لَكُمْ (niet لِكُمْ) — behalve bij ـِي (لِي, «voor mij»), zie het overzicht hierboven.
  3. «het Paradijs» = الْجَنَّةُ (al bekend).
  4. Samengevoegd: لَكُمُ الْجَنَّةُ (de korte ḍammah op de letter Miem aan het einde van لَكُمُ i.p.v. stilte / Sukoen is een kleine verbindingsregel omdat het volgende woord met een Hamzat al-Waṣl begint — voor nu hoeft u het enkel te herkennen en niet druk te maken om het zelf toe te passen).
8. "Voor ons is de genade."
لَنَا الرَّحْمَةُ
Stap voor stap:
  1. «voor ons» = لِ + ـنَا → لَنَا (dezelfde klinkerwisseling van لِ als hierboven).
  2. «de genade» = الرَّحْمَةُ (al bekend).
  3. Samengevoegd: لَنَا الرَّحْمَةُ.
📖

Ḍamā'ir Majrūrah in de Heilige Qurān مِنَ الْقُرْآنِ الْكَرِيمِ

Het aangeplakte Majrūr-voornaamwoord — op naamwoorden én op voorzetsels — is een van de meest voorkomende constructies in de Edele Qurʾān. Onderstaande verzen tonen de belangrijkste klankwisselingen in hun context.

صِرَاطَ الَّذِينَ أَنْعَمْتَ عَلَيْهِمْ

Ṣirāṭa lladhīna anʿamta ʿalayhim

"Het pad van degenen aan wie U gunsten hebt geschonken."

— Sūrah al-Fātiḥah (1), āyah 7

Analyse: عَلَيْهِمْ is عَلَى + ـهُمْ — precies de klankwisseling van عَلَى (alif maqṣūrah → يْ) die in deze les behandeld is. Dit is het vers dat elke moslim minstens zeventien keer per dag reciteert.

وَإِذَا سَأَلَكَ عِبَادِي عَنِّي فَإِنِّي قَرِيبٌ

Wa-idhā saʾalaka ʿibādī ʿannī fa-innī qarīb

"En wanneer Mijn dienaren jou over Mij vragen: voorwaar, Ik ben nabij."

— Sūrah al-Baqarah (2), āyah 186

Analyse: عَنِّي is عَنْ + ـِي — precies de verdubbelde-نّ-klankwisseling die u bij مِنِّي heeft geleerd. Idhā, qarīb en ʿibād (meervoud van ʿabd) zijn al bekend.

تَبَارَكَ الَّذِي بِيَدِهِ الْمُلْكُ

Tabāraka lladhī biyadihi l-mulk

"Gezegend is Degene in Wiens hand de heerschappij is."

— Sūrah al-Mulk (67), āyah 1

Analyse: بِيَدِهِ is بِ + يَدٌ (al bekend) + ـهِ — een bezittelijk suffix op een naamwoord dat zélf na een voorzetsel staat. Mulk is al bekend uit Les 4. Hier is het woord bi-yadihi als metafoor gebruikt om aan te geven dat Hij de Eigenaar en Bezitter is van het ware Koninkrijk.

وَلَمْ يَكُن لَّهُ كُفُوًا أَحَدٌ

Wa-lam yakun lahu kufuwan aḥad

"En niemand is aan Hem gelijkwaardig."

— Sūrah al-Ikhlāṣ (112), āyah 4

Analyse: لَهُ is لِ + ـهُ, met precies de klinkerwisseling (kasrah → fatḥah) die in dit tabblad behandeld is.

ذَٰلِكَ الْكِتَابُ لَا رَيْبَ فِيهِ

Dhālika l-kitābu lā rayba fīhi

"Dit is het verheven Boek waarover geen enkele twijfel bestaat."

— Sūrah al-Baqarah (2), āyah 2

Analyse: فِيهِ is فِي + ـهِ — een regelmatige combinatie, zonder bijzondere klankwisseling. Dhālika en kitāb komen hier ook voor, beide al bekend.

📗

De Twintig Volgende Meest Frequente Qurʾān-woorden

Dit tabblad bouwt voort op de 224 woorden die u al kent (Blok 1: Module 1 t/m 4, en Blok 2 · Les 1–5). Deze les is grammaticaal van aard (Ḍamā'ir Majrūrah), net als Les 3 — de nieuwe inhoudswoorden zijn daarom vooral gehaald uit de Qurʾān-verzen die al in het Qurʾān-Verwijzingen-tabblad staan: acht stuks. Aangevuld met de twaalf eerstvolgende meest frequente woorden uit de Qurʾān (bron: Quranic Arabic Corpus, corpus.quran.com) komen we op twintig.

🔑 Mooie bijvangst

Veel van de gekozen frequentiewoorden bevatten toevallig zélf weer een Majrūr-suffix in hun voorbeeldvers (زَوْجُكَ, إِخْوَتِكَ, مِثْلِهِ, عَبْدِنَا, قُلُوبِهِمْ, فِيهَا, رَبِّكَ) — een mooie extra herhaling van de stof van deze les, bovenop het leren van het woord zelf.

🔎

Simpele Lijst — Snel Leren بِدُونِ تَفْصِيل

Alleen het Arabisch, de transliteratie en de vertaling — zonder verdere uitleg, om de woorden in één keer te kunnen doorlopen.

Nr.ArabischTransliteratieVertaling
1أَحَدٌAḥadunEén, iemand
2رَيْبٌRaybunTwijfel
3سَأَلَSaʾalaHij vroeg
4دَعَاDaʿāHij riep, smeekte
5أَجَابَAjābaHij antwoordde
6تَبَارَكَTabārakaHij is de Bron van (alle) zegeningen
7كُفُؤٌKufuʾunGelijkwaardige
8مَرَضٌMaraḍunZiekte
9زَوْجٌZawjunEchtgenoot, paar
10أَخٌAkhunBroer
11مِثْلٌMithlunGelijk aan, zoals
12نَبِيٌّNabiyyunProfeet
13خَالِدٌKhālidunEeuwig blijvend(e)
14فِرْعَوْنُFirʿawnuFir'awn (Farao)
15عَالَمِينَʿĀlamīnaWerelden
16أَلِيمٌAlīmunPijnlijk
17إِنسَانٌInsānunMens
18عَمَلٌʿAmalunDaad, werk
19وَجْهٌWajhunGezicht, Wezen/Zelf, Tevredenheid
20قِيَامَةٌQiyāmatunOpstanding
📚

Volledige Uitleg per Woord مَعَ أَمْثِلَةٍ مِنَ الْقُرْآنِ

1 أَحَدٌ Aḥadun — Eén, iemand
Ism
وَلَمْ يَكُن لَّهُ كُفُوًا أَحَدٌ
«En niemand is aan Hem gelijkwaardig.» Sūrah al-Ikhlāṣ 112:4 Dezelfde āyah als in het Qurʾān-Verwijzingen-tabblad — لَهُ, al bekend.
2 رَيْبٌ Raybun — Twijfel
Ism
ذَٰلِكَ الْكِتَابُ لَا رَيْبَ فِيهِ
«Dit is het Boek waarover geen enkele twijfel bestaat.» Sūrah al-Baqarah 2:2 Dezelfde āyah als in het Qurʾān-Verwijzingen-tabblad — dhālika, kitāb en fīhi, allemaal al bekend.
3 سَأَلَ Saʾala — Hij vroeg
FiʿlFataḥa (ف)

Thulāthī Mujarrad Ṣaḥīḥ (Mahmūz al-ʿAyn), wortel S-A-L.

Muḍāriʿ: يَسْأَلُ (yasʾalu), fatḥah–fatḥah.

وَإِذَا سَأَلَكَ عِبَادِي عَنِّي فَإِنِّي قَرِيبٌ
«En wanneer Mijn dienaren jou over Mij vragen: voorwaar, Ik ben nabij.» Sūrah al-Baqarah 2:186 Dezelfde āyah als in het Qurʾān-Verwijzingen-tabblad.
4 دَعَا Daʿā — Hij riep, smeekte
FiʿlNaṣara (ن)

Thulāthī Mujarrad, wortel D-ʿ-W — Nāqiṣ (zwakke derde wortelletter).

Aṣl: دَعَوَ / يَدْعُوُ (fatḥah–ḍammah) → دَعَا / يَدْعُو. Ondanks de zwakke letter valt dit toch onder Baab Naṣara, want het is geen Mazīd-vorm.

أُجِيبُ دَعْوَةَ الدَّاعِ إِذَا دَعَانِ
«Ik antwoord de smeekbede van de smekende wanneer hij Mij aanroept.» Sūrah al-Baqarah 2:186 Vervolg van dezelfde āyah als bij سَأَلَ hierboven — دَعَانِ is دَعَا + het suffix ـنِي (op een werkwoord, al bekend uit Les 3).
5 أَجَابَ Ajāba — Hij antwoordde / verhoorde
FiʿlBuiten het systeem van de Thulāthī Mujarrad — Mazīd Fīhi

Mazīd Fīhi, van de wortel J-W-B.

Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad.

أُجِيبُ دَعْوَةَ الدَّاعِ إِذَا دَعَانِ
«Ik verhoor de smeekbede van de smekende wanneer hij Mij aanroept.» Sūrah al-Baqarah 2:186 Dezelfde āyah als bij دَعَا hierboven — أُجِيبُ is de ik-vorm (Muḍāriʿ) van أَجَابَ.
6 تَبَارَكَ Tabāraka — Hij is de Bron van alle zegeningen
FiʿlBuiten het systeem van de Thulāthī Mujarrad — Mazīd Fīhi

Mazīd Fīhi, van de wortel B-R-K.

Dit is een Mazīd Fīhi-vorm, geen Thulāthī Mujarrad.

تَبَارَكَ الَّذِي بِيَدِهِ الْمُلْكُ
«De Bron van alle zegeningen is Degene in Wiens hand [d.w.z. macht] de heerschappij is.» Sūrah al-Mulk 67:1 Dezelfde āyah als in het Qurʾān-Verwijzingen-tabblad.
7 كُفُؤٌ Kufuʾun — Gelijkwaardige
Ism
وَلَمْ يَكُن لَّهُ كُفُوًا أَحَدٌ
«En niemand is aan Hem gelijkwaardig.» Sūrah al-Ikhlāṣ 112:4 Dezelfde āyah als bij أَحَدٌ hierboven.
8 مَرَضٌ Maraḍun — Ziekte
Ism
فِي قُلُوبِهِم مَّرَضٌ فَزَادَهُمُ اللَّهُ مَرَضًا ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ
«In hun harten is een ziekte, en Allah heeft hun ziekte doen toenemen; en voor hen is een pijnlijke bestraffing.» Sūrah al-Baqarah 2:10 قُلُوبِهِمْ is het meervoud van قَلْبٌ + het bezittelijk suffix ـهِمْ, zoals we in deze les hebben geleerd — en لَهُمْ (لِ + ـهُمْ) ook.
9 زَوْجٌ Zawjun — Echtgenoot/echtgenote, paar
Ism
وَقُلْنَا يَا آدَمُ اسْكُنْ أَنتَ وَزَوْجُكَ الْجَنَّةَ
«En Wij zeiden: O Ādam, verblijf jij en jouw echtgenote in het Paradijs.» Sūrah al-Baqarah 2:35 زَوْجُكَ is زَوْجٌ + het suffix ـكَ, — jannah is al bekend.
10 أَخٌ Akhun — Broer
Ism
لَا تَقْصُصْ رُؤْيَاكَ عَلَىٰ إِخْوَتِكَ
«Vertel jouw droom niet aan jouw broers.» Sūrah Yūsuf 12:5 إِخْوَتِكَ (meervoud van أَخٌ) + het suffix ـكَ na het zelfstandige naamwoord: إِخْوَة .
11 مِثْلٌ Mithlun — Gelijk aan, zoals
Ism
وَإِن كُنتُمْ فِي رَيْبٍ مِّمَّا نَزَّلْنَا عَلَىٰ عَبْدِنَا فَأْتُوا بِسُورَةٍ مِّن مِّثْلِهِ
«En als jullie in twijfel verkeren over wat Wij aan Onze dienaar hebben neergezonden, brengt dan een soerah zoals deze voort.» Sūrah al-Baqarah 2:23 مِثْلِهِ is مِنْ + مِثْلٌ + ـهِ, en عَبْدِنَا is عَبْدٌ + ـنَا — twee suffix-voorbeelden in één vers, rayb komt hier ook voor (woord 2 hierboven).
12 نَبِيٌّ Nabiyyun — Profeet
Ism
كَانَ النَّاسُ أُمَّةً وَاحِدَةً فَبَعَثَ اللَّهُ النَّبِيِّينَ
«De mensheid was één gemeenschap, toen zond Allah de profeten.» Sūrah al-Baqarah 2:213 Kāna en nās komen hier ook voor, beide al bekend.
13 خَالِدٌ Khālidun — Eeuwig blijvend(e)
Ism
أُولَـٰئِكَ أَصْحَابُ النَّارِ ۖ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ
«Zij zijn de lieden van het Vuur; zij zijn daarin eeuwig blijvend.» Sūrah al-Baqarah 2:39 فِيهَا is فِي + ـهَا, en ulāʾika, aṣḥāb en nār zijn al bekend.
14 فِرْعَوْنُ Firʿawnu — Fir'awn (farao)
Ism
وَإِذْ نَجَّيْنَاكُم مِّنْ آلِ فِرْعَوْنَ
«En toen Wij jullie redden van de mensen van Fir'awn.» Sūrah al-Baqarah 2:49 Najjā, al bekend uit Les 5, en idh, al bekend.
15 عَالَمِينَ ʿĀlamīna — Werelden
Ism

Meervoud van عَالَمٌ.

الْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ
«Alle lof behoort aan Allah, Heer der werelden.» Sūrah al-Fātiḥah 1:2 Rabb komt hier ook voor, al bekend.
16 أَلِيمٌ Alīmun — Pijnlijk
Ism
وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ
«En voor hen is een pijnlijke bestraffing.» Sūrah al-Baqarah 2:10 Dezelfde āyah als bij مَرَضٌ hierboven — لَهُمْ is لِ + ـهُمْ.
17 إِنسَانٌ Insānun — Mens
Ism

Niet te verwarren met نَاسٌ (al bekend, «mensen» in het algemeen) — إِنسَانٌ benadrukt het individu, «de mens».

إِنَّ الْإِنسَانَ لَفِي خُسْرٍ
«Voorwaar, de mens verkeert in (groot) verlies.» Sūrah al-ʿAṣr 103:2 Inna komt hier ook voor, al bekend.
18 عَمَلٌ ʿAmalun — Daad, werk
Ism

Verbaal zelfstandig naamwoord (Maṣdar) van عَمِلَ, al bekend.

الَّذِي خَلَقَ الْمَوْتَ وَالْحَيَاةَ لِيَبْلُوَكُمْ أَيُّكُمْ أَحْسَنُ عَمَلًا
«Degene Die de dood en het leven heeft geschapen, om jullie te beproeven wie van jullie het beste is in daden.» Sūrah al-Mulk 67:2 Khalaqa en ḥayāh komen hier ook voor, beide al bekend.
19 وَجْهٌ Wajhun — Gezicht, Wezen/Zelf, Tevredenheid
Ism
وَيَبْقَىٰ وَجْهُ رَبِّكَ ذُو الْجَلَالِ وَالْإِكْرَامِ
«En jouw Heer zelve, Bezitter van Majesteit en Eer, zal blijven bestaan.» Sūrah ar-Raḥmān 55:27 رَبِّكَ is رَبٌّ + ـكَ, precies zoals we in deze les hebben geleerd.
20 قِيَامَةٌ Qiyāmatun — Opstanding
Ism

In de heilige Quraan komt dit woord [volgens mijn onderzoek via maktabah shamela, walLaahu a'lam] 70 keer voor en altijd in vaste combinatie met yawm: يَوْمُ الْقِيَامَةِ (de Dag der Opstanding).

وَيَوْمَ الْقِيَامَةِ يُرَدُّونَ إِلَىٰ أَشَدِّ الْعَذَابِ
«En op de Dag der Opstanding zullen zij naar de zwaarste bestraffing worden gevoerd.» Sūrah al-Baqarah 2:85 Yawm en ʿadhāb komen hier ook voor, beide al bekend.