مِنَ الْمَاضِي إِلَى الْمُضَارِعِ

Van Māḍī naar Muḍāriʿ — Oefenles aan de hand van het Verhaal van Shākir

Arabische Grammatica · Blok 2 · Werkwoordvervoeging

Hieronder staan de zinnen uit het verhaal van Shākir, met het werkwoord in de verleden tijd (Māḍī). Probeer eerst zelf de Muḍāriʿ-vorm te bedenken, klik dan op "Toon antwoord" om te controleren, en op "Stapsgewijze uitleg" voor de volledige redenering achter de omzetting.

1. رَزَقَ اللَّهُ شَاكِرًا عِلْمًا كَثِيرًا.

Allah voorzag Shākir van veel kennis.

Wortel ر ز ق — Baab Naṣara (ḍammah (u))

يَرْزُقُ اللَّهُ شَاكِرًا عِلْمًا كَثِيرًا.

Allah voorziet Shākir van veel kennis.

  1. Herken de wortel ر ز ق en de Baab: Naṣara.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَزَقَ → يَرَزَقَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْزَقَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْزُقَ.
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَرْزُقُ.
رَزَقَ → يَرَزَقَ (+ voorvoegsel) → يَرْزَقَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْزُقَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْزُقُ (+ uitgang)
2. كَتَبَ شَاكِرٌ كِتَابًا فِي تَفْسِيرِ كِتَابِ اللَّهِ تَعَالَى.

Shākir schreef een boek over de tafsīr van het Boek van Allah, de Verhevene.

Wortel ك ت ب — Baab Naṣara (ḍammah (u))

يَكْتُبُ شَاكِرٌ كِتَابًا فِي تَفْسِيرِ كِتَابِ اللَّهِ تَعَالَى.

Shākir schrijft een boek over de tafsīr van het Boek van Allah, de Verhevene.

  1. Herken de wortel ك ت ب en de Baab: Naṣara.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → يَكَتَبَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَكْتَبَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَكْتُبَ.
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَكْتُبُ.
كَتَبَ → يَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → يَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → يَكْتُبُ (+ uitgang)
3. قَرَأَ وَلَدُهُ خَالِدٌ ذَلِكَ الْكِتَابَ كُلَّ يَوْمِ جُمُعَةٍ.

Zijn zoon Khālid las dat boek elke vrijdag.

Wortel ق ر أ — Baab Fataḥa (fatḥah (a))

يَقْرَأُ وَلَدُهُ خَالِدٌ ذَلِكَ الْكِتَابَ كُلَّ يَوْمِ جُمُعَةٍ.

Zijn zoon Khālid leest dat boek elke vrijdag.

  1. Herken de wortel ق ر أ en de Baab: Fataḥa.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: fatḥah (a).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: قَرَأَ → يَقَرَأَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَقْرَأَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَقْرَأَ. (let op: hier blijft de klinker fatḥah — deze Baab verandert de ʿAyn al-Kalimah-klinker niet)
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَقْرَأُ.
قَرَأَ → يَقَرَأَ (+ voorvoegsel) → يَقْرَأَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَقْرَأَ (+ ʿAyn-klinker) → يَقْرَأُ (+ uitgang)
4. ...وَدَخَلُوا الْمَسْجِدَ الْوَاسِعَ مِنْ بَابِهِ الْكَبِيرِ.

...en zij gingen de ruime moskee binnen via haar grote poort. (Volledige zin in het verhaal: "Toen kwamen de dorpsbewoners en gingen de ruime moskee binnen via haar grote poort.")

Wortel د خ ل — Baab Naṣara (ḍammah (u))

...وَيَدْخُلُونَ الْمَسْجِدَ الْوَاسِعَ مِنْ بَابِهِ الْكَبِيرِ.

...en zij gaan de ruime moskee binnen via haar grote poort.

  1. Herken de wortel د خ ل en de Baab: Naṣara.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: دَخَلَ → يَدَخَلَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَدْخَلَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَدْخُلَ. (meervoud (هُمْ): يَدْخُلُونَ)
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَدْخُلُ.
دَخَلَ → يَدَخَلَ (+ voorvoegsel) → يَدْخَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَدْخُلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَدْخُلُ (+ uitgang)
5. فَسَمِعُوا قِرَاءَةَ وَلَدِ شَاكِرٍ لِلْكِتَابِ.

Toen hoorden zij de voorlezing van het boek door de zoon van Shākir.

Wortel س م ع — Baab Samiʿa (fatḥah (a))

فَيَسْمَعُونَ قِرَاءَةَ وَلَدِ شَاكِرٍ لِلْكِتَابِ.

Toen horen zij de voorlezing van het boek door de zoon van Shākir.

  1. Herken de wortel س م ع en de Baab: Samiʿa.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: fatḥah (a).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → يَسَمِعَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَسْمِعَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَسْمَعَ. (meervoud (هُمْ): يَسْمَعُونَ)
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَسْمَعُ.
سَمِعَ → يَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → يَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَسْمَعُ (+ uitgang)
6. إِنَّ اللَّهَ خَلَقَ السَّمَاءَ وَالْأَرْضَ وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ.

Voorwaar, Allah heeft de hemel en de aarde geschapen, en de zon en de maan.

Wortel خ ل ق — Baab Naṣara (ḍammah (u))

إِنَّ اللَّهَ يَخْلُقُ السَّمَاءَ وَالْأَرْضَ وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ.

Voorwaar, Allah schept de hemel en de aarde, en de zon en de maan.

  1. Herken de wortel خ ل ق en de Baab: Naṣara.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: خَلَقَ → يَخَلَقَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَخْلَقَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَخْلُقَ.
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَخْلُقُ.
خَلَقَ → يَخَلَقَ (+ voorvoegsel) → يَخْلَقَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَخْلُقَ (+ ʿAyn-klinker) → يَخْلُقُ (+ uitgang)
7. وَجَعَلَ الْعِلْمَ نُورًا وَهِدَايَةً.

En Hij heeft de kennis tot een licht en leidraad gemaakt.

Wortel ج ع ل — Baab Fataḥa (fatḥah (a))

وَيَجْعَلُ الْعِلْمَ نُورًا وَهِدَايَةً.

En Hij maakt de kennis tot een licht en leidraad.

  1. Herken de wortel ج ع ل en de Baab: Fataḥa.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: fatḥah (a).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → يَجَعَلَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَجْعَلَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَجْعَلَ. (let op: hier blijft de klinker fatḥah — deze Baab verandert de ʿAyn al-Kalimah-klinker niet)
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَجْعَلُ.
جَعَلَ → يَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → يَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَجْعَلُ (+ uitgang)
8. وَنَصَرَ مَنْ آمَنَ بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ.

En Hij heeft degene geholpen die geloofde in Allah, Zijn Boodschapper en de Laatste Dag.

Wortel ن ص ر — Baab Naṣara (ḍammah (u))

وَيَنْصُرُ مَنْ آمَنَ بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ.

En Hij helpt degene die gelooft in Allah, Zijn Boodschapper en de Laatste Dag.

  1. Herken de wortel ن ص ر en de Baab: Naṣara.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: نَصَرَ → يَنَصَرَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَنْصَرَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَنْصُرَ. (آمَنَ blijft ongewijzigd — zie Tabblad 4, Bonus)
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَنْصُرُ.
نَصَرَ → يَنَصَرَ (+ voorvoegsel) → يَنْصَرَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَنْصُرَ (+ ʿAyn-klinker) → يَنْصُرُ (+ uitgang)
9. رَجَعَ الْقَوْمُ إِلَى بُيُوتِهِمْ فَرِحِينَ بِمَا سَمِعُوا مِنَ الْعِلْمِ وَالْحِكْمَةِ.

Het volk keerde terug naar hun huizen, verheugd over wat zij aan kennis en wijsheid hadden gehoord.

Wortel ر ج ع — Baab Ḍaraba (kasrah (i))

يَرْجِعُ الْقَوْمُ إِلَى بُيُوتِهِمْ فَرِحِينَ بِمَا سَمِعُوا مِنَ الْعِلْمِ وَالْحِكْمَةِ.

Het volk keert terug naar hun huizen, verheugd over wat zij aan kennis en wijsheid horen.

  1. Herken de wortel ر ج ع en de Baab: Ḍaraba.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: kasrah (i).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → يَرَجَعَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْجَعَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْجِعَ.
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَرْجِعُ.
رَجَعَ → يَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → يَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْجِعُ (+ uitgang)
10. وَلَمَّا جَاءَ خَالِدٌ إِلَى بَيْتِهِ ذَكَرَ ذَلِكَ لِوَالِدِهِ.

En toen Khālid naar zijn huis kwam, vertelde hij dit aan zijn vader.

Wortel ذ ك ر — Baab Naṣara (ḍammah (u))

وَلَمَّا يَجِيءُ خَالِدٌ إِلَى بَيْتِهِ يَذْكُرُ ذَلِكَ لِوَالِدِهِ.

En wanneer Khālid naar zijn huis komt, vertelt hij dit aan zijn vader.

  1. Herken de wortel ذ ك ر en de Baab: Naṣara.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: ذَكَرَ → يَذَكَرَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَذْكَرَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَذْكُرَ. (جَاءَ→يَجِيءُ is onregelmatig — zie Tabblad 4)
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَذْكُرُ.
ذَكَرَ → يَذَكَرَ (+ voorvoegsel) → يَذْكَرَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَذْكُرَ (+ ʿAyn-klinker) → يَذْكُرُ (+ uitgang)
11. فَشَكَرَ الْوَالِدُ الْكَرِيمُ رَبَّهُ الْكَرِيمَ عَلَى هَذِهِ النِّعْمَةِ الْعَظِيمَةِ.

Toen dankte de edele vader zijn edele Heer voor deze geweldige gunst.

Wortel ش ك ر — Baab Naṣara (ḍammah (u))

فَيَشْكُرُ الْوَالِدُ الْكَرِيمُ رَبَّهُ الْكَرِيمَ عَلَى هَذِهِ النِّعْمَةِ الْعَظِيمَةِ.

Toen dankt de edele vader zijn edele Heer voor deze geweldige gunst.

  1. Herken de wortel ش ك ر en de Baab: Naṣara.
  2. Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
  3. Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: شَكَرَ → يَشَكَرَ.
  4. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَشْكَرَ.
  5. Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَشْكُرَ.
  6. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَشْكُرُ.
شَكَرَ → يَشَكَرَ (+ voorvoegsel) → يَشْكَرَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَشْكُرَ (+ ʿAyn-klinker) → يَشْكُرُ (+ uitgang)

Vier werkwoorden uit het verhaal, elk uit een andere Baab. De Māḍī-vorm is gegeven per Ḍamīr (persoonsvorm) — vul zelf de Muḍāriʿ-vorm in en controleer met de knop.

كَتَبَ

كَتَبَ (schreef) — wortel ك ت ب — Baab Naṣara (ḍammah (u) — Baab Naṣara)

ḌamīrMāḍī (gegeven)Muḍāriʿ (uw antwoord)
هُوَ كَتَبَ
Hij schreef.
يَكْتُبُ

Hij schrijft.

  1. Ḍamīr هُوَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُوَ hoort geen extra uitgang: de Muḍāriʿ eindigt gewoon op ḍammah (ـُ), de kale Marfūʿ-basisvorm — geen ن, geen ي en geen ا na de laatste letter.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → يَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: يَكْتُبُ.
كَتَبَ → يَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → يَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → يَكْتُبُ (+ uitgang)
هِيَ كَتَبَتْ
Zij schreef.
تَكْتُبُ

Zij schrijft.

  1. Ḍamīr هِيَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → تَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَكْتُبُ.
كَتَبَ → تَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → تَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → تَكْتُبُ (+ uitgang)
أَنْتَ كَتَبْتَ
Jij schreef.
تَكْتُبُ

Jij schrijft.

  1. Ḍamīr أَنْتَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → تَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَكْتُبُ.
كَتَبَ → تَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → تَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → تَكْتُبُ (+ uitgang)
أَنْتِ كَتَبْتِ
Jij schreef.
تَكْتُبِينَ

Jij schrijft.

  1. Ḍamīr أَنْتِ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → تَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَكْتُبِينَ.
كَتَبَ → تَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → تَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → تَكْتُبِينَ (+ uitgang)
أَنَا كَتَبْتُ
Ik schreef.
أَكْتُبُ

Ik schrijf.

  1. Ḍamīr أَنَا hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ.
  2. Bij أَنَا hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het unieke voorvoegsel أَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → أَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: أَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: أَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: أَكْتُبُ.
كَتَبَ → أَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → أَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → أَكْتُبُ (+ uitgang)
هُمْ كَتَبُوا
Zij schreven.
يَكْتُبُونَ

Zij schrijven.

  1. Ḍamīr هُمْ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → يَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَكْتُبُونَ.
كَتَبَ → يَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → يَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → يَكْتُبُونَ (+ uitgang)
هُنَّ كَتَبْنَ
Zij schreven.
يَكْتُبْنَ

Zij schrijven.

  1. Ḍamīr هُنَّ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → يَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَكْتُبْنَ.
كَتَبَ → يَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → يَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → يَكْتُبْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ كَتَبْنَا
Wij schreven.
نَكْتُبُ

Wij schrijven.

  1. Ḍamīr نَحْنُ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ.
  2. Bij نَحْنُ hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het voorvoegsel نَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → نَكَتَبَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: نَكْتَبَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: نَكْتُبَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: نَكْتُبُ.
كَتَبَ → نَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → نَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → نَكْتُبُ (+ uitgang)

جَعَلَ

جَعَلَ (maakte) — wortel ج ع ل — Baab Fataḥa (fatḥah (a) — Baab Fataḥa)

ḌamīrMāḍī (gegeven)Muḍāriʿ (uw antwoord)
هُوَ جَعَلَ
Hij maakte.
يَجْعَلُ

Hij maakt.

  1. Ḍamīr هُوَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُوَ hoort geen extra uitgang: de Muḍāriʿ eindigt gewoon op ḍammah (ـُ), de kale Marfūʿ-basisvorm — geen ن, geen ي en geen ا na de laatste letter.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → يَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: يَجْعَلُ.
جَعَلَ → يَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → يَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَجْعَلُ (+ uitgang)
هِيَ جَعَلَتْ
Zij maakte.
تَجْعَلُ

Zij maakt.

  1. Ḍamīr هِيَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → تَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَجْعَلُ.
جَعَلَ → تَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → تَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → تَجْعَلُ (+ uitgang)
أَنْتَ جَعَلْتَ
Jij maakte.
تَجْعَلُ

Jij maakt.

  1. Ḍamīr أَنْتَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → تَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَجْعَلُ.
جَعَلَ → تَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → تَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → تَجْعَلُ (+ uitgang)
أَنْتِ جَعَلْتِ
Jij maakte.
تَجْعَلِينَ

Jij maakt.

  1. Ḍamīr أَنْتِ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → تَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَجْعَلِينَ.
جَعَلَ → تَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → تَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → تَجْعَلِينَ (+ uitgang)
أَنَا جَعَلْتُ
Ik maakte.
أَجْعَلُ

Ik maak.

  1. Ḍamīr أَنَا hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ.
  2. Bij أَنَا hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het unieke voorvoegsel أَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → أَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: أَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: أَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: أَجْعَلُ.
جَعَلَ → أَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → أَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → أَجْعَلُ (+ uitgang)
هُمْ جَعَلُوا
Zij maakten.
يَجْعَلُونَ

Zij maken.

  1. Ḍamīr هُمْ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → يَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَجْعَلُونَ.
جَعَلَ → يَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → يَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَجْعَلُونَ (+ uitgang)
هُنَّ جَعَلْنَ
Zij maakten.
يَجْعَلْنَ

Zij maken.

  1. Ḍamīr هُنَّ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → يَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَجْعَلْنَ.
جَعَلَ → يَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → يَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَجْعَلْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ جَعَلْنَا
Wij maakten.
نَجْعَلُ

Wij maken.

  1. Ḍamīr نَحْنُ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ.
  2. Bij نَحْنُ hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het voorvoegsel نَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → نَجَعَلَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: نَجْعَلَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: نَجْعَلَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: نَجْعَلُ.
جَعَلَ → نَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → نَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → نَجْعَلُ (+ uitgang)

رَجَعَ

رَجَعَ (keerde terug) — wortel ر ج ع — Baab Ḍaraba (kasrah (i) — Baab Ḍaraba)

ḌamīrMāḍī (gegeven)Muḍāriʿ (uw antwoord)
هُوَ رَجَعَ
Hij keerde terug.
يَرْجِعُ

Hij keert terug.

  1. Ḍamīr هُوَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُوَ hoort geen extra uitgang: de Muḍāriʿ eindigt gewoon op ḍammah (ـُ), de kale Marfūʿ-basisvorm — geen ن, geen ي en geen ا na de laatste letter.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → يَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: يَرْجِعُ.
رَجَعَ → يَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → يَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْجِعُ (+ uitgang)
هِيَ رَجَعَتْ
Zij keerde terug.
تَرْجِعُ

Zij keert terug.

  1. Ḍamīr هِيَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → تَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَرْجِعُ.
رَجَعَ → تَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → تَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَرْجِعُ (+ uitgang)
أَنْتَ رَجَعْتَ
Jij keerde terug.
تَرْجِعُ

Jij keert terug.

  1. Ḍamīr أَنْتَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → تَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَرْجِعُ.
رَجَعَ → تَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → تَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَرْجِعُ (+ uitgang)
أَنْتِ رَجَعْتِ
Jij keerde terug.
تَرْجِعِينَ

Jij keert terug.

  1. Ḍamīr أَنْتِ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → تَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَرْجِعِينَ.
رَجَعَ → تَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → تَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَرْجِعِينَ (+ uitgang)
أَنَا رَجَعْتُ
Ik keerde terug.
أَرْجِعُ

Ik keer terug.

  1. Ḍamīr أَنَا hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ.
  2. Bij أَنَا hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het unieke voorvoegsel أَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → أَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: أَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: أَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: أَرْجِعُ.
رَجَعَ → أَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → أَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → أَرْجِعُ (+ uitgang)
هُمْ رَجَعُوا
Zij keerden terug.
يَرْجِعُونَ

Zij keren terug.

  1. Ḍamīr هُمْ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → يَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَرْجِعُونَ.
رَجَعَ → يَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → يَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْجِعُونَ (+ uitgang)
هُنَّ رَجَعْنَ
Zij keerden terug.
يَرْجِعْنَ

Zij keren terug.

  1. Ḍamīr هُنَّ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → يَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَرْجِعْنَ.
رَجَعَ → يَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → يَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْجِعْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ رَجَعْنَا
Wij keerden terug.
نَرْجِعُ

Wij keren terug.

  1. Ḍamīr نَحْنُ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ.
  2. Bij نَحْنُ hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het voorvoegsel نَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → نَرَجَعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: نَرْجَعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: نَرْجِعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: نَرْجِعُ.
رَجَعَ → نَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → نَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → نَرْجِعُ (+ uitgang)

سَمِعَ

سَمِعَ (hoorde) — wortel س م ع — Baab Samiʿa (fatḥah (a) — Baab Samiʿa)

ḌamīrMāḍī (gegeven)Muḍāriʿ (uw antwoord)
هُوَ سَمِعَ
Hij hoorde.
يَسْمَعُ

Hij hoort.

  1. Ḍamīr هُوَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُوَ hoort geen extra uitgang: de Muḍāriʿ eindigt gewoon op ḍammah (ـُ), de kale Marfūʿ-basisvorm — geen ن, geen ي en geen ا na de laatste letter.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → يَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: يَسْمَعُ.
سَمِعَ → يَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → يَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَسْمَعُ (+ uitgang)
هِيَ سَمِعَتْ
Zij hoorde.
تَسْمَعُ

Zij hoort.

  1. Ḍamīr هِيَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → تَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَسْمَعُ.
سَمِعَ → تَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → تَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَسْمَعُ (+ uitgang)
أَنْتَ سَمِعْتَ
Jij hoorde.
تَسْمَعُ

Jij hoort.

  1. Ḍamīr أَنْتَ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → تَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَسْمَعُ.
سَمِعَ → تَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → تَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَسْمَعُ (+ uitgang)
أَنْتِ سَمِعْتِ
Jij hoorde.
تَسْمَعِينَ

Jij hoort.

  1. Ḍamīr أَنْتِ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ.
  2. Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → تَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَسْمَعِينَ.
سَمِعَ → تَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → تَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَسْمَعِينَ (+ uitgang)
أَنَا سَمِعْتُ
Ik hoorde.
أَسْمَعُ

Ik hoor.

  1. Ḍamīr أَنَا hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ.
  2. Bij أَنَا hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het unieke voorvoegsel أَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel أَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → أَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: أَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: أَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: أَسْمَعُ.
سَمِعَ → أَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → أَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → أَسْمَعُ (+ uitgang)
هُمْ سَمِعُوا
Zij hoorden.
يَسْمَعُونَ

Zij horen.

  1. Ḍamīr هُمْ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → يَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَسْمَعُونَ.
سَمِعَ → يَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → يَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَسْمَعُونَ (+ uitgang)
هُنَّ سَمِعْنَ
Zij hoorden.
يَسْمَعْنَ

Zij horen.

  1. Ḍamīr هُنَّ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ.
  2. Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → يَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَسْمَعْنَ.
سَمِعَ → يَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → يَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَسْمَعْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ سَمِعْنَا
Wij hoorden.
نَسْمَعُ

Wij horen.

  1. Ḍamīr نَحْنُ hoort bij Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ.
  2. Bij نَحْنُ hoort de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — te herkennen aan het voorvoegsel نَ, dat bij geen enkel ander Ḍamīr voorkomt.
  3. Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
  4. Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel نَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → نَسَمِعَ.
  5. Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: نَسْمِعَ.
  6. Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: نَسْمَعَ.
  7. Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: نَسْمَعُ.
سَمِعَ → نَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → نَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → نَسْمَعُ (+ uitgang)

Dezelfde vier werkwoorden, nu in nieuwe contextzinnen geïnspireerd door het verhaal. Zet de onderstreepte Māḍī-zin om naar de Muḍāriʿ — let op dat u het hele werkwoord aanpast, niet alleen het voorvoegsel.

كَتَبَ

كَتَبَ (schreef) — wortel ك ت ب — Baab Naṣara

هُوَ — كَتَبَ شَاكِرٌ كِتَابًا عَظِيمًا.

Shākir schreef een geweldig boek.

يَكْتُبُ شَاكِرٌ كِتَابًا عَظِيمًا.

Shākir schrijft een geweldig boek.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُوَ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → يَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → يَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → يَكْتُبُ (+ uitgang)
هِيَ — كَتَبَتِ الْمُعَلِّمَةُ دَرْسًا جَدِيدًا.

De lerares schreef een nieuwe les.

تَكْتُبُ الْمُعَلِّمَةُ دَرْسًا جَدِيدًا.

De lerares schrijft een nieuwe les.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هِيَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → تَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → تَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → تَكْتُبُ (+ uitgang)
أَنْتَ — (أَنْتَ) كَتَبْتَ اسْمَ شَاكِرٍ فِي الْكِتَابِ.

Jij schreef de naam van Shākir in het boek.

(أَنْتَ) تَكْتُبُ اسْمَ شَاكِرٍ فِي الْكِتَابِ.

Jij schrijft de naam van Shākir in het boek.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → تَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → تَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → تَكْتُبُ (+ uitgang)
أَنْتِ — (أَنْتِ) كَتَبْتِ كَلِمَةً طَيِّبَةً.

Jij schreef een goed woord.

(أَنْتِ) تَكْتُبِينَ كَلِمَةً طَيِّبَةً.

Jij schrijft een goed woord.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتِ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → تَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → تَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → تَكْتُبِينَ (+ uitgang)
أَنَا — (أَنَا) كَتَبْتُ رِسَالَةً إِلَى وَالِدِي.

Ik schreef een brief aan mijn vader.

(أَنَا) أَكْتُبُ رِسَالَةً إِلَى وَالِدِي.

Ik schrijf een brief aan mijn vader.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنَا, dus het voorvoegsel wordt أَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → أَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → أَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → أَكْتُبُ (+ uitgang)
هُمْ — أَهْلُ الْقَرْيَةِ كَتَبُوا أَسْمَاءَهُمْ.

De dorpsbewoners schreven hun namen.

أَهْلُ الْقَرْيَةِ يَكْتُبُونَ أَسْمَاءَهُمْ.

De dorpsbewoners schrijven hun namen.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُمْ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → يَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → يَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → يَكْتُبُونَ (+ uitgang)
هُنَّ — الْبَنَاتُ كَتَبْنَ دُرُوسَهُنَّ.

De meisjes schreven hun lessen.

الْبَنَاتُ يَكْتُبْنَ دُرُوسَهُنَّ.

De meisjes schrijven hun lessen.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُنَّ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → يَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → يَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → يَكْتُبْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ — (نَحْنُ) كَتَبْنَا قِصَّةَ شَاكِرٍ.

Wij schreven het verhaal van Shākir.

(نَحْنُ) نَكْتُبُ قِصَّةَ شَاكِرٍ.

Wij schrijven het verhaal van Shākir.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr نَحْنُ, dus het voorvoegsel wordt نَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
كَتَبَ → نَكَتَبَ (+ voorvoegsel) → نَكْتَبَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَكْتُبَ (+ ʿAyn-klinker) → نَكْتُبُ (+ uitgang)

جَعَلَ

جَعَلَ (maakte) — wortel ج ع ل — Baab Fataḥa

هُوَ — جَعَلَ اللَّهُ الْعِلْمَ نُورًا.

Allah maakte de kennis tot een licht.

يَجْعَلُ اللَّهُ الْعِلْمَ نُورًا.

Allah maakt de kennis tot een licht.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُوَ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → يَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → يَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَجْعَلُ (+ uitgang)
هِيَ — جَعَلَتِ الْأُمُّ الْبَيْتَ جَمِيلًا.

De moeder maakte het huis mooi.

تَجْعَلُ الْأُمُّ الْبَيْتَ جَمِيلًا.

De moeder maakt het huis mooi.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هِيَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → تَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → تَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → تَجْعَلُ (+ uitgang)
أَنْتَ — (أَنْتَ) جَعَلْتَ قَلْبَكَ طَيِّبًا.

Jij maakte je hart goed.

(أَنْتَ) تَجْعَلُ قَلْبَكَ طَيِّبًا.

Jij maakt je hart goed.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → تَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → تَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → تَجْعَلُ (+ uitgang)
أَنْتِ — (أَنْتِ) جَعَلْتِ يَوْمَكِ سَعِيدًا.

Jij maakte je dag gelukkig.

(أَنْتِ) تَجْعَلِينَ يَوْمَكِ سَعِيدًا.

Jij maakt je dag gelukkig.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتِ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → تَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → تَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → تَجْعَلِينَ (+ uitgang)
أَنَا — (أَنَا) جَعَلْتُ الْقِرَاءَةَ عَادَةً.

Ik maakte het lezen tot een gewoonte.

(أَنَا) أَجْعَلُ الْقِرَاءَةَ عَادَةً.

Ik maak het lezen tot een gewoonte.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنَا, dus het voorvoegsel wordt أَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → أَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → أَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → أَجْعَلُ (+ uitgang)
هُمْ — الْمُعَلِّمُونَ جَعَلُوا الدَّرْسَ سَهْلًا.

De leraren maakten de les gemakkelijk.

الْمُعَلِّمُونَ يَجْعَلُونَ الدَّرْسَ سَهْلًا.

De leraren maken de les gemakkelijk.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُمْ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → يَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → يَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَجْعَلُونَ (+ uitgang)
هُنَّ — الْمُعَلِّمَاتُ جَعَلْنَ الْفَصْلَ نَظِيفًا.

De leraressen maakten het klaslokaal schoon.

الْمُعَلِّمَاتُ يَجْعَلْنَ الْفَصْلَ نَظِيفًا.

De leraressen maken het klaslokaal schoon.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُنَّ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → يَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → يَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → يَجْعَلْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ — (نَحْنُ) جَعَلْنَا الْمَسْجِدَ نَظِيفًا.

Wij maakten de moskee schoon.

(نَحْنُ) نَجْعَلُ الْمَسْجِدَ نَظِيفًا.

Wij maken de moskee schoon.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr نَحْنُ, dus het voorvoegsel wordt نَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ج ع ل (Baab Fataḥa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
جَعَلَ → نَجَعَلَ (+ voorvoegsel) → نَجْعَلَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَجْعَلَ (+ ʿAyn-klinker) → نَجْعَلُ (+ uitgang)

رَجَعَ

رَجَعَ (keerde terug) — wortel ر ج ع — Baab Ḍaraba

هُوَ — رَجَعَ خَالِدٌ إِلَى بَيْتِهِ.

Khālid keerde terug naar zijn huis.

يَرْجِعُ خَالِدٌ إِلَى بَيْتِهِ.

Khālid keert terug naar zijn huis.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُوَ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → يَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → يَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْجِعُ (+ uitgang)
هِيَ — رَجَعَتِ الْبِنْتُ مِنَ الْمَسْجِدِ.

Het meisje keerde terug van de moskee.

تَرْجِعُ الْبِنْتُ مِنَ الْمَسْجِدِ.

Het meisje keert terug van de moskee.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هِيَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → تَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → تَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَرْجِعُ (+ uitgang)
أَنْتَ — (أَنْتَ) رَجَعْتَ فَرِحًا.

Jij keerde verheugd terug.

(أَنْتَ) تَرْجِعُ فَرِحًا.

Jij keert verheugd terug.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → تَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → تَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَرْجِعُ (+ uitgang)
أَنْتِ — (أَنْتِ) رَجَعْتِ إِلَى الْبَيْتِ.

Jij keerde terug naar het huis.

(أَنْتِ) تَرْجِعِينَ إِلَى الْبَيْتِ.

Jij keert terug naar het huis.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتِ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → تَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → تَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَرْجِعِينَ (+ uitgang)
أَنَا — (أَنَا) رَجَعْتُ مِنَ الدَّرْسِ.

Ik keerde terug van de les.

(أَنَا) أَرْجِعُ مِنَ الدَّرْسِ.

Ik keer terug van de les.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنَا, dus het voorvoegsel wordt أَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → أَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → أَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → أَرْجِعُ (+ uitgang)
هُمْ — أَهْلُ الْقَرْيَةِ رَجَعُوا إِلَى بُيُوتِهِمْ.

De dorpsbewoners keerden terug naar hun huizen.

أَهْلُ الْقَرْيَةِ يَرْجِعُونَ إِلَى بُيُوتِهِمْ.

De dorpsbewoners keren terug naar hun huizen.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُمْ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → يَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → يَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْجِعُونَ (+ uitgang)
هُنَّ — النِّسَاءُ رَجَعْنَ فَرِحَاتٍ.

De vrouwen keerden verheugd terug.

النِّسَاءُ يَرْجِعْنَ فَرِحَاتٍ.

De vrouwen keren verheugd terug.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُنَّ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → يَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → يَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَرْجِعْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ — (نَحْنُ) رَجَعْنَا بِعِلْمٍ وَحِكْمَةٍ.

Wij keerden terug met kennis en wijsheid.

(نَحْنُ) نَرْجِعُ بِعِلْمٍ وَحِكْمَةٍ.

Wij keren terug met kennis en wijsheid.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr نَحْنُ, dus het voorvoegsel wordt نَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
رَجَعَ → نَرَجَعَ (+ voorvoegsel) → نَرْجَعَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَرْجِعَ (+ ʿAyn-klinker) → نَرْجِعُ (+ uitgang)

سَمِعَ

سَمِعَ (hoorde) — wortel س م ع — Baab Samiʿa

هُوَ — سَمِعَ خَالِدٌ صَوْتَ وَالِدِهِ.

Khālid hoorde de stem van zijn vader.

يَسْمَعُ خَالِدٌ صَوْتَ وَالِدِهِ.

Khālid hoort de stem van zijn vader.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُوَ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → يَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → يَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَسْمَعُ (+ uitgang)
هِيَ — سَمِعَتِ الْبِنْتُ الْقِرَاءَةَ.

Het meisje hoorde de voorlezing.

تَسْمَعُ الْبِنْتُ الْقِرَاءَةَ.

Het meisje hoort de voorlezing.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هِيَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → تَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → تَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَسْمَعُ (+ uitgang)
أَنْتَ — (أَنْتَ) سَمِعْتَ قِصَّةَ شَاكِرٍ.

Jij hoorde het verhaal van Shākir.

(أَنْتَ) تَسْمَعُ قِصَّةَ شَاكِرٍ.

Jij hoort het verhaal van Shākir.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتَ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → تَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → تَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَسْمَعُ (+ uitgang)
أَنْتِ — (أَنْتِ) سَمِعْتِ كَلَامًا طَيِّبًا.

Jij hoorde goede woorden.

(أَنْتِ) تَسْمَعِينَ كَلَامًا طَيِّبًا.

Jij hoort goede woorden.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنْتِ, dus het voorvoegsel wordt تَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → تَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → تَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → تَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → تَسْمَعِينَ (+ uitgang)
أَنَا — (أَنَا) سَمِعْتُ الْأَذَانَ.

Ik hoorde de adhān (de oproep tot het gebed).

(أَنَا) أَسْمَعُ الْأَذَانَ.

Ik hoor de adhān (de oproep tot het gebed).

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr أَنَا, dus het voorvoegsel wordt أَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → أَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → أَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → أَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → أَسْمَعُ (+ uitgang)
هُمْ — النَّاسُ سَمِعُوا قِرَاءَةَ خَالِدٍ.

De mensen hoorden de voorlezing van Khālid.

النَّاسُ يَسْمَعُونَ قِرَاءَةَ خَالِدٍ.

De mensen horen de voorlezing van Khālid.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُمْ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → يَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → يَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَسْمَعُونَ (+ uitgang)
هُنَّ — الْأُمَّهَاتُ سَمِعْنَ النَّصِيحَةَ.

De moeders hoorden het advies.

الْأُمَّهَاتُ يَسْمَعْنَ النَّصِيحَةَ.

De moeders horen het advies.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُنَّ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → يَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → يَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → يَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → يَسْمَعْنَ (+ uitgang)
نَحْنُ — (نَحْنُ) سَمِعْنَا عِلْمًا كَثِيرًا.

Wij hoorden veel kennis.

(نَحْنُ) نَسْمَعُ عِلْمًا كَثِيرًا.

Wij horen veel kennis.

  1. Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr نَحْنُ, dus het voorvoegsel wordt نَ.
  2. Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel س م ع (Baab Samiʿa).
  3. De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
سَمِعَ → نَسَمِعَ (+ voorvoegsel) → نَسْمِعَ (+ sukūn op Fāʾ) → نَسْمَعَ (+ ʿAyn-klinker) → نَسْمَعُ (+ uitgang)

Deze drie werkwoorden uit het verhaal volgen niet het gewone Ṣaḥīḥ-patroon dat u in Tabblad 1–3 heeft geoefend. Ze horen bij een categorie die later in de cursus apart behandeld wordt — hier alvast een korte kennismaking, zodat u ze herkent wanneer u ze in het verhaal tegenkomt.

قَالَ ← يَقُولُ

(hij) zei — Muʿtal (Ajwaf / hol werkwoord)

De middelste wortelletter (و) valt in de Māḍī weg vanwege een zware klinkercombinatie. In de Muḍāriʿ komt hij terug — maar niet als een gewone medeklinker, wel als een lange klinker (ū). Dit patroon geldt voor alle Ajwaf-werkwoorden met و als middelste letter.

يَقُولُ

جَاءَ ← يَجِيءُ

(hij) kwam — Muʿtal + met de Hamzah in zijn wortel-letters (Ajwaf met ء)

Hier is de middelste wortelletter ي, én de laatste letter is een hamza (ء) — een dubbele onregelmatigheid. Vandaar dat يَجِيءُ er zo anders uitziet dan een gewoon Ṣaḥīḥ-werkwoord.

1) ثُمَّ جَاءَ أَهْلُ الْقَرْيَةِ... (de dorpsbewoners kwamen)
2) وَلَمَّا جَاءَ خَالِدٌ إِلَى بَيْتِهِ... (toen Khālid naar huis kwam)

آمَنَ ← يُؤْمِنُ

(hij) geloofde — Mazīd Fīhi (Vorm IV) — buiten het systeem van de Thulāthī Mujarrad

Dit is geen vorm van de Thulāthī Mujarrad Abwaab meer, maar een afgeleide vorm met een toegevoegd hamza-voorvoegsel. Vandaar ook de betekenisverschuiving: de Thulāthī Mujarrad grondvorm أَمِنَ betekent "veilig zijn", terwijl آمَنَ betekent "geloven". Dit hoort bij de Mazīd Fīhi-Abwaab die later in de cursus apart worden behandeld.

يُؤْمِنُ

Het volledige verhaal van Shākir, met harakāt en vertaling — als naslag bij de oefeningen hierboven.

فِي قَرْيَةٍ جَمِيلَةٍ بَيْتٌ صَغِيرٌ. هُوَ بَيْتُ شَاكِرٍ. شَاكِرٌ رَجُلٌ طَيِّبُ الْقَلْبِ.

In een mooi dorp staat een klein huis. Het is het huis van Shākir. Shākir is een man met een goed hart.

رَزَقَ اللَّهُ شَاكِرًا عِلْمًا كَثِيرًا. كَتَبَ شَاكِرٌ كِتَابًا فِي تَفْسِيرِ كِتَابِ اللَّهِ تَعَالَى.

Allah schonk Shākir veel kennis. Shākir schreef een boek over de tafsīr (uitleg) van het Boek van Allah, de Verhevene.

قَرَأَ وَلَدُهُ خَالِدٌ ذَلِكَ الْكِتَابَ كُلَّ يَوْمِ جُمُعَةٍ. قَالَ وَلَدُ شَاكِرٍ: «هَذَا الْكِتَابُ مُبِينٌ وَعَظِيمٌ!»

Zijn zoon Khālid las dat boek elke vrijdag. De zoon van Shākir zei: "Dit boek is duidelijk en geweldig!"

ثُمَّ جَاءَ أَهْلُ الْقَرْيَةِ وَدَخَلُوا الْمَسْجِدَ الْوَاسِعَ مِنْ بَابِهِ الْكَبِيرِ، فَسَمِعُوا قِرَاءَةَ وَلَدِ شَاكِرٍ لِلْكِتَابِ.

Toen kwamen de dorpsbewoners en gingen de ruime moskee binnen via haar grote poort, en zij hoorden de voorlezing van het boek door de zoon van Shākir.

قَرَأَ خَالِدٌ مِنَ الْكِتَابِ وَقَالَ: «إِنَّ اللَّهَ خَلَقَ السَّمَاءَ وَالْأَرْضَ وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ وَجَعَلَ الْعِلْمَ نُورًا وَهِدَايَةً وَرَزَقَ الْمُسْلِمِينَ إِيمَانًا قَوِيًّا، وَنَصَرَ مَنْ آمَنَ بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ.»

Khālid las voor uit het boek en zei: "Voorwaar, Allah heeft de hemel en de aarde geschapen, en de zon en de maan, en Hij heeft de kennis tot een licht en leidraad gemaakt, en Hij heeft de moslims een sterk geloof geschonken, en Hij heeft degene geholpen die geloofde in Allah, Zijn Boodschapper en de Laatste Dag."

رَجَعَ الْقَوْمُ إِلَى بُيُوتِهِمْ فَرِحِينَ بِمَا سَمِعُوا مِنَ الْعِلْمِ وَالْحِكْمَةِ. وَلَمَّا جَاءَ خَالِدٌ إِلَى بَيْتِهِ ذَكَرَ ذَلِكَ لِوَالِدِهِ. فَشَكَرَ الْوَالِدُ رَبَّهُ الْكَرِيمَ عَلَى هَذِهِ النِّعْمَةِ الْعَظِيمَةِ.

De mensen keerden terug naar hun huizen, verheugd over wat zij aan kennis en wijsheid hadden gehoord. En toen Khālid naar zijn huis kwam, vertelde hij dit aan zijn vader. Toen dankte de vader zijn edele Heer voor deze geweldige gunst.