Hieronder staan de zinnen uit het verhaal van Shākir, met het werkwoord in de verleden tijd (Māḍī). Probeer eerst zelf de Muḍāriʿ-vorm te bedenken, klik dan op "Toon antwoord" om te controleren, en op "Stapsgewijze uitleg" voor de volledige redenering achter de omzetting.
1.رَزَقَ اللَّهُ شَاكِرًا عِلْمًا كَثِيرًا.
Allah voorzag Shākir van veel kennis.
Wortel ر ز ق — Baab Naṣara (ḍammah (u))
يَرْزُقُ اللَّهُ شَاكِرًا عِلْمًا كَثِيرًا.
Allah voorziet Shākir van veel kennis.
Herken de wortel ر ز ق en de Baab: Naṣara.
Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: ḍammah (u).
Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَزَقَ → يَرَزَقَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْزَقَ.
Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْزُقَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَرْزُقُ.
Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: fatḥah (a).
Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: قَرَأَ → يَقَرَأَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَقْرَأَ.
Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَقْرَأَ. (let op: hier blijft de klinker fatḥah — deze Baab verandert de ʿAyn al-Kalimah-klinker niet)
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَقْرَأُ.
...en zij gingen de ruime moskee binnen via haar grote poort. (Volledige zin in het verhaal: "Toen kwamen de dorpsbewoners en gingen de ruime moskee binnen via haar grote poort.")
En Hij heeft de kennis tot een licht en leidraad gemaakt.
Wortel ج ع ل — Baab Fataḥa (fatḥah (a))
وَيَجْعَلُ الْعِلْمَ نُورًا وَهِدَايَةً.
En Hij maakt de kennis tot een licht en leidraad.
Herken de wortel ج ع ل en de Baab: Fataḥa.
Bepaal alvast de vaste ʿAyn al-Kalimah-klinker van deze Baab in de Muḍāriʿ: fatḥah (a).
Plaats de ʿAlāmat al-Muḍāriʿ (het voorvoegsel يَ) vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → يَجَعَلَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah (de eerste wortelletter) — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَجْعَلَ.
Traceer de klinker uit stap 2 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَجْعَلَ. (let op: hier blijft de klinker fatḥah — deze Baab verandert de ʿAyn al-Kalimah-klinker niet)
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah voor de Marfūʿ-basisvorm, of bij meervoud ـُونَ: يَجْعَلُ.
Vier werkwoorden uit het verhaal, elk uit een andere Baab. De Māḍī-vorm is gegeven per Ḍamīr (persoonsvorm) — vul zelf de Muḍāriʿ-vorm in en controleer met de knop.
Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → تَكَتَبَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَكْتَبَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَكْتُبَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَكْتُبُ.
Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → تَكَتَبَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَكْتَبَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَكْتُبَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَكْتُبُ.
Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → تَكَتَبَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَكْتَبَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَكْتُبَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَكْتُبِينَ.
Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → يَكَتَبَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَكْتَبَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَكْتُبَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَكْتُبُونَ.
Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
Wortel ك ت ب (Baab Naṣara) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: ḍammah (u).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: كَتَبَ → يَكَتَبَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَكْتَبَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَكْتُبَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَكْتُبْنَ.
Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → تَجَعَلَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَجْعَلَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَجْعَلَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَجْعَلُ.
Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → تَجَعَلَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَجْعَلَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَجْعَلَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَجْعَلُ.
Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → تَجَعَلَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَجْعَلَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَجْعَلَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَجْعَلِينَ.
Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → يَجَعَلَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَجْعَلَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَجْعَلَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَجْعَلُونَ.
Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
Wortel ج ع ل (Baab Fataḥa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: جَعَلَ → يَجَعَلَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَجْعَلَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَجْعَلَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَجْعَلْنَ.
Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → تَرَجَعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَرْجَعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَرْجِعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَرْجِعُ.
Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → تَرَجَعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَرْجَعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَرْجِعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَرْجِعُ.
Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → تَرَجَعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَرْجَعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَرْجِعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَرْجِعِينَ.
Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → يَرَجَعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْجَعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْجِعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَرْجِعُونَ.
Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
Wortel ر ج ع (Baab Ḍaraba) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: kasrah (i).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: رَجَعَ → يَرَجَعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَرْجَعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَرْجِعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَرْجِعْنَ.
Bij هِيَ hoort, net als bij هُوَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ is hier de aanwijzing dat het om 'zij' gaat, niet de uitgang.
Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → تَسَمِعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَسْمِعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَسْمَعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَسْمَعُ.
Bij أَنْتَ hoort, net als bij هُوَ en هِيَ, de kale Marfūʿ-uitgang ḍammah (ـُ) — het voorvoegsel تَ (samen met de context) maakt duidelijk dat het 'jij' (mannelijk) is, en niet هِيَ.
Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → تَسَمِعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَسْمِعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَسْمَعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ḍammah (u) — de Marfūʿ-basisvorm: تَسْمَعُ.
Bij أَنْتِ hoort altijd de vaste uitgang ـِينَ (kasrah + يـ + نَ) — dit is een van de duidelijkste herkenningsvormen: zodra u ـِينَ ziet, weet u zeker dat het 'jij' (vrouwelijk) is.
Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel تَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → تَسَمِعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: تَسْمِعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: تَسْمَعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـِينَ (ī-klank + nūn, vrouwelijk enkelvoud aangesproken): تَسْمَعِينَ.
Bij هُمْ hoort altijd de vaste uitgang ـُونَ (wāw + نَ) — te herkennen aan de lange ū-klank gevolgd door نَ; dit is het teken van het mannelijk meervoud.
Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → يَسَمِعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَسْمِعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَسْمَعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـُونَ (mannelijk meervoud): يَسْمَعُونَ.
Bij هُنَّ hoort de vaste uitgang ـْنَ, rechtstreeks op de kale stam (met sukūn op de Lām al-Kalimah) — te herkennen aan de korte, harde نَ zónder lange klinker ervoor; dit onderscheidt هُنَّ meteen van هُمْ.
Wortel س م ع (Baab Samiʿa) krijgt in de Muḍāriʿ de klinker: fatḥah (a).
Plaats het Muḍāriʿ-voorvoegsel يَ vóór de nog volledig intacte Māḍī-vorm: سَمِعَ → يَسَمِعَ.
Zet een sukūn op de Fāʾ al-Kalimah — de ʿAyn en Lām al-Kalimah houden voorlopig nog hun Māḍī-klinker: يَسْمِعَ.
Traceer de klinker uit stap 3 en plaats die nu correct op de ʿAyn al-Kalimah: يَسْمَعَ.
Sluit af met de juiste uitgang op de laatste letter — ـْنَ: يَسْمَعْنَ.
Dezelfde vier werkwoorden, nu in nieuwe contextzinnen geïnspireerd door het verhaal. Zet de onderstreepte Māḍī-zin om naar de Muḍāriʿ — let op dat u het hele werkwoord aanpast, niet alleen het voorvoegsel.
كَتَبَ
كَتَبَ (schreef) — wortel ك ت ب — Baab Naṣara
هُوَ — كَتَبَ شَاكِرٌ كِتَابًا عَظِيمًا.
Shākir schreef een geweldig boek.
يَكْتُبُ شَاكِرٌ كِتَابًا عَظِيمًا.
Shākir schrijft een geweldig boek.
Herken het onderwerp: het past bij het ḍamīr هُوَ, dus het voorvoegsel wordt يَ.
Vervang het Māḍī-werkwoord door de Muḍāriʿ-stam van de wortel ك ت ب (Baab Naṣara).
De rest van de zin (voorwerp, voorzetsel) blijft ongewijzigd — alleen het werkwoord verandert van tijd.
Deze drie werkwoorden uit het verhaal volgen niet het gewone Ṣaḥīḥ-patroon dat u in Tabblad 1–3 heeft geoefend. Ze horen bij een categorie die later in de cursus apart behandeld wordt — hier alvast een korte kennismaking, zodat u ze herkent wanneer u ze in het verhaal tegenkomt.
قَالَ ← يَقُولُ
(hij) zei — Muʿtal (Ajwaf / hol werkwoord)
De middelste wortelletter (و) valt in de Māḍī weg vanwege een zware klinkercombinatie. In de Muḍāriʿ komt hij terug — maar niet als een gewone medeklinker, wel als een lange klinker (ū). Dit patroon geldt voor alle Ajwaf-werkwoorden met و als middelste letter.
يَقُولُ
جَاءَ ← يَجِيءُ
(hij) kwam — Muʿtal + met de Hamzah in zijn wortel-letters (Ajwaf met ء)
Hier is de middelste wortelletter ي, én de laatste letter is een hamza (ء) — een dubbele onregelmatigheid. Vandaar dat يَجِيءُ er zo anders uitziet dan een gewoon Ṣaḥīḥ-werkwoord.
1) ثُمَّ جَاءَ أَهْلُ الْقَرْيَةِ... (de dorpsbewoners kwamen)
2) وَلَمَّا جَاءَ خَالِدٌ إِلَى بَيْتِهِ... (toen Khālid naar huis kwam)
آمَنَ ← يُؤْمِنُ
(hij) geloofde — Mazīd Fīhi (Vorm IV) — buiten het systeem van de Thulāthī Mujarrad
Dit is geen vorm van de Thulāthī Mujarrad Abwaab meer, maar een afgeleide vorm met een toegevoegd hamza-voorvoegsel. Vandaar ook de betekenisverschuiving: de Thulāthī Mujarrad grondvorm أَمِنَ betekent "veilig zijn", terwijl آمَنَ betekent "geloven". Dit hoort bij de Mazīd Fīhi-Abwaab die later in de cursus apart worden behandeld.
يُؤْمِنُ
Het volledige verhaal van Shākir, met harakāt en vertaling — als naslag bij de oefeningen hierboven.
Khālid las voor uit het boek en zei: "Voorwaar, Allah heeft de hemel en de aarde geschapen, en de zon en de maan, en Hij heeft de kennis tot een licht en leidraad gemaakt, en Hij heeft de moslims een sterk geloof geschonken, en Hij heeft degene geholpen die geloofde in Allah, Zijn Boodschapper en de Laatste Dag."
De mensen keerden terug naar hun huizen, verheugd over wat zij aan kennis en wijsheid hadden gehoord. En toen Khālid naar zijn huis kwam, vertelde hij dit aan zijn vader. Toen dankte de vader zijn edele Heer voor deze geweldige gunst.